WMO
In de WMO worden de Welzijnswet, de Wet Voorzieningen Gehandicapten, delen van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning en enkele subsidieregelingen ondergebracht. Als de nieuwe WMO medio 2006 of per 1 januari 2007 doorgaat, dan krijgt de Gemeente nieuwe taken waarvan een deel door het Stadsdeel moet worden geregeld. 

Het Stadsdeel is met de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) vanaf 2007 verantwoordelijk voor de ondersteuning van burgers die niet in staat zijn om op eigen kracht deel te nemen aan de samenleving. Er is al een Wet voorzieningen gehandicapten en een Welzijnswet. Deze wetten gaan vanaf 2007 op in de WMO. De verantwoordelijkheid wordt uitgebreid met onderdelen die tot dan toe via de AWBZ liepen. Vanaf 2007 betreft dat de huishoudelijke verzorging. 

Het Stadsdeel moet er dan voor zorgen dat bewoners volwaardig aan de samenleving kunnen deelnemen en zijn verantwoordelijk voor het voorzieningenaanbod voor burgers. Ook moet zij zorgen voor de toegankelijkheid van de voorzieningen. Onder de regie van het Stadsdeel kunnen dienstverleners hun aanbod beter op elkaar kunnen afstemmen. En daardoor zouden voorzieningen beter aansluiten bij de persoonlijke omstandigheden van bewoners. De Gemeente en de Stadsdelen krijgen een eigen verantwoordelijkheid maar ook een bepaalde vrijheid om zaken anders te regelen. Het is daarom van belang dat de belangen van de bewoners goed behartigd worden. Leefbaar Slotermeer/Geuzenveld wil zorgen dat de bewoners daarbij een stem hebben. Met andere woorden LSG wil er op toezien dat de hiervoor op te zetten servicecentra voldoende worden ondersteund. Wachtlijsten bij de loketten moeten voorkomen worden en er moeten voldoende middelen worden gereserveerd voor een een goede en deskundige personele bezetting.

Het Stadsdeel is met de invoering van de WMO onder andere verantwoordelijk voor:
algemene voorzieningen, zoals sociale activering en hulp bij geldproblemen;
voorlichtingsloketten en advies over maatschappelijke ondersteuning;
ondersteuning mantelzorg en vrijwilligers;
leefbaarheid en samenhang buurt en wijk;
accommodaties, zoals zwembaden en clubhuizen;
preventieve voorzieningen voor problemen met jongeren en opvoedingsproblemen;
voorzieningen ouderen, gehandicapten, chronische psychiatrische patiënten en mensen met psychische of psychologische problemen, zoals rolstoelen en woningaanpassingen;
maatschappelijke opvang (tijdelijke opvangfunctie).

Deze ‘prestatievelden’ worden in de wet vastgelegd. Elk stadsdeel mag straks zelf invulling geven aan die prestatievelden, in nauw overleg met organisaties van burgers, cliëntenorganisaties en uiteraard de stadsdeelraad. Het Stadsdeel moet verantwoording afleggen aan de bewoners en de stadsdeelraad over de uitvoering van de WMO. 

De WMO wordt gefinancierd uit het Gemeentefonds. De budgetten voor de Wvg en de Welzijnswet zitten nu al in dat fonds. Met de invoering van de WMO worden ook de budgetten voor geschrapte AWBZ-taken in het Gemeentefonds gestort.

Pilot Amsterdam
Thema’s: Ketenregie en relatie Wmo en Wet werk en bijstand
Amsterdam heeft zich twee doelen gesteld:
1. Amsterdammers zonder dagbesteding moeten met meer succes begeleid worden naar vormen van dagbesteding, maatschappelijke participatie en trajecten om terug te keren op de arbeidsmarkt. Het gaat vooral om mensen met een chronisch psychiatrische aandoening en/of een verslaving.
2. Met de ervaringen van de pilot wil Amsterdam methodieken ontwikkelen die ook voor andere gemeenten handig zijn om mensen te begeleiden naar dagbesteding. Zonodig wil Amsterdam nieuwe voorstellen doen voor aanbod, organisatie en inzet van geld.
Het accent van de pilot ligt op de ‘dagbesteding’, maar Amsterdam hecht ook belang aan de randvoorwaarden in de keten van ondersteuning. De gemeente bedoelt daarmee gezondheid (bijvoorbeeld beheersing van problematiek om voldoende maatschappelijk te participeren), inkomen, huisvesting, nachtopvang en veiligheid.

De WMO (Wet Maatschappelijke Ondersteuning) is de samenvoeging van de Wet Voorzieningen Gehandicapten, de Welzijnswet, delen van de AWBZ en een aantal landelijke subsidieregelingen. Doel van de wet is dat álle burgers, met of zonder handicap, kunnen meedoen aan de samenleving. Om dat te realiseren moet de lokale overheid voorzieningen treffen; inclusieve voorzieningen waarvan iedereen gebruik kan maken en -waar dat niet mogelijk is- aparte voorzieningen voor individueel geïndiceerde burgers. Een andere verandering is dat de Welzijnswet veel verantwoordelijkheid bij de lokale overheid legt, terwijl de WMO de verantwoordelijkheid legt bij achtereenvolgens de individuele burger, de civil society en, pas als burgers en de civil society er zelf niet uitkomen, bij de overheid.
De wet treedt op 1 januari 2007 in werking.
Momenteel is de centrale stad verantwoordelijk voor de WVG en het stadsdeel voor de Welzijnswet. Door de komst van de WMO die een integrale aanpak vereist moeten beide partijen hun huidige beleid en uitvoering omvormen tot één samenhangend geheel; herijking is dus noodzakelijk.
Ook wat betreft de nieuwe WMO-onderdelen moeten de centrale stad en de stadsdelen afspraken maken over taken, verantwoordelijkheden en financiering.
Met de invoering van de WMO is een enorm budget gemoeid, dat naar verwachting niet toereikend zal zijn. 

Het dagelijks bestuur van het stadsdeel heeft op 20 december 2005 ingestemd met het bestuurlijk document De WMO in Amsterdam: een nieuwe kijk op participatie, zorg en welzijn. Daarnaast heeft het db o.a. de Routekaart WMO: een nieuwe kijk op participatie, zorg en welzijn in Amsterdam ter kennisname aangenomen.

In deze documenten zijn o.a. de doelen en de wijze van samenwerken vastgelegd. Qua inhoud is o.a. vastgelegd dat in de bestuursperiode 2006-2010 wordt gestart met een gezamenlijk herijkingproces waarin beleid en uitvoering worden geëvalueerd en zo nodig bijgesteld. Dit kan leiden tot wijzigingen in de taakverdeling tussen de centrale stad en de stadsdelen en de bijbehorende financierings-stromen. Afgesproken is alle activiteiten van de lokale overheid op het gebied van zorg, welzijn en participatie te ordenen in vijf levensdomeinen: onderdak & opvang, gezondheid, zelfstandig wonen, sociale participatie en maatschappelijke participatie. Qua organisatie is o.a. afgesproken dat een WMO-uitvoeringsorganisatie wordt ingesteld die wordt aangestuurd door de centrale stad én de stadsdelen! Qua uitvoering is o.a. besloten tot de instelling van WMO-loketten; de inrichting, bemensing, financiering etc. behoeven nadere uitwerking. Ons loket Vraagwijzer Wonen, Zorg en Welzijn dat dit najaar opent kan als een voorloper hiervan worden beschouwd.
De centrale stad en de stadsdelen blijven vooralsnog hun ‘eigen’ beleid (dus resp. de WVG en de Welzijnswet) behouden en uitvoeren. Wel geldt dat, nu het totale budget meer onder één dak geplaatst is, zorg en welzijn sterker als communicerende vaten gaan functioneren. Dit kan verschuivingen in budgetten tussen zorg en welzijn met zich meebrengen. De herijking, evaluatie en eventuele bijstelling en de ordening van alle activiteiten in vijf levensdomeinen start in 2006. De huishoudelijke zorg (nu nog AWBZ-onderdeel) wordt de taak en verantwoordelijkheid van de centrale stad. Over de subsidieregelingen moeten nog nadere afspraken worden gemaakt.
Op gezamenlijk niveau van stad en stadsdelen is de WMO-uitvoeringsorganisatie in oprichting. Op het niveau van het stadsdeel zijn nog geen organisatiewijzigingen gepland die aansluiten op de WMO. Ook de implicaties van de invoering moeten nog nader worden verkend.
De opening van Loket Vraagwijzer WzW staat gepland voor 1 september 2006. 


Welke ondersteuning en zorg valt straks onder de Wmo?

Verschillende soorten zorg en ondersteuning gaan straks onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) vallen. Afhankelijk van wat de Eerste Kamer beslist, bestaat de Wmo straks uit:

Op termijn komen hier wellicht ondersteunende en activerende begeleiding bij. Hierover neemt het volgende kabinet een beslissing.

Voorzieningen Welzijnswet en Wvg over naar Wmo
Als de Eerste Kamer goedkeurt, dan wordt de Welzijnswet en de Wvg ingetrokken en gaan alle voorzieningen die onder deze wetten vallen over naar de Wmo. Goedgekeurde Wvg-voorzieningen aan burgers blijven tot één jaar na de invoering van de Wmo geldig.

Huishoudelijke verzorging
Als de Eerste Kamer goedkeurt dan gaat de huishoudelijke verzorging van de AWBZ over naar de Wmo.


Op 23 april 2004 hebben minister Hoogervorst en staatssecretaris Ross-van Dorp de contourennota voor de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) naar de Tweede Kamer gestuurd. Deze wet, waarvan de invoering per 1 januari 2006 is voorzien, komt in de plaats van de Wet Voorzieningen Gehandicapten, delen van de AWBZ en de Welzijnswet. De gemeente wordt verantwoordelijk voor de uitvoering van deze wet en moet in dit kader een 4-jarige nota opstellen. De voorgenomen wet heeft niet het karakter van een voorzieningenwet met individueel geformuleerde aanspraken; er wordt een aantal prestatievelden benoemd waarop de gemeente beleid moet voeren.  
De WMO kan niet los gezien worden van de ontwikkelingen in de AWBZ. De AWBZ komt in de nieuwe plannen pas in beeld als zware zorg vereist is, bijvoorbeeld voor ernstig chronisch zieken, dementerende ouderen, zwaar gehandicapten en chronische psychiatrische patiënten. De gemeente krijgt de verantwoordelijkheid voor de lichtere vormen van hulp en ondersteuning: huishoudelijke zorg en ondersteunende en activerende begeleiding. De indicatiestelling voor de resterende AWBZ-functies wordt verscherpt, met name voor verblijf. De indicatiestelling voor de AWBZ wordt mede om die reden gecentraliseerd.

