WMO
In de WMO worden de Welzijnswet, de Wet Voorzieningen Gehandicapten, delen van
de Wet Maatschappelijke Ondersteuning en enkele subsidieregelingen
ondergebracht. Als de nieuwe WMO medio 2006 of per 1 januari 2007 doorgaat, dan
krijgt de Gemeente nieuwe taken waarvan een deel door het Stadsdeel moet worden
geregeld.
Het Stadsdeel is met de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) vanaf 2007 verantwoordelijk voor de ondersteuning van burgers die niet in staat zijn om op eigen kracht deel te nemen aan de samenleving.
Er is al een Wet voorzieningen gehandicapten en een Welzijnswet. Deze wetten gaan vanaf
2007 op in de
WMO. De verantwoordelijkheid wordt uitgebreid met onderdelen die tot dan toe via de AWBZ liepen. Vanaf
2007 betreft dat de huishoudelijke verzorging.
Het Stadsdeel moet er dan voor zorgen dat bewoners volwaardig aan de samenleving kunnen
deelnemen en zijn verantwoordelijk voor het voorzieningenaanbod voor burgers. Ook moet zij zorgen voor de toegankelijkheid van de voorzieningen. Onder de regie van
het Stadsdeel kunnen dienstverleners hun aanbod beter op elkaar kunnen afstemmen. En daardoor
zouden voorzieningen beter aansluiten bij de persoonlijke omstandigheden van
bewoners. De Gemeente en de Stadsdelen krijgen een eigen verantwoordelijkheid
maar ook een bepaalde vrijheid om zaken anders te regelen. Het is daarom van
belang dat de belangen van de bewoners goed behartigd worden. Leefbaar
Slotermeer/Geuzenveld wil zorgen dat de bewoners daarbij een stem hebben. Met
andere woorden LSG wil er op toezien dat de hiervoor op te zetten servicecentra
voldoende worden ondersteund. Wachtlijsten bij de loketten moeten voorkomen
worden en er moeten voldoende middelen worden gereserveerd voor een een goede en
deskundige personele bezetting.
Het Stadsdeel is met de invoering van de WMO onder andere verantwoordelijk voor:
algemene voorzieningen, zoals sociale activering en hulp bij geldproblemen;
voorlichtingsloketten en advies over maatschappelijke ondersteuning;
ondersteuning mantelzorg en vrijwilligers;
leefbaarheid en samenhang buurt en wijk;
accommodaties, zoals zwembaden en clubhuizen;
preventieve voorzieningen voor problemen met jongeren en opvoedingsproblemen;
voorzieningen ouderen, gehandicapten, chronische psychiatrische patiënten en mensen met psychische of psychologische problemen, zoals rolstoelen en woningaanpassingen;
maatschappelijke opvang (tijdelijke opvangfunctie).
Deze ‘prestatievelden’ worden in de wet vastgelegd. Elk stadsdeel mag straks zelf invulling geven aan die prestatievelden, in nauw overleg met organisaties van burgers, cliëntenorganisaties en uiteraard de
stadsdeelraad. Het Stadsdeel moet verantwoording afleggen aan de bewoners en de
stadsdeelraad over de uitvoering van de WMO.
De WMO wordt gefinancierd uit het Gemeentefonds. De budgetten voor de Wvg en de Welzijnswet zitten nu al in dat fonds. Met de invoering van de WMO worden ook de budgetten voor geschrapte AWBZ-taken in het Gemeentefonds gestort.
Pilot Amsterdam
Thema’s: Ketenregie en relatie Wmo en Wet werk en bijstand
Amsterdam heeft zich twee doelen gesteld:
1. Amsterdammers zonder dagbesteding moeten met meer succes begeleid worden naar vormen van dagbesteding,
maatschappelijke participatie en trajecten om terug te keren op de arbeidsmarkt. Het gaat vooral om mensen met een
chronisch psychiatrische aandoening en/of een verslaving.
2. Met de ervaringen van de pilot wil Amsterdam methodieken ontwikkelen die ook voor andere gemeenten handig zijn om
mensen te begeleiden naar dagbesteding. Zonodig wil Amsterdam nieuwe voorstellen doen voor aanbod,
organisatie en inzet van geld.