Er is op dit moment nog onvoldoende zicht op de omvang van de toekomstige gemeentelijke kosten en toereikendheid van de compensatie daarvan door het Rijk. Hoewel de staatssecretaris bij diverse gelegenheden heeft tegengesproken dat het om een bezuiniging gaat, vormt de noodzaak om de stijgende uitgaven voor de AWBZ een halt toe te roepen een belangrijke achtergrond voor de invoering van de WMO.1 

De komst van de WMO zal ingrijpende gevolgen hebben voor burgers. Op dit moment hebben mensen een verzekerd recht op thuiszorg, heeft de gemeente een zorgplicht voor de Wet Voorzieningen Gehandicapten en hebben de stadsdelen bij convenant de inspanningsverplichting op zich genomen om in elk stadsdeel een basispakket van voorzieningen voor ouderen te bieden. Dat zijn drie verschillende manieren om zekerheden aan burgers te bieden. De vorm waarin het bieden van zekerheid aan burgers zal worden gegoten, zal een van de meest fundamentele vraagstukken zijn waar stad en stadsdelen voor gesteld worden. Organisatorisch en financieel verandert er nogal wat, terwijl de kwaliteit en continuïteit van de zorg en dienstverlening aan de burger gewaarborgd moeten zijn. Het veld van de WMO is zeer divers en complex. Een veelheid van partijen is bij de uitvoering betrokken: sociaal én fysiek; professioneel én vrijwillig; gesubsidieerd én financieel onafhankelijk.2 Dat vraagt om een samenhangend beleid én om een samenhangende uitvoering. Dat zal veel van het coördinerend vermogen van de gemeente vergen. Factoren daarbij zijn dat de verschillende beleidsterreinen van de WMO bij diverse gemeentelijke afdelingen en diensten zijn belegd en dat een groot aantal taken is gedecentraliseerd naar de stadsdelen, maar andere taken centraal stedelijk worden uitgevoerd. 

De boven beschreven wijzigingen vragen om een projectmatige aanpak, die bestuurders de mogelijkheid biedt de vinger goed aan de pols te houden. Aan het eind van deze notitie wordt dan ook een voorstel voor een projectstructuur voor de voorbereiding van de WMO in Amsterdam uitgewerkt. Eerst wordt inzichtelijk gemaakt wat de huidige situatie is en wat de gevolgen zijn van invoering van de WMO, wat de specifieke situatie van Amsterdam is en hoe de diverse partijen (aanbieders, burgers, zorgkantoor, etc.) erin zitten. Tevens worden de noodzakelijk te verrichten activiteiten tot aan 1-1-2006 beschreven en worden de uitgangspunten voor de uitvoering van de WMO in Amsterdam onderbouwd. Tenslotte wordt een voorstel gedaan voor een passende projectstructuur.

De huishoudelijke verzorging zal als eerste wordt overgeheveld vanuit de AWBZ naar de WMO en dus deze gaat per 1 januari tot de verantwoordelijkheden behoren, 
De zorgplicht voor rolstoelen, scootmobielen en huishoudelijke verzorging is na de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer omgezet in een compensatieplicht. Hiermee wordt het Stadsdeel verplicht inwoners met een ergonomische of psychosociale belemmering te compenseren, zodanig dat zij kunnen deelnemen aan de maatschappij. 
Ook worden het Stadsdeel verplicht om specifieke voorzieningen aan te bieden, zowel in natura als in de vorm van een persoonsgebonden budget. Dit moet nog worden uitgewerkt in een verordening.
Op grond van:
artikel 3 
stelt de raad tenminste eens per vier jaar een of meer plannen vast, die richting geven aan de door de raad en het college te nemen beslissingen betreffende maatschappelijke ondersteuning en staan er tenminste in: doelstellingen, uitvoering, te verwachten resultaten, kwaliteitswaarborgen, keuzevrijheid en behoeften van kleine doelgroepen. 

artikel 5 
stelt de raad een verordening vast over de door het college te verlenen individuele voorzieningen. Ook hier moet de inspraakprocedure worden gevolgd en advies worden gevraagd. De compensatieplicht moet hier duidelijk in worden verwerkt. De compensatieplicht is als volgt gedefinieerd: dit zijn voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die een cliënt in staat stellen:
- een huishouden te voeren
- zich te verplaatsen in en om de woning
- zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel
- medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan
Bij het bepalen van de voorzieningen dient het college rekening te houden met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

artikel 6 
bepaalt het college of aan iemand die aanspraak heeft op een individuele voorziening, de keuze wordt gelaten tussen voorzieningen in natura, financiële tegemoetkoming of een PGB. De keuzevrijheid in deze vorm is een verplichting. 
Het Stadsdeel moet de dienstverlening zoveel mogelijk laten verrichten door derden. Het Stadsdeel kan de uitvoering alleen zelf doen als er geen private partijen is die de taak onder redelijke condities wil en kan uitvoeren. Voor materiële goederen is dit nog strenger: deze moet het Stadsdeel op grond van artikel 10 betrekken van derden, tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is.
In verband met de verstrekking aan cliënten van 18 jaar of ouder kan een eigen bijdrage worden gevraagd indien het een individuele voorziening of PGB betreft. Voor verschillende voorzieningen kunnen verschillende eigen bijdragen gelden. Deze mag afhankelijk worden gesteld van het inkomen, maar niet zodanig dat er een eigen inkomensbeleid wordt gevoerd. Op grond van artikel 15 komt de minister hiervoor nog met een regeling (AmvB). Ook de financiële tegemoetkoming kan per soort ondersteuning verschillend zijn. 

artikel 9 
dient jaarlijks voor 1 juli een klanttevredenheidsonderzoek te zijn gedaan en dienen aan het ministerie van VWS monitoringsgegevens te worden verstrekt. Deze worden voor 1 januari verwerkt als benchmarkgegevens, waarmee de prestaties van de verschillende gemeenten worden vergeleken.

Overgangsrecht: Er is een verschil tussen overgangsrecht met betrekking tot de Wvg en met betrekking tot de huishoudelijke verzorging vanuit de AWBZ.
Wvg:
de financiële bepalingen over verantwoording, vaststelling en uitbetaling blijven van kracht voor de al verleende, aangevraagde of aan te vragen uitkeringen op grond van de Wvg
roerende zaken, die op grond van de Wvg zijn verkregen, blijven niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, zolang ze een geschikte voorziening zijn.
Een bestaande voorziening blijft gedurende de looptijd van een beschikking gelden, maar maximaal tot 1 jaar na inwerkingtreding van de WMO
Op nieuwe aanvragen voor rolstoelen en scootmobielen blijft de Wvg van toepassing, voor zover die aanvragen zijn gedaan binnen 3 maanden nadat de raad de WMO-verordening heeft vastgesteld, maar maximaal binnen 1 jaar na inwerkingtreding WMO
Op andere nieuwe aanvragen blijft de Wvg van toepassing voor zover die aanvragen zijn gedaan binnen 3 maanden nadat de raad het WMO-plan heeft vastgesteld, maar maximaal binnen 1 jaar na inwerkingtreding WMO.
De voorzieningen die op deze nieuwe aanvragen worden verleend, blijven gelden gedurende de looptijd van de beschikking, maar maximaal tot 1 jaar na inwerkingtreding WMO.
Bij bezwaar- en beroepsprocedures tegen Wvg-besluiten blijft de Wvg van toepassing.

Huishoudelijke verzorging:
Een indicatiebesluit voor huishoudelijke verzorging op grond van de AWBZ blijft gelden gedurende de looptijd van het besluit, maar maximaal tot 1 jaar na inwerkingtreding WMO
Op nieuwe aanvragen voor HV blijft de AWBZ van toepassing, voor zover die aanvragen zijn gedaan binnen 3 maanden nadat de raad de WMO-verordening heeft vastgesteld maar maximaal binnen 1 jaar na inwerkingtreding WMO.
De voorzieningen die op deze nieuwe aanvragen worden verleend, blijven gelden gedurende de looptijd van de beschikking, maar maximaal tot 1 jaar na inwerkingtreding WMO
Bij bezwaar- en beroepsprocedures tegen HV besluiten op grond van de AWBZ blijft de AWBZ van toepassing.

Opmerking: In het bovenstaande, als de termijn van drie maanden wordt genoemd, wordt wel bedoeld dat deze drie maanden vallen binnen het eerste jaar nadat de WMO in werking is getreden.
Een probleem kan ontstaan aan het einde van het eerste jaar na inwerkingtreding WMO, aangezien dat betekent dat binnen het eerste jaar alle bestaande cliënten opnieuw moeten worden geïndiceerd onder het WMO-regime. Dit betekent dan ook heel veel extra indicatiekosten voor de gemeenten. Daarom zullen wij onderzoeken of dit op te lossen is binnen de overgangsregelingen in de nieuw te maken verordeningen.
Op grond van de derde nota van wijziging is geregeld dat het Centraal Administratiekantoor bijzondere ziektekosten (CAK-bz) verplicht wordt aangewezen als uitvoeringsinstantie voor de inning van de eigen bijdragen om de stapeling van eigen bijdragen AWBZ en WMO te kunnen maximeren. 


artikel 11 
moet inspraak hebben plaatsgevonden volgens de gemeentelijke inspraakverordening, voordat de raad het beleidsplan vaststelt. Inwoners moeten daarbij al vroegtijdig de gelegenheid krijgen om voorstellen te doen. 

artikel 12 
vraagt het college hiertoe advies aan een representatieve cliëntenorganisatie. Dit geldt ook voor deelplannen en verordeningen op grond van de WMO. De Wvg-gerechtigden en Platform Gehandicapten/ouderen het adviesorgaan wat de beleidsvelden over de zorg betreft. De overige inspraak is geregeld in de vorm van themabijeenkomsten met vertegenwoordigers uit de andere beleidsvelden.
De oude regelgeving op grond van de Wvg en de Welzijnswet kan gehandhaafd blijven tot maximaal 1 jaar na inwerkingtreding van de Wmo. Verordeningen van deze wetten dienen dus te zijn aangepast voor 1 januari 2008. 

artikel 26
vermeldt de beschikking op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem. Bezwaar en beroep zijn hierop van toepassing.

 Het terrein welzijn is in Amsterdam voor een groot deel gedecentraliseerd en de verantwoordelijkheid van de stadsdelen. Uitzonderingen zijn de maatschappelijke opvang en de verslavingszorg. Amsterdam vervult voor deze sectoren een centrumfunctie. 

De aanbieders van welzijnsdiensten worden gefinancierd door de stadsdelen. Zij subsidiëren hun 
welzijnsorganisaties en kopen op die manier hun welzijnsaanbod in het stadsdeel in. In een aantal stadsdelen is een stichting welzijn actief, in andere zijn andere aanbieders actief en vaak bedienen aanbieders meerdere stadsdelen.
 

Bij invoering van de WMO zou de Welzijnswet in zijn geheel verdwijnen. De veelheid van onderwerpen, doelgroepen en geldstromen die nu onder welzijnswet vallen kunnen in principe in de in de WMO onderscheiden prestatievelden worden ondergebracht. Er bestaat echter wel de zorg dat de activiteiten die gericht zijn op niet zorgbehoevende burgers (sport, sociaal cultureel werk, activiteiten gericht op leefbaarheid en sociale netwerken) onder de WMO minder prioriteit zouden kunnen gaan krijgen ten gunste van de zorg en ondersteuning voor kwetsbare groepen. Op termijn werkt dat contraproductief omdat dergelijke activiteiten preventief werken op de ontwikkeling van de vraag naar zorg en ondersteuning. 
 
Wet Voorzieningen Gehandicapten 
De Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) heeft als uitgangspunt dat ouderen en gehandicapten zo lang mogelijk zelfstandig blijven en kunnen deelnemen aan het sociale en maatschappelijke leven. Daartoe voorziet de Wvg in woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. 
De Wvg wordt uitgevoerd door gemeenten. Iedere gemeente heeft een zorgplicht. Dit betekent dat gemeenten verplicht zijn deze voorzieningen te verstrekken aan iedereen die het nodig heeft. Welke voorzieningen er precies zijn, hoe de voorzieningen worden verstrekt en hoe hoog een eventuele eigen bijdrage is, verschilt per gemeente.  
Gemeenten zijn verplicht een Verordening op te stellen, waarin het individuele aanspraakniveau is vastgelegd. Over de te verstrekken voorziening is in de Wvg vastgelegd dat deze doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend. Individuele gehandicapten kunnen zich beroepen op de Wvg en de gemeentelijke Verordening.
 

In Amsterdam wordt de Wvg centraal gefinancierd. Er is ook één gemeentelijke verordening die in alle stadsdelen geldt. In Amsterdam lopen onder de centrale regie door DMO vier verschillende trajecten voor de aanvraag en verstrekking van een Wvg voorziening:

 

Iedere Nederlander is via de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) verzekerd voor zorg en ondersteuning bij langdurige ziekte, handicap of ouderdom. De AWBZ regelt nu de rechten op verstrekkingen op de volgende gebieden:

Deze functies worden geleverd door instellingen die door het College voor zorgverzekeringen zijn toegelaten als AWBZ-instelling. Het kan daarbij gaan om traditionele verzorgingshuizen, verpleeghuizen, thuiszorgorganisaties, ggz-instellingen en instellingen voor gehandicaptenzorg, maar de afgelopen jaren hebben ook tal van nieuwe aanbieders hun intrede gedaan. 
De uitvoering van de AWBZ is sinds 1998 in handen van de zorgkantoren. Zorgkantoren zijn zelfstandig werkende kantoren - nauw gelieerd aan de zorgverzekeraar ter plekke - die zorgvraag en zorgaanbod in een specifieke regio zo goed mogelijk op elkaar trachten af te stemmen. 
Het zorgkantoor heeft de volgende taken:

Op dit moment is zorgverzekeraar Agis verantwoordelijk voor het functioneren van het zorgkantoor Amsterdam. Zorgkantoor Amsterdam contracteert de bovengenoemde zorgfuncties bij de Amsterdamse aanbieders van Verpleging en Verzorging, Geestelijke Gezondheidszorg en Gehanidcaptenzorg. Daarnaast voert het zorgkantoor diverse subsidieregelingen uit, onder meer op het gebied van de coördinatie vrijwillige thuiszorg, doventolken en diensten bij wonen en zorg en de consulentfunctie voor gehandicapten (MEE). 

De zorg in de AWBZ begint met een indicatiestelling. Het regionaal indicatieorgaan (RIO; in Amsterdam de Stichting Tot en Met) bepaalt op welke zorg iemand recht heeft en in welke mate. Tot nu toe is de indicatiestelling een verantwoordelijkheid van (samenwerkende) gemeenten. In de gemeente Amsterdam voert het indicatieorgaan zowel de AWBZ- als Wvg-indicaties uit. Het kabinet heeft inmiddels besloten om de indicatiestelling voor de AWBZ te centraliseren. Per 1 januari 2005 voert het landelijk Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) de AWBZ-indicaties uit. In verband daarmee zal voor het AWBZ-deel van de indicatiestelling een uitname uit het gemeentefonds plaatsvinden en dient binnen het indicatieorgaan een opsplitsing plaats te vinden tussen indicatiestelling AWBZ en indicatiestelling WVG. De gemeente zou kunnen besluiten de WVG-indicaties bij het CIZ in te kopen. Over dit traject zal vermoedelijk in september van dit jaar - afzonderlijke besluitvorming plaats vinden. 

 Op het moment dat de WMO wordt ingevoerd wordt een aantal functies en subsidieregelingen uit de AWBZ naar gemeenten overgeheveld:

Daarnaast zal in de in de huidige GGZ zorg een knip worden aangebracht. De op genezing gerichte GGZ zorg (korter dan één jaar) zal in de nieuwe basisverzekering worden ondergebracht. De GGZ-zorg langer dan één jaar blijft in de AWBZ. 
 
1.4  Doelgroepen en sectoren 
In het gemeentelijk beleid wordt een aantal doelgroepen en sectoren onderscheiden die in verschillende mate een beroep doen op welzijns-, WVG- en AWBZ voorzieningen en ook tot de doelgroepen van de WMO gerekend kunnen worden. Hierna zal kort worden ingegaan op de belangrijkste feiten m.b.t. deze groepen; meer uitvoerige informatie is te vinden in bijlage 2. 

Ouderen

In Amsterdam wonen op dit moment ongeveer 90.000 55 - 65 jarigen en ongeveer 84.000 65 +ers. Terwijl landelijk het aantal ouderen sterk toeneemt, blijft het aantal ouderen in Amsterdam tot 2015 nagenoeg constant. In die periode zal het aantal autochtone ouderen afnemen. De allochtone bevolking vergrijst echter wel en wel in een snel tempo. In 2015 zullen onder migranten de aantallen 55-plussers, 65-plussers en 75-plussers vrijwel verdubbeld zijn.

Pas vanaf 2015 zal het aantal 75-plussers in Amsterdam sterk toenemen en die stijgende trend houdt tot in 2040 aan. De vergrijzing  in Amsterdam wijkt ook nog op een andere manier af van de landelijke trend. Landelijk is sprake van een soort piek in 2040 waarna een vrij abrubte daling van het aantal ouderen plaats vindt. In Amsterdam blijft het aantal ouderen na 2040 nog enkele decennia lang op hetzelfde niveau.

Ouderen, vooral de oudsten onder hen, zijn de belangrijkste gebruikers van verpleeghuizen, verzorgingshuizen en thuiszorg (AWBZ). Ook zijn er nogal wat ouderen die gebruik maken van de WVG (vooral de vervoersvoorzieningen) en welzijnsdiensten, zoals alarmering, maaltijden en klussenhulp. Tegelijkertijd wordt door ouderen veel mantelzorg geboden en vrijwilligerswerk gedaan. 

Het Amsterdamse ouderenbeleid is, voorzover het welzijnstaken betreft, gedecentraliseerd naar de stadsdelen. In het algemeen wordt daarbij nagestreefd om:

 
In het Bestuursakkoord dat tussen centrale stad en stadsdelen is gesloten is het basispakket voor ouderen een belangrijk onderdeel. Voor ouderen bieden de stadsdelen op dit moment een uniform pakket van ondersteunende diensten en producten waardoor men (langer) zelfstandig kan blijven wonen (zie bijlage 3). Begin 2002 is daartoe een convenant gesloten tussen centrale stad en stadsdelen.

In het bestuursakkoord 2003-2006 is afgesproken

 
Gehandicapten

Tot de gehandicapten worden in het algemeen gerekend: lichamelijk gehandicapten, verstandelijk gehandicapten, chronisch zieken, visueel beperkten en auditief beperkten. Er zijn wat betreft het aantal gehandicapten geen exacte cijfers bekend, maar wanneer landelijke cijfers worden doorgetrokken, dan wonen in Amsterdam naar schatting 175.000 mensen met een lichamelijke beperking, van wie er 100.000 licht beperkt zijn en 75.000 matig tot ernstig. Er zijn ongeveer 75.000 chronisch zieken en 5.500 verstandelijk gehandicapten.4 Bijlage 3 bevat meer uitvoerige informatie over de doelgroep gehandicapten.

Doel van het gehandicaptenbeleid is om het voor mensen met een handicap mogelijk te maken om op overeenkomstige wijze als mensen zonder handicap, zo veel mogelijk zelfstandig en naar eigen keuze in de maatschappij te functioneren. Het gaat daarbij om het scheppen van voorwaarden die het mógelijk maken om te participeren door het zo veel mogelijk wegnemen van belemmeringen en het creëren van voorzieningen.

Gehandicaptenbeleid is inclusief beleid: het moet vanzelfsprekend zijn dat gehandicapten deelnemen aan zoveel mogelijk aanbod en activiteiten in de levensdomeinen

Voor gehandicapten geldt een achterstand in participatie op al deze domeinen.  

GGZ-cliënten

Jaarlijks maken ongeveer 20.000 Amsterdammers op enigerlei wijze gebruik van de Geestelijk Gezondheidszorg. Dat betekent dat het aantal mensen met GGZ-problematiek per jaar een aantal malen groter is. Het overgrote merendeel van de mensen met relatief lichte GGZ-problematiek maakt namelijk geen gebruik van de GGZ.

Voor de WMO is de vraag meer van belang: hoeveel mensen zijn er die langdurig van zorg afhankelijk zijn en ondersteuning nodig hebben bij het dagelijks leven. Er zijn verschillende schattingen, die enigszins uiteenlopen. Op basis van gegevens van de drie grootste GGZ-instellingen wordt geschat dat er ongeveer 4200 chronische GGZ-cliënten zijn, waarvan een derde tot een kwart niet in zorg is. Het gaat dan vooral om de diagnoses schizofrenie en depressie.

De centrale stad heeft een wettelijke regietaak op de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ), dus de ggz voor mensen met problemen die niet zelf om hulp vragen. Vandaar de betrokkenheid van de centrale stad op het gebied van crisisopvang en overlastnetwerken.  

Wettelijke basis voor de gemeentelijke bemoeienis is de Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid (WCPV) en wat betreft de welzijnsvoorzieningen de Welzijnswet. Op de gebieden van wonen en uitkering/activering geldt specifieke regelgeving (Woningwet, Wet Werk en Inkomen). 
DMO en stadsdelen voeren regie op het realiseren van lokale zorgnetwerken. GG&GD levert medische zorg aan mensen die niet zelf om zorg vragen. De Dienst Wonen bemiddelt in woningen voor woonbegeleiding op verzoek van instellingen. De Sociale Dienst levert sociale activering. Stadsdelen voeren regie op de totstandkoming van hun eigen lokale zorgnetwerk, maar hebben daarin geen directe uitvoerende taken. 

Maatschappelijke opvang, ambulante verslavingszorg en vrouwenopvang.

Per dag zijn er in Amsterdam ruim 2000 dak- en thuislozen, waaronder vrouwen op de vlucht voor geweld. Per jaar gaat het om ongeveer 4000-5000 verschillende mensen.

Op ieder moment zijn zon 1800 mensen onder dak bij één van de instellingen, Per nacht slapen ongeveer 300 mensen op straat. De groep is als volgt onderverdeeld: ruwweg 30% heeft ernstige psychiatrische problematiek, bij 30% is sprake van verslaving aan harddrug/alcohol, veel mensen met somatische problemen. Het sterftecijfer onder daklozen  ligt vier keer zo hoog als bij gewone Amsterdammers. 

Naar schatting zijn er ongeveer 4200 verslaafden  in de stad, waarvan 1500 problematisch in die zin dat men naast verslaving ook een psychiatrische stoornis heeft en/of dakloos of thuisloos is, overlast veroorzaakt en/of criminele feiten pleegt. 

Op basis van de Welzijnswet is het de gemeente (DMO) die de bovengenoemde drie sectoren financiert en die ook het beleid voert, dwz voorzieningen treft voor de regio (de zuidelijke subregio van de Wet Ziekenhuis Voorzieningen, Amsterdam, Haarlemmermeer, Aalsmeer, Amstelveen, Uithoorn, Ouderkerk a/d Amstel, Diemen).

De Dienst Wonen bemiddelt in woningen voor woonbegeleiding op verzoek van instellingen.