Het accent van de pilot ligt op de ‘dagbesteding’, maar Amsterdam hecht ook belang aan de randvoorwaarden in
de keten van ondersteuning. De gemeente bedoelt daarmee gezondheid (bijvoorbeeld beheersing van problematiek
om voldoende maatschappelijk te participeren), inkomen, huisvesting, nachtopvang en veiligheid.
De WMO (Wet Maatschappelijke Ondersteuning) is de samenvoeging van de Wet Voorzieningen Gehandicapten, de Welzijnswet, delen van de AWBZ en een aantal landelijke subsidieregelingen. Doel van de wet is dat álle burgers, met of zonder handicap, kunnen meedoen aan de samenleving. Om dat te realiseren moet de lokale overheid voorzieningen treffen; inclusieve voorzieningen waarvan iedereen gebruik kan maken en -waar dat niet mogelijk is- aparte voorzieningen voor individueel geïndiceerde burgers. Een andere verandering is dat de Welzijnswet veel verantwoordelijkheid bij de lokale overheid legt, terwijl de WMO de verantwoordelijkheid legt bij achtereenvolgens de individuele burger, de civil society en, pas als burgers en de civil society er zelf niet uitkomen, bij de overheid.
De wet treedt op 1 januari 2007 in werking.
Momenteel is de centrale stad verantwoordelijk voor de WVG en het stadsdeel voor de Welzijnswet. Door de komst van de WMO die een integrale aanpak vereist moeten beide partijen hun huidige beleid en uitvoering omvormen tot één samenhangend geheel; herijking is dus noodzakelijk.
Ook wat betreft de nieuwe WMO-onderdelen moeten de centrale stad en de stadsdelen afspraken maken over taken, verantwoordelijkheden en financiering.
Met de invoering van de WMO is een enorm budget gemoeid, dat naar verwachting niet toereikend zal zijn.
Het dagelijks bestuur van het stadsdeel heeft op 20 december 2005 ingestemd met het bestuurlijk document De WMO in Amsterdam: een nieuwe kijk op participatie, zorg en welzijn. Daarnaast heeft het db o.a. de Routekaart WMO: een nieuwe kijk op participatie, zorg en welzijn in Amsterdam ter kennisname aangenomen.
In deze documenten zijn o.a. de doelen en de wijze van samenwerken vastgelegd. Qua inhoud is o.a. vastgelegd dat in de bestuursperiode 2006-2010 wordt gestart met een gezamenlijk herijkingproces waarin beleid en uitvoering worden geëvalueerd en zo nodig bijgesteld. Dit kan leiden tot wijzigingen in de taakverdeling tussen de centrale stad en de stadsdelen en de bijbehorende financierings-stromen. Afgesproken is alle activiteiten van de lokale overheid op het gebied van zorg, welzijn en participatie te ordenen in vijf levensdomeinen: onderdak & opvang, gezondheid, zelfstandig wonen, sociale participatie en maatschappelijke participatie. Qua organisatie is o.a. afgesproken dat een WMO-uitvoeringsorganisatie wordt ingesteld die wordt aangestuurd door de centrale stad én de stadsdelen! Qua uitvoering is o.a. besloten tot de instelling van WMO-loketten; de inrichting, bemensing, financiering etc. behoeven nadere uitwerking. Ons loket Vraagwijzer Wonen, Zorg en Welzijn dat dit najaar opent kan als een voorloper hiervan worden beschouwd.
De centrale stad en de stadsdelen blijven vooralsnog hun ‘eigen’ beleid (dus resp. de WVG en de Welzijnswet) behouden en uitvoeren. Wel geldt dat, nu het totale budget meer onder één dak geplaatst is, zorg en welzijn sterker als communicerende vaten gaan functioneren. Dit kan verschuivingen in budgetten tussen zorg en welzijn met zich meebrengen. De herijking, evaluatie en eventuele bijstelling en de ordening van alle activiteiten in vijf levensdomeinen start in 2006. De huishoudelijke zorg (nu nog AWBZ-onderdeel) wordt de taak en verantwoordelijkheid van de centrale stad. Over de subsidieregelingen moeten nog nadere afspraken worden gemaakt.
Op gezamenlijk niveau van stad en stadsdelen is de WMO-uitvoeringsorganisatie in oprichting. Op het niveau van het stadsdeel zijn nog geen organisatiewijzigingen gepland die aansluiten op de WMO. Ook de implicaties van de invoering moeten nog nader worden verkend.
De opening van Loket Vraagwijzer WzW staat gepland voor 1 september 2006.
Welke ondersteuning en zorg valt
straks onder de Wmo?
Verschillende soorten zorg en ondersteuning gaan
straks onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) vallen. Afhankelijk
van wat de Eerste Kamer beslist, bestaat de Wmo straks uit:
- de huidige Welzijnswet;
- de bestaande Wet voorzieningen gehandicapten
(Wvg);
- de huishoudelijke verzorging uit de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ);
- enkele subsidieregelingen uit de AWBZ
(bijvoorbeeld mantelzorgondersteuning en diensten bij wonen met zorg);
- openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ).
Op termijn komen hier wellicht ondersteunende
en activerende begeleiding bij. Hierover neemt het volgende kabinet een
beslissing.
Voorzieningen Welzijnswet en Wvg
over naar Wmo
Als de Eerste Kamer goedkeurt, dan wordt de Welzijnswet en de Wvg
ingetrokken en gaan alle voorzieningen die onder deze wetten vallen over
naar de Wmo. Goedgekeurde Wvg-voorzieningen aan burgers blijven tot één jaar
na de invoering van de Wmo geldig.
Huishoudelijke verzorging
Als de Eerste Kamer goedkeurt dan gaat de huishoudelijke
verzorging van de AWBZ over naar de Wmo.
Op 23 april 2004 hebben
minister Hoogervorst en staatssecretaris Ross-van Dorp de contourennota voor de
Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO)
naar de Tweede Kamer gestuurd. Deze wet, waarvan de invoering per 1 januari 2006
is voorzien, komt in de plaats van de Wet Voorzieningen Gehandicapten, delen van
de AWBZ en de Welzijnswet. De gemeente wordt verantwoordelijk voor de uitvoering
van deze wet en moet in dit kader een 4-jarige nota opstellen. De voorgenomen
wet heeft niet het karakter van een voorzieningenwet met individueel
geformuleerde aanspraken; er wordt een aantal prestatievelden benoemd waarop de
gemeente beleid moet voeren.
De WMO
kan niet los gezien worden van de ontwikkelingen in de AWBZ. De AWBZ komt in de
nieuwe plannen pas in beeld als zware zorg vereist is, bijvoorbeeld voor ernstig
chronisch zieken, dementerende ouderen, zwaar gehandicapten en chronische
psychiatrische patiënten. De gemeente krijgt de verantwoordelijkheid voor de
lichtere vormen van hulp en ondersteuning: huishoudelijke zorg en ondersteunende
en activerende begeleiding. De indicatiestelling voor de resterende
AWBZ-functies wordt verscherpt, met name voor verblijf. De indicatiestelling
voor de AWBZ wordt mede om die reden gecentraliseerd.
Er is op dit moment nog
onvoldoende zicht op de omvang van de toekomstige gemeentelijke kosten en
toereikendheid van de compensatie daarvan door het Rijk. Hoewel de
staatssecretaris bij diverse gelegenheden heeft tegengesproken dat het om een
bezuiniging gaat, vormt de noodzaak om de stijgende uitgaven voor de AWBZ een
halt toe te roepen een belangrijke achtergrond voor de invoering van de WMO.1
De komst van de WMO
zal ingrijpende gevolgen hebben voor burgers. Op dit moment hebben mensen een
verzekerd recht op thuiszorg, heeft de gemeente een zorgplicht voor de Wet
Voorzieningen Gehandicapten en hebben de stadsdelen bij convenant de
inspanningsverplichting op zich genomen om in elk stadsdeel
een basispakket van voorzieningen voor ouderen te bieden. Dat zijn drie
verschillende manieren om zekerheden aan burgers te bieden. De vorm waarin het
bieden van zekerheid aan burgers zal worden gegoten, zal een van de meest
fundamentele vraagstukken zijn waar stad en stadsdelen voor gesteld worden.