De Sociale Dienst levert sociale activering. GG&GD levert medische zorg aan mensen die niet zelf om zorg vragen. 

Stadsdelen voeren regie op de totstandkoming van lokale zorgnetwerken, maar  hebben praktisch geen bemoeienis met het treffen van centrale voorzieningen. Met de regiogemeenten bestaat een convenant. De afstemming tussen de centrale voorzieningen en lokale zorgnetwerken in de stadsdelen en de regiogemeenten in verband met preventie en reïntegratie is een belangrijk aandachtspunt voor de volgende beleidsperiode. 

In de maatschappelijke opvang gaat 45 miljoen euro om;  31 miljoen van het rijk en 14 miljoen van de gemeente. 

Jeugd

In Amsterdam woonden in 2003 bijna 155. 000 kinderen en jongeren tussen 0 en 18 jaar. Voor veel van deze kinderen verloopt het opgroeien niet gemakkelijk. Hun ouders of zijzelf zoeken ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien. Die steun vinden ze, naast hun eigen netwerk, bij organisaties als (school) maatschappelijk werk, consultatiebureaus of opvoedwinkels. Voor ernstige problematiek doet men een beroep op de voorzieningen van jeugdzorg. In 2003 werden 5.643 Amsterdamse kinderen na een aanmeldingsfase onderzocht door Bureau Jeugdzorg in verband met ernstige opgroei- of opvoedproblematiek.  Het gaat dan bijvoorbeeld om problematiek die op de website van Medisch Orthopedagogisch Centrum t Kabouterhuis wordt omschreven als een combinatie van: extreem druk en beweeglijk, angstig, erg stil en teruggetrokken, ongehoorzaam, moeilijke omgang met leeftijdgenootjes, cara, PDD-NOS, driftbuien, obstipatie, niet eten, groeiproblemen, ADHD, agressief, slecht slapen, neonatale problemen, eczeem, lusteloos, onverzadigbaar, achterdochtig. 

Veelal komt deze problematiek niet alleen, maar is er sprake van (gezins)problemen op meerdere fronten die door meerdere sectoren moet worden opgepakt. Denk aan huisvesting, schulden, problemen als gevolg van migratie of cultuurverschillen, problemen als gevolg van alleenstaand ouderschap, relatieproblemen, psychiatrische of verslavingsproblematiek bij de ouders. De problematiek van deze kinderen is dan niet alleen ernstig maar ook zeer complex.  

Kenmerken van de Amsterdamse kinderen die in 2003 bij BJAA na de aanmelding in de screeningsfase kwamen:

 
Beleid en financiering van de jeugdzorg is een taak van de provincies en grootstedelijke regios, in dit geval het Regionaal Orgaan Amsterdam (ROA). Het ROA heeft deze taak uitbesteed aan de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Amsterdam. De besluitvorming vindt plaats in de Regioraad. Het ROA jeugdzorg budget voor 2004 is ruim 120 miljoen euro. Hiervan wordt 770.000 euro ingezet voor aansluitingstaken door Bureau Jeugdzorg.  

Het zorgkantoor is verantwoordelijk voor de financiering van de jeugd-GGZ en (verstandelijk) gehandicaptenzorg. 

De gemeente Amsterdam voert zowel stedelijk als op stadsdeelniveau een aantal taken uit in de aansluiting tussen het jeugdzorgstelsel en het lokaal jeugdbeleid.

In de stad worden projecten uitgevoerd voor risicojongeren en zorgleerlingen in het onderwijs (Time Out, Nieuwe Perspectieven, jeugdzorgadviesteams (tot 2005), Zorg op Maat).

Stadsdelen zijn in het kader van lokaal jeugdbeleid verantwoordelijk voor zaken als opvoedsteunpunten, jeugdgezondheidszorg, Opstap, zorgteams op basisscholen, RMC, algemeen maatschappelijk werk, jongerenwerk, straathoekwerk, schoolbegeleidingsdienst en buurtnetwerken.  

Organisaties op het gebied van jeugdzorg zijn: Bureau Jeugdzorg, Altra, Sac-Amstelstad, Medisch Orthopedagogisch Centrum Kabouterhuis, HVO Querido Begeleid Wonen, De Bascule. 

De komende jaren verandert er het een en ander in de organisatie van de jeugdzorg, zowel waar het gaat om lokale voorzieningen als in de regionaal georganiseerde jeugdzorg. Op 1 januari 2005 treedt de Wet op de Jeugdzorg in werking die de werkzaamheden van het jeugdzorgstelsel regelt: aanmelding, indicatie en (voor de zorgaanbieders in het stelsel) behandeling van ernstige opvoed- en opgroeiproblematiek van jeugdigen tot 18 jaar. Daarnaast krijgt Bureau Jeugdzorg de taak: het advies geven aan en het bijdragen aan de deskundigheidsbevordering van en het onderhouden van contacten met algemene voorzieningen voor jeugdigen, waaronder in elk geval het onderwijs, ter versterking van deze algemene voorzieningen en ter bevordering van vroegtijdige signalering van problemen bij jeugdigen die tot zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, zouden kunnen leiden .  

Vooruitlopend op de invoering van de Wet voert het ROA al enige tijd het beleid om de toegangsfunctie van Bureau Jeugdzorg (aanmelding en indicatie) zo dicht mogelijk bij de grote concentraties van jeugdigen uit te voeren: overleggen bij de OKCs voor de 0-4 jarigen, in de jeugdzorgadviesteams bij de basisscholen voor de 4-12 jarigen en in de zorgbreedtecommissies in het voortgezet onderwijs voor de 12-18 jarigen. Daarmee is ook de consultatie- en adviesfunctie dicht bij de lokale voorzieningen gelegd. 

Een tweede verandering is het gevolg van de geplande invoering van de WMO. Daarin wordt meer dan nu inzet van gemeenten verwacht bij het organiseren en financieren van lichte vormen van hulp aan jeugdigen en hun ouders. Naar aanleiding van de invoering van de Wet op de Jeugdzorg zijn in Bestuurlijk Overleg tussen VWS, IPO, VNG, MO-groep afspraken gemaakt over gemeentelijke taken. In de WMO komt dit terug als: preventieve voorzieningen voor kinderen, jeugdigen of ouders met problemen met opgroeien of opvoeden. Dit zijn voorzieningen op het terrein van signalering, toeleiden naar en wegwijs maken in het hulpaanbod, pedagogische hulp en coördinatie van zorg. De jeugdzorgvoorzieningen kunnen zich dan richten op de meest zware problematiek. Uit een landelijk onderzoek naar het huidige beleid blijkt dat met name beleid voor de functies pedagogische hulp en coördinatie van zorg bij veel gemeenten nog niet goed ontwikkeld zijn.  
 
1.5  Specifieke kenmerken Amsterdamse bevolking 

Bijlage 4  bevat informatie over demografische en epidemiologische gegevens over de Amsterdamse bevolking.

Specifiek voor Amsterdam geldt dat de vergrijzing minder hard gaat dan elders in het land. Pas vanaf 2015 zet de vergrijzing echt in. Onder de ouderen neemt het aandeel van migranten sterk toe. Oudere migranten hebben gemiddeld meer lichamelijke beperkingen dan oudere autochtonen. De sterkste toename van de zorgbehoefte wordt verwacht bij Turkse en Marokkaanse ouderen, waaronder zich relatief veel chronisch zieken bevinden. Verder is de gezondheidssituatie van de gemiddelde Amsterdammer slechter dan het Nederlands gemiddelde. Het aantal mensen met één of meer beperkingen zal sterk stijgen. Nogal wat Amsterdammers kampen met psychische problemen en ook het aantal daklozen en drugsverslaafden is hoog te noemen.

De toename van de levensverwachting zal op termijn een extra druk op de zorg voor ouderen leggen. Slechts een kleine groep oudere Amsterdammers is economisch in staat om zelf in eigen zorg te voorzien. Er bestaat een oververtegenwoordiging van mensen met een lage sociaal-economische status in vergelijking met landelijke gemiddelden.

Meer dan elders in het land zijn in Amsterdam groepen te identificeren bij wie sprake is van een cumulatie van de bovengenoemde problematieken. Dat maakt een goede afstemming tussen alle betrokken instanties en hulpverleners en goede ketenafspraken extra belangrijk. 
 
1.6  Lopende stedelijke ontwikkelingen 

De grote uitdaging is om in Amsterdam, binnen de (budgettaire) mogelijkheden die er zijn, de WMO zo op te pakken dat efficiënte zorg en dienstverlening wordt geleverd, met zo min mogelijk bureaucratie, aan die burgers die daarop zijn aangewezen. Overigens zijn in  Amsterdam al meerdere ontwikkelingen in gang gezet om dat te bereiken:  

  1. Zo is het de bedoeling dat in 2006 in elk stadsdeel één loket voor wonen, zorg en welzijn gerealiseerd zal zijn (bestuursakkoord 2002-2006). Het loket is een onafhankelijke, herkenbare plek in de wijk, waar mensen terecht kunnen voor informatie en advies, waar zonodig de indicatie geregeld wordt en waar vervolgens, als daar behoefte aan is, ondersteuning wordt geboden bij het feitelijk verkrijgen van de benodigde zorg/dienstverlening. Een aantal stadsdelen is daar inmiddels actief mee aan de slag. Er is geconstateerd dat er behoefte is aan een helder kader waarbinnen de loketontwikkeling kan plaatsvinden 
  2. De producten van het basispakket voor ouderen worden momenteel opnieuw bekeken op efficiëncy en doelmatigheid, hetgeen kan leiden tot het herformuleren van prestatie-eisen, het opnieuw aanbesteden van (delen van) het ouderenwerk en het introduceren van toegangscriteria en inkomensgrenzen (bestuursakkoord 2002-2006). Tevens wordt nagegaan of het wenselijk is het basispakket te verbreden naar andere groepen met een structurele zorgafhankelijkheid, zoals lichamelijk gehandicapten en mensen met een chronisch psychiatrisch ziektebeeld. 
  3. Binnen de WVG is het herontwerp van de werkprocessen en bijbehorende ICT-ondersteuning gestart. In aanvraagprocedures worden alleen die stappen gezet die noodzakelijk zijn of die rendabel lijken. Dat betekent minder stappen in een aanvraagprocedure, daar waar het kan. Zo blijken veel controle stappen niet altijd nodig of zijn nu soms controles nog duurder dan de verstrekte voorziening. De vraag of procedures rendabel zijn doet zo zijn intrede. Als meer aandacht nodig is voor een aanvraag worden juist meer stappen gezet. Kortom: er ontstaan verschillende afhandelprocedures in verschillende situaties, afhankelijk van de wens van de cliënt of de eenvoud van een situatie. Procedures blijven alleen uitgebreid waar het écht nodig is. Het resultaat kan het fundament vormen voor een toekomstig Amsterdams Zorgsysteem. 
  4. Binnen het WVG vervoer zijn onlangs een aantal voorstellen gedaan, onder meer gericht op een doelmatiger inzet van middelen en het versterken van het gebruik van collectieve voorzieningen. Met de herijking van de vervoersvoorzieningen binnen de Wvg is een eerste stap naar een transparant, robuust verstrekkingenpakket gezet. 
  5. De lokale overlastnetwerken worden in het kader van het bestuursakkoord uitgebreid tot  Meldpunten Zorg en Overlast. Hier wordt het, onder regie van het stadsdeel, voor burgers en instellingen mogelijk om hun zorgen over buurtbewoners neer te leggen. Een netwerk van samenwerkende hulpverleners biedt gecoördineerde hulp, indien dit nodig en/of wenselijk is, aan die mensen die de hulpverlening niet bereiken of uit het zicht zijn geraakt. De verwachting is dat hulpbehoevenden op deze wijze eerder in beeld komen en dat overlast in sommige gevallen kan worden voorkomen. Tussen centrale stad en stadsdelen is afgesproken dat er eind 2005 in elk stadsdeel een meldpunt Zorg & Overlast is. 
  6. In het project wonen, zorg en welzijn worden op grond van de toekomstige vraagontwikkeling op stadsdeelniveau opgaven geformuleerd voor voorzieningen op het gebied van wonen, zorg en welzijn en worden stadsdelen gefaciliteerd om met deze opgave aan de slag te gaan. 
    Als gevolg van de vermaatschappelijking van de zorg is er een toenemende behoefte aan geschikte huisvesting, zorg- en welzijnsvoorzieningen in de wijken. De vraag is daarbij aan de orde  hoe de vraag naar aangepaste woonvormen  zich ontwikkelt, welke soort woningen en welke woon-zorgarrangementen er nodig zullen zijn. De gemeente ondersteunt deze ontwikkeling actief en heeft daartoe verschillende partijen bijeengebracht in het daarvoor opgerichte Afstemmingsoverleg wonen, zorg, dienstverlening. Hiermee wordt beoogd een stedelijk kader te ontwikkelen en ondersteuning en uitwisseling te bieden aan stadsdelen. Op dit moment is in kaart gebracht hoe, uitgaande van bepaalde scenario's, de vraag naar diverse woonvormen zich in de periode tot 2030 zal ontwikkelen. Dit wordt geconfronteerd met het huidige aanbod en de concrete plannen van zorginstellingen en woningcorporaties. Ook voor zorg- en welzijnsvoorzieningen wordt, op basis van dezelfde scenarios, de vraag in kaart gebracht. De bedoeling is om met alle partijen te komen tot een productiedoelstelling of taakstelling voor voorzieningen op het gebied van wonen, zorg en welzijn. Vervolgens dient een en ander een vertaling te krijgen naar implementatie in de stadsdelen. 

De komst van de WMO, waarin aan de gemeente een belangrijke regie- en inkooprol wordt toegekend, maakt het voortvarend oppakken van themas als loketontwikkeling, doelmatige inkoop, optimalisering van de inzet van (welzijns)middelen en een betere afstemming van wonen, zorg en dienstverlening alleen nog maar noodzakelijker.

Tenslotte zijn er allerlei ontwikkelingen en initiatieven op het gebied van maatschappelijke participatie (voorheen sociale activering) voor uitkeringsgerechtigden. Hierover voert de Sociale Dienst intensief en structureel overleg met stadsdelen, zowel bestuurlijk als ambtelijk. Doelgroepen, actoren en aan te bieden voorzieningen overlappen sterk met die van de WMO. Er zou efficencywinst gehaald kunnen worden door bundeling van geldstromen, indicering, aanbesteding en inkoop. 
 

2   De Wet Maatschappelijke Ondersteuning 

2.1  Inhoud Contourennota Wet Maatschappelijke Ondersteuning5 

Niet leunen maar steunen

Onder het motto niet leunen maar steunen wordt aangegeven dat de zelfredzaamheid en participatie van burgers moet worden bevorderd; de overheid hoeft niet automatisch overal op in te springen. De WMO heeft niet het karakter van een voorzieningenwet met zorgplicht (vgl. de huidige Wvg),  maar regelt de verantwoordelijkheid van de gemeente om op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning actief beleid te voeren waarop ze voor haar burgers aanspreekbaar is. De contourennota gaat verder dan alleen het samenvoegen van een aantal wetten en onderdelen. Het gaat in grove lijnen om voorzieningen op het terrein van maatschappelijke participatie en ondersteuning voor iedereen; voorzieningen voor mantelzorgers en vrijwilligerswerk; preventieve voorzieningen voor jeugdbeleid en ouders met opvoedingsproblemen en maatschappelijke opvang.

Er wordt gekozen voor een inclusieve benadering: voorzieningen en activiteiten moeten voor iedereen bruikbaar, toegankelijk en bereikbaar zijn 

Geen aanspraken maar prestatievelden

De WMO-verantwoordelijkheden van de gemeenten zijn benoemd in acht zogenoemde prestatievelden, die als volgt omschreven zijn:

  1. algemene voorzieningen op het vlak van participatie en ondersteuning (bijvoorbeeld de voorzieningen voor jeugdigen en ouderen die nu in de welzijnswet zijn bedoeld);
  2. voorzieningen op het terrein van informatie en advies (lokale informatieloketten, lokale ouderenadvisering );
  3. voorzieningen voor ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers (onder meer de mantelzorgsteunpunten);
  4. versterken van sociale samenhang en leefbaarheid van wijken (een onderdeel van de huidige welzijnswet);
  5. accommodaties voor maatschappelijke activiteiten (bijvoorbeeld club- en buurthuizen, straks ook centra voor dagbesteding);
  6. preventieve voorzieningen voor kinderen, jeugdigen,of ouders met problemen met opgroeien of opvoeden (nu een onderdeel van de welzijnswet);
  7. voorzieningen voor gehandicapten, chronische psychiatrische patiënten en mensen met psychische of psychosociale problemen, en ouderen, voor het vergroten en/of ondersteunen van de zelfredzaamheid, maatschappelijke participatie en zelfstandig functioneren . ( b.v. rolstoelen en scootmobielen, woningaanpassingen, begeleiding bij zelfstandig wonen, huishoudelijke verzorging, dagbesteding ouderen, maaltijdvoorziening, sociale alarmering, vervoersvoorzieningen);
  8. voorzieningen voor maatschappelijke opvang, vrouwenopvang, melding van huiselijk geweld (b.v. kortdurende of tijdelijke opvang bij crisis,  begeleiding bij zelfstandig wonen, melden van en advies bij huiselijk geweld);
 

De eerste zes prestatievelden hebben betrekking op algemene voorzieningen, die nu vooral onder de Welzijnswet vallen. Het zevende veld betreft voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning van specifieke kwetsbare groepen, zoals gehandicapten, ouderen en chronische psychiatrische patiënten. Dit is de huidige Wet Voorzieningen Gehandicapten (WVG) plus enkele onderdelen uit de huidige Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).6 Het laatste prestatieveld bestaat uit voorzieningen voor maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en huiselijk geweld (nu: doeluitkering Welzijnswet). 

De wet kent dus geen individueel toe te kennen voorzieningen waar burgers aanspraken aan kunnen ontlenen. De WMO legt gemeente alleen een algemeen kader op.  De gemeenten kunnen een en ander wel in een verordening regelen, en daarmee meer zekerheid aan burgers bieden, maar de inhoud daarvan kan per gemeente verschillen. 

Taken voor de gemeente

Globaal moeten gemeenten de volgende dingen gaan doen:

  1. Een beleidsplan opstellen in samenspraak met de inwoners van de gemeente, waarin vastgesteld is welk algemeen WMO-beleid de gemeente voert en welke voorzieningen de gemeente aanbiedt. Er komen voorschriften voor de wijze waarop het College de gemeenteraad moet informeren, opdat burgers en organisaties in staat zijn de prestaties van hun gemeente te beoordelen en gemeenten onderling te vergelijken. Ook aan de rijksoverheid moet informatie worden geleverd, opdat het Rijk kan volgen hoe het systeem van de Wmo landelijk werkt, zowel in financiële zin als wat betreft de effecten van het beleid.
  2. De voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning toegankelijk maken via één loket (in grotere gemeenten mogelijk op meerdere plekken).
  3. Zorg en welzijnsvoorzieningen inkopen
  4. Afstemming bevorderen/ regie voeren op het gebied van wonen, zorg en welzijn

De gemeenten moeten dus niet alleen zorgen voor samenhangend beleid, maar ook voor samenhang in de uitvoering van het aanbod. 
 
2.2  Belangrijkste veranderingen als gevolg van de WMO  

Veranderingen voor de burger

Er verdwijnen aanspraken uit de AWBZ waar burgers via indicatiestelling door het RIO recht op konden doen gelden (huishoudelijke verzorging, ondersteunende begeleiding en activerende begeleiding) . Ook de zorgplicht in het kader van de WVG zal niet meer bestaan.

De gemeente zal in haar beleidsnota vóór 2006 moeten aangeven waar burgers voor een periode van 4 jaar op kunnen rekenen. Ook de (beperking van de) toegang tot de voorzieningen op de genoemde prestatievelden wordt in de gemeentelijke beleidsnota vastgelegd. Omdat zowel Wvg als delen van de Welzijnswet in hun huidige vorm komen te vervallen leidt dit tot een ingrijpende herijking aan een budgetomvang die nu nog niet (volledig) bekend is.

De keuze tussen individuele en/of collectieve voorzieningen kan per gemeente gaan verschillen en zal sterk door budgettaire overwegingen worden bepaald. 

Veranderingen voor de aanbieders

Door de veranderingen in wet- en regelgeving en onder druk van de markt worden aanbieders van zorg en welzijn in een andere ordening gedwongen.

Zorgaanbieders zijn nu verzekerd van afname van hun producten in onderhandeling met het Zorgkantoor. Dit gaat al vanaf 2005, maar zeker vanaf 2006 veranderen. Afhankelijk van de aard van de producten moeten zij zaken doen met de zorgverzekeraar, het zorgkantoor of de gemeente/stadsdelen. Zorgaanbieders en ook welzijnsorganisaties krijgen meer dan nu het geval is te maken met concurrentie en specifieke prestatie- en kwaliteitseisen. 

Veranderingen voor de gemeente/stadsdelen

De WMO geeft aan gemeenten de verantwoordelijkheid om een vangnet van voorzieningen te creëren voor burgers die niet in staat zijn voor zich zelf te zorgen en die niet beschikken over een ondersteunend netwerk. Dat biedt overigens ook de kans om de zaken die op dit moment nog onder drie regimes (welzijn, WVG en AWBZ) vallen en min of meer historisch zijn gegroeid, opnieuw te bezien en te werken aan een meer samenhangend pakket van ondersteunende diensten. Daarnaast moet de gemeente de civil society versterken: zelfredzaamheid, onderlinge hulp en participatie bevorderen door de ontwikkeling van lokale structuren te bevorderen. Dat is overigens niet zo nieuw; gemeenten doen al van alles op het gebied van bevordering van participatie, verbetering van leefbaarheid en stimuleren van vrijwilligerswerk en mantelzorg. Een verschil is dat dergelijke activiteiten nu meer dan voorheen in het teken staan van het voorkomen van een beroep op voorzieningen.

Voor gemeenten is met de komst van de WMO wel een veelheid van rollen weggelegd op het gebied van beleidsontwikkeling, regie, planning van voorzieningen, de toegang tot voorzieningen, financiering, inkoop en contractering van zorg en informatievoorziening. Dit zal organisatorische aanpassingen en een ontwikkeltraject voor stad en stadsdelen vergen. 
 
2.3  Financiële risicos 
De financiering van de taakuitbreiding in het kader van de WMO kent nog veel onduidelijkheid en biedt in ieder geval risicos.

Naar verwachting zal financiering van de WMO plaats vinden door toevoeging aan het gemeentefonds. De toevoeging zal gebaseerd zijn op de uitgaven die gemoeid zijn met de uitgaven voor de onderdelen die vanuit de AWBZ zullen worden overgeheveld. Of er daarnaast een uitvoeringsbudget aan gemeenten wordt toegekend of dat de uitvoeringskosten binnen de bestaande middelen moeten worden opgevangen is nog onduidelijk. Ook is onduidelijk of rekening zal worden gehouden met typische grote stads-problematiek (veel lage inkomens, slechtere gezondheid, meer multiprobleemsituaties, geringe sociale cohesie). 

De Raad voor de Financiële Verhoudingen (RFV) heeft becijferd dat de kosten voor de WMO uitkomen op 5,6 miljard euro, terwijl het totaal van het gemeentefonds op dit moment 12,2 miljard bedraagt. De RFV stelt dat de WMO grote potentiële risico's met zich meebrengt: het gevaar is groot dat de WMO-uitgaven de overige uitgaven uit het gemeentefonds te zeer wegdrukken. De Raad pleit er nadrukkelijk voor de rijksmiddelen die gemeenten voor de WMO krijgen te vestrekken via een tijdelijke doeluitkering, in ieder geval voor wat betreft het AWBZ-deel van 1,6 miljard euro. 

Er wordt op dit moment nog onderhandeld tussen Het Rijk en de VNG over de omvang van het over te hevelen bedrag, de groeivoet en verdeling over de gemeenten. Het zou voor Amsterdam behoorlijk nadelig kunnen uitwerken als het over te hevelen bedrag gebaseerd wordt op het huidige gebruik van AWBZ-zorg en de vraagontwikkeling op korte termijn. Immers, het aantal ouderen neemt in Amsterdam pas na 2015 sterk toe zal vanaf dat moment ook lang op een hoog niveau blijven. 

Alles wijst erop dat rekening gehouden moet worden met een versobering van zorgarrangementen en met een groter beroep op de eigen (financiële) verantwoordelijkheid van burgers. Het zal in ieder geval ook betekenen dat keuzes gemaakt moeten worden, zowel ten aanzien van de rol die de gemeente wil spelen als ten aanzien van de aard en omvang van de voorzieningen waar burgers een beroep op kunnen doen. En dat heeft weer consequenties voor de sturingsmodellen die gekozen worden. 
 
2.4  Reacties diverse partijen 
Sinds het verschijnen van de Contourennota in april zijn talloze reacties verschenen over de WMO. Bijlage 5 geeft een impressie van de de belangrijkste standpunten. Het geheel overziend kan geconcludeerd worden dat de WMO behoorlijk kritisch is ontvangen. Bijna alle partijen kunnen zich wel vinden in de grondgedachte van de WMO, maar vinden dat in de wet onvoldoende oog is voor de positie van cliënten; de WMO biedt onvoldoende garanties dat kwetsbare groepen een beroep kunnen doen op een samenhangend pakket van voorzieningen. Gevreesd wordt voor rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid. Ook over de betaalbaarheid voor de burgers en de cumulatie van eigen bijdragen worden bezorgde geluiden gehoord. Verder wordt gesteld dat er te gemakkelijk van uit wordt gegaan dat de civil society in positieve zin kan worden beïnvloed. Volgens velen is de WMO-contourennota te optimistisch over het potentieel aan mantelzorg; de groei is er al uit en veel mantelzorgers zijn al overbelast. Er wordt wisselend gedacht over de vraag of de gemeente wel in staat is om een samenhangend pakket van ondersteunende diensten te bieden. De aandacht wordt gevraagd voor kwaliteitsbewaking en transparante toetsing. Bijna alle partijen zetten vraagtekens bij de toereikendheid van de middelen en zijn er geen voorstander van dat de over te hevelen middelen worden toegevoegd aan het gemeentefonds; beter is het om voor de individuele voorzieningen in ieder geval voorlopig een doeluitkering te hebben.

Ontvangst WMO in Amsterdam 
SIGRA (Samenwerkende instellingen voor gezondheidszorg in de regio Amsterdam)

De Sigra vreest voor de rechtszekerheid van klanten. Als organisatie van aanbieders wijst zij op het belang van kwaliteitseisen aan aanbieders en pleit zij voor efficiency en zo min mogelijk bureaucratie.

Integrale indicatiestelling moet gewaarborgd zijn. 

APCP, SGOA en COSBO (Amsterdams patiënten/consumenten organisaties)

De patiënten- en consumentenorganisaties hechten sterk aan gelijkheid in de stad wat betreft het individuele pakket, de inrichting van loketten en de klachtenprocedures. Men is bezorgd over de geïntegreerde indicatiestelling nu de indicatiestelling voor de AWBZ wordt gecentraliseerd per 1 januari 2005. 

Conferentie Amsterdamse Regiocommissies

Op 17 juni 2004 vond een conferentie plaats van de Amsterdamse regiocommissies Ouderen, gehandicapten en ggz. Ongeveer honderd representanten van cliënten, stadsdelen, aanbieders van zorg en welzijn, DMO, Zorgkantoor en enkele deskundigen spraken over kansen en voorwaarden bij invoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Vanuit concreet uit de praktijk beschreven situaties van cliënten is met de genoemde diversiteit aan invalshoeken nagegaan welke knelpunten en mogelijkheden de WMO kan opleveren. Conclusie van deze conferentie was dat de deelnemers zeker kansen zagen met de komst van de WMO. Het realiseren van deze kansen werd echter gekoppeld aan een aantal voorwaarden, namelijk:

  1. Voldoende financiering. Daarbij zal Amsterdam extra alert moeten zijn: de meer dan evenredige aanwezigheid met mensen met gezondheidsproblemen, de geconstateerde huidige onderconsumptie bij vele migranten die onvermijdelijk de komende jaren tot een sterk stijgende vraag zal leiden en de sterkere individualisering waardoor mantelzorg een geringer draagvlak heeft in de grote stad leiden ertoe dat hier een hoger dan gemiddeld niveau van professionele zorg en welzijn nodig zal zijn.
  2. Geoormerkte middelen: om de financiële stroom te beheren zal een vorm van oormerking van het geld (zeker in de eerste jaren) nodig zijn.
  3. Eén verordening: er moet een basispakket van voorzieningen worden vastgelegd in een voor burgers en stadsdelen geldende stedelijke verordening. Dat biedt een gelijke basis voor alle Amsterdammers (met ruimte voor specifieke lokale toevoegingen) en het geeft de burger de mogelijkheid om aanspraak te maken op de diensten die voor hem cruciaal zijn. Een dergelijke stedelijke verordening is ook een goede vorm om stedelijke regie te voeren met eigen uitvoeringsverantwoordelijkheid bij de stadsdelen.
  4. Efficiënte toegang en informatie. Omdat de WMO een verdere voortzetting is van de lijn naar vraagsturing en uitgaat van een mondige burger, is het erg belangrijk snel vordering te maken met verbeterde informatievoorziening over het (stedelijk en buurtgericht) beschikbare aanbod en het organiseren van cliëntondersteuning voor al die cliënten die minder zelfstandig en mondig zijn.
  5. Waar nodig indiceren, maar zo min mogelijk bureaucratie. Bij een grotere verantwoordelijkheid voor het verdelen van schaarse diensten, zal de druk op een vorm van indicatiestelling toenemen. Daarbij moet bureaucratie worden vermeden en zal een rol moeten worden gegeven aan al die hulpverleners die in de eerste lijn de contacten met hun cliënten hebben en hun behoeften kunnen inschatten.

Een uitgebreid verslag van deze conferentie is opgenomen in bijlage 6. 

3 VOORBEREIDING WMO IN AMSTERDAM 

Op dit moment is nog niet duidelijk of de WMO er komt en of alle elementen uit de Contourennota overeind zullen blijven. Onlangs zijn de 366 kamervragen die over de WMO zijn gesteld beantwoord en op de site van het ministerie van VWS gepubliceerd. Na de kamerbehandeling gepland op 9 december aanstaande - volgt nog een wetgevingstraject. De kans dat de geplande invoeringsdatum van 1 januari 2006 wordt gehaald wordt alom als heel gering ingeschat. 1 januari 2007 wordt, gezien de noodzakelijke voorbereidingen, als realistischer datum gezien. Of de WMO er komt, daarover lopen de meningen uiteen. De inschatting is dat de WMO er zal komen, maar dat ten opzichte van de contourennota mogelijk nog wat wijzigingen zullen worden aangebracht, o.a. wat beftreft de financiering (van alle kanten wordt gepleit voor een doeluitkering, in ieder geval voor het AWBZ-deel) en wat betreft een landelijk geregeld individueel minimumpakket (met name vanuit de hoek van patiënten/consumenten en de aanbieders wordt gepleit voor rechtsgelijkheid waar het gaat om individueel toe te kennen voorzieningen).

In het hierna volgende wordt in principe uitgegaan van de in de coutourennota genoemde invoeringsdatum van 1 januari 2006 en van maximale beleidsvrijheid voor gemeenten (geen landelijk voorgeschreven pakket en toevoeging van de middelen aan het gemeentefonds). 
 
3.1  Bestuurlijke en beleidsmatige uitgangspunten 

De WMO heeft aanzienlijke consequenties voor de organisatorische vormgeving en de inhoud van de zorg en ondersteuning aan Amsterdammers en is op te vatten als een majeure operatie. De gemeente Amsterdam wil verantwoordelijk zijn voor een vangnet voor die Amsterdammers, die niet zelfstandig in staat zijn de eigen gezondheid op peil te houden, de juiste zorg te vinden en te participeren in de samenleving. Bij de uitvoering daarvan zijn vele partijen betrokken: burgers, patiëntenplatforms, zorgverzekeraar, zorgaanbieders, welzijnsinstellingen, andere dienstverleners, woningcorporaties, enzovoort.

Tegelijkertijd moet rekening gehouden worden met een versobering van zorgarrangementen en met een groter beroep op de eigen (financiële) verantwoordelijkheid van burgers. Dat betekent dat waar mogelijk getracht moet worden de doelmatige inzet van middelen te bevorderen en de zorg zo efficiënt mogelijk te leveren. Het zal in ieder geval ook betekenen dat keuzes gemaakt moeten worden, zowel ten aanzien van de rol die de gemeente wil spelen als ten aanzien van de aard en omvang van de voorzieningen waar burgers een beroep op kunnen doen. Ook moet een sterker accent gelegd gaan worden op het bevorderen van zelfredzaamheid en het beter toerusten van mensen om maatschappelijk te participeren.

Stadsdelen zullen, gezien hun huidige taken en verantwoordelijkheden, een belangrijke rol spelen in de uitvoering van de WMO in Amsterdam. In de voorbereiding van de implementatie van de WMO is echter ook een adequate centrale regie noodzakelijk, omdat het gaat om de implementatie van een nieuwe wet waaraan bovendien de nodige financiële risicos verboden zijn. 

Gezien de impact van alle veranderingen is het van belang dat de burger - en diens behoeften én mogelijkheden - centraal gesteld wordt; die moet weten waar hij wel en niet op kan rekenen bij de afweging om (langer) zelfstandig te blijven wonen. Wanneer de burger centraal staat, dan verdienen de volgende uitgangspunten de grootste prioriteit bij de implementatie van de WMO: 

  1. De burger staat centraal en moet weten waarop hij kan rekenen.  
    Willen mensen (langer) zelfstandig blijven wonen, dan moeten zij weten op welke zorg en diensten ze kunnen rekenen. Een bestuurlijke inspanningsverplichting van gemeente of stadsdeel biedt onvoldoende zekerheid aan kwetsbare groepen. Naarmate voorzieningen nauwer moeten aansluiten op de individuele zorgvraag van de burger en burgers zonder die voorzieningen niet zelfstandig zouden kunnen wonen, ligt het meer voor de hand om de aard van en toegang tot de voorzieningen in de hele stad hetzelfde te regelen. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld thuiszorg, alarmering, huishoudelijke hulp en woningaanpassingen. Naarmate activiteiten meer gericht zijn op grotere groepen en/of in het algemeen een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van burgers, de sociale participatie en onderlinge hulp, is het van belang dat aansluiting wordt gezocht bij lokale verbanden en is het logisch dat er verschillen bestaan tussen stadsdelen.
  1. Optimalisering van de verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen centrale stad en stadsdelen.  
    Invoering van de Wmo betekent dat er één wettelijk kader komt voor zaken die eerst onder 3 regimes vielen: de AWBZ wordt op dit moment regionaal uitgevoerd, de WVG stedelijk en de meeste welzijnstaken worden door de stadsdelen uitgevoerd. Uitgaande van de keuze de burger centraal te stellen en het streven die burger beter te bedienen dient een kritische bezinning plaats te vinden op wat de meest optimale taakverdeling is tussen stad en stadsdelen en de daarmee samenhangende verdeling van geldstromen. 
  2. De toegankelijkheid van de voorzieningen moet goed geregeld zijn.  
    Voor burgers moet helder zijn welke voorzieningen er zijn en waar ze te krijgen zijn. Dat vergt adequate informatievoorziening, goed functionerende loketten op lokaal niveau en cliëntondersteuning voor die cliënten die moeite hebben hun weg te vinden. In de loketontwikkeling, zoals die in het kader van het bestuursakkoord wordt opgepakt, zal het accent meer moeten komen te liggen op een uniforme aanpak, zowel wat betreft de vraag welke voorzieningen allemaal achter het loket schuilgaan als wat betreft de te gebruiken registratiesystemen en ICT. 
  3. Efficiënte en doelmatige inzet van middelen.  
    De omvang van de middelen die beschikbaar komen voor de WMO is nog niet bekend, maar er kan van uit gegaan worden dat de financiën beperkt zullen zijn. Als het streven is om in Amsterdam zoveel mogelijk mensen die daarop zijn aangewezen een passend aanbod van voorzieningen te doen, dan dient goed te worden nagegaan waar doelmatigheids- en efficiency winst te boeken is. Zo kan het voordelig uitpakken om sommige producten centraal in te kopen of met een aantal stadsdelen bepaalde collectieve voorzieningen in stand te houden. Daarnaast dienen ook aan de vraagzijde heroverwegingen te worden gemaakt, bijvoorbeeld in de vorm van herijking van toegangscriteria en introductie van inkomensgrenzen. 
  4. Zo min mogelijk bureaucratie.  
    De WMO brengt ook een verantwoordingsplicht met zich mee. Het Rijk zal de eerste jaren willen volgen wat gemeenten in het kader van de WMO doen; daarnaast dient de gemeente verantwoording af te leggen aan haar burgers. Verder is van belang dat in het hele proces voldoende informatie beschikbaar is om te sturen. Deze drie verschillende informatiebehoeften wijzen alle in de richting van de noodzaak om procesinformatie te verzamelen en aan behoefte- en gebruiksregistratie te doen. Tegelijkertijd moet bureaucratie vermeden worden. Dat vraagt om een heldere formulering van welke informatie het meest wezenlijk is en om een goede afstemming van de diverse in gebruik zijnde registratiesytemen (in de loketten, in de AWBZ, in de WVG, bij de wijkposten). 
  5. Beperking van financiële risicos.  
    De WMO brengt aanzienlijke verschuivingen teweeg in de beschikbare financiële middelen, verantwoordelijkheden en risicos. Het is dan ook van belang dat goed in kaart gebracht wordt welke geldstromen er allemaal omgaan in de onder de WMO vallende sectoren. Ook de vraagontwikkeling en de patronen van gebruik zowel op korte als op langere termijn, dienen goed in het oog gehouden te worden opdat fluctuaties en mogelijke overschrijdingen kunnen worden voorzien en tijdig maatregelen (in de vorm van adequate sturingsmodellen) getroffen kunnen worden.
 
 3.2  Inventarisatie relevante themas en activiteiten 
Gemeenten moeten in het kader van de WMO een 4-jarige nota opstellen waarin staat welk beleid ze gaan voeren op het gebied van de in de WMO onderscheiden prestatievelden. Besturen van stad en stadsdelen zullen dan de volgende zaken helder moeten hebben: 
 
Op basis daarvan vallen de volgende deelprojecten te onderscheiden: 

Deelproject

Relevante themas

Activiteiten/werkzaamheden

Resultaten

Betrokken partijen/diensten

1) Inhoud pakket &

    toegangscriteria

Wat voor hele stad afspreken, wat is stadsdeel specifiek

Wel/niet in verordening regelen

Verhouding individuele /collectieve voorzieningen

Relatie met mantelzorg en vrijwilligerswerk

Herijking inhoud en criteria Wvg en basispakket

Herijking AWBZ-elementen

Wel/niet indicatiestelling

In kaart brengen huidig aanbod (welzijn, Wvg en delen AWBZ)

In kaart brengen omvang, knelpunten en mogelijkheden mantelzorg, vrijwilligerswerk

Vraagverkenning diverse doelgroepen

Formuleren pakket van voorzieningen inclusief toegangscriteria

Afweging collectief/individueel

Ontwikkeling toetsings/-indicatieprocedures

4-jarige nota

Verordening of convenant waarin inhoud pakket inclusief criteria en procedures is neergelegd, alsmede een relatie met collectieve voorzieningen, mantelzorg en vrijwilligerswerk wordt gelegd.

DMO

BDA

Stadsdelen

GGGD

Sociale Dienst

ROA Jeugdhulp-verlening

Patiënten /consumenten

2) Financiering

Macrofinanciën (Rijk)

Meerkosten grote stadsproblematiek

Verhouding centrale stad /stadsdeelfonds

Monitoren gebruik en vraagontwikkeling

Eigen bijdragen en inkomensbeleid

In kaart brengen alle relevante geldstromen, totale kosten (obv 1) en de financiële risicos

Onderzoek inkomenseffecten voor cliënten

Afweging sturingsmodellen

Inzicht in totale gemeentelijke kosten en de financiële risicos op korte en de langere termijn

Inzicht in de financiële consequenties voor burgers

DMO

Stadsdelen

Concern Financiën

Sociale Dienst

GGGD

3) Organisatie &

    inkoop

Doelmatige inkoop

Aanbesteden

Bevorderen van marktwerking/concurrentie

Ontwikkeling bestekken

Verkennen veld van aanbieders

Beoordelen offertes

Gunnen en contracteren

Beste koop

Doelmatige inzet middelen

Meer marktwerking

DMO

Concern Inkoop

Stadsdelen

Sociale Dienst

4) Toegang

Loketten voor wonen, zorg en welzijn

Reikwijdte loketten

Uniformiteit loketten

Participanten in loketten

Randvoorwaarden

Registratie en ICT

Inbedding AWBZ- indicatiestelling in lokale loketten

Kader voor loketten aanpassen

Participanten in loket opnieuw bezien

Afstemming registratie-systemen en ICT op andere systemen

Goed geïnformeerde burgers en goed toegankelijke zorg ondersteuning

Adequaat functionerende loketten voor in ieder geval de WMO- voorzieningen in elk stadsdeel

DMO

Stadsdelen

Sociale Dienst

Zorgkantoor

Aanbieders

CIZ/T&M

5) Kwaliteit (borging en toetsing)

Kwaliteitscriteria

Klachtenprocedures

Nut/noodzaak visitaties

Nut/noodzaak inspectie

Ontwikkeling kwaliteitseisen voor de producten (project 1)

Regelen klachtafhandeling

Overwegen andere vormen van kwaliteitsbewaking

Vastgelegd kwaliteitsbeleid, heldere criteria en toetsingsprocedures

DMO

Stadsdelen

Aanbieders

Patiënten/ consumenten

6) Planning, Organisatie en Communicatie

Benodigde uitvoerings- en beleidscapaciteit bij centrale stad en stadsdelen

Op welke wijze kan de voorbereiding en uitvoering van de WMO het best georganiseerd worden

Interne communicatie (tussen deelprojecten, projecten-stadsdelen, ambtelijk-bestuurlijk, etc.).

Externe communicatie (burgers, aanbieders, andere betrokken partijen)

Inventarisatie noodzakelijk uit te voeren werkzaamheden voor centrale stad en stadsdelen

Afweging diverse organisatiemodellen o.b.v. de geformuleerde uitgangs-punten

Communicatieplan maken

Uitvoeren communicatieplan

Raming benodige organisatie- en uitvoeringscapaciteit bij centrale stad en stadsdelen

Blauwdruk voor organisatie en uitvoering WMO

Alle partijen en belanghebbenden zijn op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen en mijlpalen in de voorbereiding en implementatie WMO

DMO

Stadsdelen

Concern Financiën

 
 De bovengenoemde projecten en onderwerpen staan niet op zichzelf maar zijn onderling sterk verweven. Immers, naarmate de inhoud van het pakket breder is en de doelgroepen breder, heeft dat hogere gemeentelijke kosten tot gevolg, tenzij in de vorm van eigen bijdragen of anderszins de inkomsten worden verhoogd. De aard en omvang van de voorzieningen hebben uiteraard ook invloed op de inrichting van loketten, de inkoop- en aanbestedingsprocedures en het te voeren kwaliteitsbeleid. 

Afhankelijk van het ambitieniveau en de gekozen insteek van de gemeente kunnen de boven genoemde deelprojecten meer of minder omvattend zijn en hebben de resultaten ervan meer of minder grote gevolgen voor burgers, de gemeentelijke organisatie en voor aanbieders. Grofweg zijn er drie scenarios mogelijk: 

  1. Alleen iets regelen voor de over te hevelen taken uit de AWBZ. 
    In dit scenario blijven de WVG-verordening en -beleidsregels van kracht; wordt aan het welzijnsbeleid niets veranderd, maar wordt wel iets geregeld voor de toegang, inkoop en toewijzing van (in eerste instantie) huishoudelijke zorg en (later) begeleiding die uit de AWBZ worden overgeheveld. 
  2. Opnieuw formuleren wat je als gemeente als vangnet van individuele voorzieningen wil bieden op het gebied van zorg en ondersteuning. Het feit dat er zaken uit de welzijnswet, de WVG en de AWBZ onder één regime worden ondergebracht biedt de mogelijkheid om het pakket te herijken en meer samenhang aan te brengen tussen de verschillende voorzieningen. Het opnieuw formuleren van een gemeentelijk voorzieningenpakket kan ook aanleiding geven tot het heroverwegen van min of meer historisch gegroeide subsidiestromen en het aanbesteden van allerlei producten vergemakkelijken. 
  3. Opnieuw formuleren wat je als gemeente als vangnet van individuele en collectieve voorzieningen wil bieden op het gebied van zorg en ondersteuning, dit in relatie tot inclusief beleid, waarbij tevens een verbinding wordt gelegd met het bevorderen van zelfzorg, mantelzorg en vrijwilligerswerk. Wanneer het doel is voorzieningen in stand te houden voor mensen die daarop echt zijn aangewezen, dan ligt het voor de hand om juist in het voortraject van de vraag naar zorg en ondersteuning te investeren: het algemeen beleid, de inzet van mantelzorg en vrijwilligers en het bevorderen van sociale cohesie in het algemeen. Een grotere inzet op inclusief beleid en het bevorderen van min of meer informele steunstructuren kan er toe leiden dat het beroep op formele dienstverlening beperkt blijft.
Uiteraard zijn ook tussenvarianten mogelijk of kan gekozen worden voor een groeimodel, waarbij eerst iets geregeld wordt voor de nieuwe taken (1) en pas daarna het hele gemeentelijke pakket geherstructureerd wordt (2 en 3). 

Hoe het ook zij en wat voor scenario ook gekozen wordt, er zijn op dit moment (veelal kwetsbare) burgers die sterk afhankelijk zijn van allerlei soorten zorg en ondersteuning. Dat betekent dat tijdens de implementatie van de WMO behoedzaam geopereerd moet worden. Voorkomen moet worden dat er mensen tussen wal en schip gaan vallen. Uiteraard kan aan mensen zie nu AWBZ-zorg krijgen niet op voorhand gegarandeerd worden dat ze onder de WMO exact dezelfde voorzieningen krijgen, maar mensen moet wel duidelijkheid geboden worden over waar ze wél op kunnen rekenen. Verder geldt dat ook bij een complete herijking van het pakket (scenario 3), de dagelijkse zorg en dienstverlening aan burgers daar niet onder te lijden mag hebben. Met andere woorden: tijdens de verbouwing moet de winkel open blijven. 
 
3.3 Planning 

In de contourennota wordt uitgegaan van invoering van de WMO per 1-1-2006. Wanneer dat als uitgangspunt genomen wordt, dan levert dat het volgende beeld op voor de planning: 

Deelproject

Mijlpalen

Planning

1) Inhoud pakket en toetsingscriteria

Voorstellen voor inhoud pakket en criteria

4-jarige nota

evt. verordening

Medio 2005 

December 2005

December 2005

2) Financiering

Overzicht geldstromen (centrale stad, stadsdelen, AWBZ, rijksmiddelen)

Raming kosten o.b.v. inhoud pakket en vraagontwikkeling

Vaststellen eigen bijdragenregeling

Eind 2004 
 

Medio 2005 

December 2005

3) Organisatie & inkoop*

Optuigen inkoopfunctie/ -bureau

Schrijven bestekken

Start aanbestedingsprocedures

Tijdelijke regeling voor huish. zorg en andere zorgvormen in 2006

Najaar 2005

2e helft 2005

Januari 2006

Januari 2006

4) Toegang

Nieuw kader voor loketten wonen, zorg en welzijn

Afstemming ICT/registratie

Loketten klaar voor uitvoering WMO

Januari 2005 

2e helft 2005

1 januari 2006

5) Kwaliteit

Formulering kwaliteitsbeleid

Vormgeving klachten-procedures.visitaties, etc.

December 2005 

Januari 2006

6 Planning, organisatie,

Communicatie

Helderheid over noodzakelijke organisatie- en uitvoeringscapaciteit bij centrale stad en stadsdelen

Communcatie tijdens voorbereidingsperiode

Communicatieplan voor implementatie wmo

Najaar 2005 
 

Continu aandachtspunt 

Najaar 2005

 

*: aanbestedingsprocedures kosten veel tijd en kunnen nooit zijn afgerond op 1-1-2006. Immers, pas als de inhoud van het WMO-pakket en de kwaliteitscriteria bekend zijn kan een bestek geschreven worden. Voor een aanbestedingsprocedure van een beetje omvang is minimaal 1 jaar nodig. Dat kan betekenen dat voor 2006 de bestaande contracten van het zorgkantoor met (thuis)zorgorganisaties worden overgenomen en dat ook voor WVG- en welzijnsvoorzieningen de lijn uit voorgaande jaren wordt voortgezet. 

Gesteld kan worden dat deze planning, gezien de complexiteit van de problematiek en de betrokkenheid van een veelheid van partijen, buitengewoon krap is. Voor een goed voorbereide implementatie en voor het vermijden van diverse bestuurlijke en financiële risicos zou een invoeringsdatum van 1-1-2007 te verkiezen zijn. 
 

3.4 Financiering 
De voorbereiding van de WMO zal een fors beslag leggen op de beleids- en uitvoeringscapaciteit van centrale stad en stadsdelen. Voor de voorbereiding van de WMO heeft het College voor 2005 prioriteit voorgesteld aan de Raad voor extra projectcapaciteit.

Op dit moment is nog onduidelijk of aan gemeenten een invoerings- en/of uitvoeringsbudget voor de WMO beschikbaar zal worden gesteld, en zo ja, hoe hoog dat zal zijn. De VNG heeft in haar reactie op de contourennota een invoeringsbudget van 10% (van het AWBZ-aandeel) bedongen en daarnaast structureel 20% voor uitvoering, indicering en beleidscapaciteit. Er vinden op dit moment nog onderhandelingen plaats tussen VNG en het ministerie van VWS. 
 
3.5  Voorstel voor projectstructuur 

De WMO wordt in Amsterdam geïmplementeerd onder de bestuurlijke eindverantwoordelijkheid en regie van wethouder Belliot en in samenspraak en samenwerking met het Bestuurlijk Koppel Zorg.8 Het positioneren van de eindverantwoordelijkheid bij de wethouder Zorg houdt verband met het feit dat het de implementatie van een nieuwe wet betreft en er nog geen duidelijkheid is over de financiering, zowel wat betreft de hoogte van het uit de AWBZ over te hevelen bedrag, de voorbereidings- en uitvoeringskosten voor gemeenten, als wat betreft de vorm (doeluitkering/gemeentefonds). Bovendien is het college van B&W voor het Rijk de enige gespreks- en onderhandelingspartner als het gaat om de voorwaarden voor implementatie van de WMO en de hoogte van de over te hevelen middelen. De feitelijke implementatie en bekostiging van de WMO in Amsterdam is nadrukkelijk een gezamenlijke verantwoordelijkheid van stadsdelen en centrale stad. Daarom zullen alle voorstellen aan de Raad met betrekking tot de organisatorische vormgeving en uitvoering van de WMO in het bestuurlijk koppel worden gebracht en vindt in gezamenlijkheid en consensus besluitvorming plaats. Daar waar de voorstellen betrekking hebben op de huidige taken van de stadsdelen (welzijnswet) is consensus nodig van alle stadsdelen. Wanneer voorstellen nieuwe taken voor stadsdelen met zich meebrengen, zal naar zoveel mogelijk consensus worden gestreefd. 

Wethouder Belliot krijgt van het College van B&W de opdracht om de voorbereiding van de WMO ter hand te nemen en de beschreven deelprojecten verder uit te werken aan de hand van de geformuleerde uitgangspunten. Zij betrekt via een bestuurlijk team de wethouder Financiën daar waar financiële kwesties en risicos aan de orde zijn en de wethouder Werk en Inkomen, Jeugd en Onderwijs, daar waar activiteiten en onderwerpen elkaar raken en/of op elkaar van invloed zijn. In het Bestuurlijk Koppel Zorg vindt bestuurlijke afstemming met/namens de stadsdelen plaats. Het is wenselijk het bestuurlijk koppel uit te breiden met met name financiële deskundigheid.  

Onder eindverantwoordelijkheid van de wethouder Zorg wordt bij DMO een projectleider aangesteld. De projectleider bewaakt de voortgang van en de samenhang tussen de deelprojecten en is daarop op elk moment aanspreekbaar voor stad en stadsdelen. De sectormanagers van de stadsdelen vormen een klankbordgroep voor de projectleider en dragen zorg voor de noodzakelijke ambtelijke afstemming tussen stadsdelen en binnen het eigen stadsdeel.

Deelprojectleiders zijn verantwoordelijk voor het realiseren van de inhoud en doelen van de deelprojecten en sturen op tijd, geld en kwaliteit. In de deelprojecten wordt samengewerkt met diverse partijen. Inbreng van stadsdelen moet in alle deelprojecten goed geregeld zijn. 

DMO is de coördinerende dienst voor de voorbereiding van de WMO. De projectleider komt in dienst van DMO en valt rechtstreeks onder de directie. Tevens leveren DMO en stadsdelen capaciteit voor de uitwerking van de deelprojecten. 

 In schema:  
 

De Wethouder Zorg is verantwoordelijk voor bestuurlijk overleg/afstemming met bestuurlijk koppel, aanbieders, zorgkantoor (BTOZ) en organisaties van patiënten/consumenten 

De projectleider is gesprekspartner voor (sector)hoofden van stadsdelen en de stedelijk opererende betrokken partijen (zorgkantoor, koepel zorgaanbieders, etc.). Hij/zij bewaakt de algehele voortgang en onderlinge samenhang en uitwisseling tussen de deelprojecten 

Deelprojectleiders zijn op (deel) project niveau verantwoordelijk voor ambtelijk overleg/afstemming met stadsdelen, aanbieders, zorgkantoor en patiënten/consumenten. De precieze invulling van het trekkerschap per deelproject en de benodigde capaciteit is nog onderwerp van nadere uitwerking en overleg. 

Zodra bekend wordt of de WMO doorgaat dient voor alle deelprojecten een helder plan van aanpak te worden gemaakt, waaruit duidelijk wordt welke bestuurlijke beslismomenten er zijn, welke kansen en risicos te onderkennen zijn en wanneer het eindresultaat verwacht kan worden. Tevens moet duidelijk worden hoeveel menskracht en middelen nodig zijn om de activiteiten uit te voeren. Daarna kan de ambtelijke capaciteit worden ingepland en kunnen de deelprojecten van start. 

Eén jaar na de start van de voorbereidingen zoals beschreven in paragraaf 3.2 vindt een evaluatie plaats van de voortgang van de deelprojecten, de adequaatheid van de projectstructuur en de ingezette capaciteit en middelen, opdat tijdig bijstelling plaats kan vinden. 

Tot slot: uit het voorgaande mag blijken dat de WMO als hij er komt een majeure operatie is die een groot beslag zal leggen op de personele en organisatorische capaciteit van stad en stadsdelen. Bovendien worden diverse verschillend gepositioneerde geldstromen onder één wettelijk kader gebracht en zullen middelen uit de AWBZ worden overgeheveld. Omdat de inhoud van het pakket niet landelijk wordt vastgelegd en de middelen hoe dan ook beperkt zullen zijn, is het van belang dat stad en stadsdelen voortvarend aan de slag gaan om helder te formuleren op welke voorzieningen burgers kunnen rekenen, welke zaken stadsbreed moeten worden afgesproken en welke themas stadsdeelspecifiek zijn. Dat betekent dat stad en stadsdelen in hun begroting reeds vanaf 2005 ruimte moeten reserveren om de voorbereiding van de WMO ter hand te nemen.