Organisatorisch en financieel verandert er nogal wat, terwijl de kwaliteit en
continuïteit van de zorg en dienstverlening aan de burger gewaarborgd moeten
zijn. Het veld van de WMO is zeer
divers en complex. Een veelheid van partijen is bij de uitvoering betrokken:
sociaal én fysiek; professioneel én vrijwillig; gesubsidieerd én financieel
onafhankelijk.2 Dat vraagt om een samenhangend beleid én om een samenhangende
uitvoering. Dat zal veel van het coördinerend vermogen van de gemeente vergen.
Factoren daarbij zijn dat de verschillende beleidsterreinen van de WMO
bij diverse gemeentelijke afdelingen en diensten zijn belegd en dat een groot
aantal taken is gedecentraliseerd naar de stadsdelen, maar andere taken centraal
stedelijk worden uitgevoerd.
De boven beschreven wijzigingen
vragen om een projectmatige aanpak, die bestuurders de mogelijkheid biedt de
vinger goed aan de pols te houden. Aan het eind van deze notitie wordt dan ook
een voorstel voor een projectstructuur voor de voorbereiding van de WMO
in Amsterdam uitgewerkt. Eerst wordt
inzichtelijk gemaakt wat de huidige situatie is en wat de gevolgen zijn van
invoering van de WMO, wat de specifieke
situatie van Amsterdam is en hoe de
diverse partijen (aanbieders, burgers, zorgkantoor, etc.) erin zitten. Tevens
worden de noodzakelijk te verrichten activiteiten tot aan 1-1-2006 beschreven en
worden de uitgangspunten voor de uitvoering van de WMO
in Amsterdam onderbouwd. Tenslotte
wordt een voorstel gedaan voor een passende projectstructuur.
De huishoudelijke verzorging zal als eerste wordt overgeheveld vanuit de AWBZ naar de WMO en dus deze gaat per 1 januari tot de verantwoordelijkheden behoren,
De zorgplicht voor rolstoelen, scootmobielen en huishoudelijke verzorging is na de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer omgezet in een compensatieplicht. Hiermee wordt het Stadsdeel verplicht inwoners met een ergonomische of psychosociale belemmering te compenseren, zodanig dat zij kunnen deelnemen aan de maatschappij.
Ook worden het Stadsdeel verplicht om specifieke voorzieningen aan te bieden, zowel in natura als in de vorm van een persoonsgebonden budget. Dit moet nog worden uitgewerkt in een verordening.
Op grond van:
artikel 3
stelt de raad tenminste eens per vier jaar een of meer plannen vast, die richting geven aan de door de raad en het college te nemen beslissingen betreffende maatschappelijke ondersteuning en staan er tenminste in: doelstellingen, uitvoering, te verwachten resultaten, kwaliteitswaarborgen, keuzevrijheid en behoeften van kleine doelgroepen.
artikel 5
stelt de raad een verordening vast over de door het college te verlenen individuele voorzieningen. Ook hier moet de inspraakprocedure worden gevolgd en advies worden gevraagd. De compensatieplicht moet hier duidelijk in worden verwerkt. De compensatieplicht is als volgt gedefinieerd: dit zijn voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die een cliënt in staat stellen:
- een huishouden te voeren
- zich te verplaatsen in en om de woning
- zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel
- medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan
Bij het bepalen van de voorzieningen dient het college rekening te houden met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.
artikel 6
bepaalt het college of aan iemand die aanspraak heeft op een individuele voorziening, de keuze wordt gelaten tussen voorzieningen in natura, financiële tegemoetkoming of een PGB. De keuzevrijheid in deze vorm is een verplichting.
Het Stadsdeel moet de dienstverlening zoveel mogelijk laten verrichten door derden. Het Stadsdeel kan de uitvoering alleen zelf doen als er geen private partijen is die de taak onder redelijke condities wil en kan uitvoeren. Voor materiële goederen is dit nog strenger: deze moet het Stadsdeel op grond van artikel 10 betrekken van derden, tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is.
In verband met de verstrekking aan cliënten van 18 jaar of ouder kan een eigen bijdrage worden gevraagd indien het een individuele voorziening of PGB betreft. Voor verschillende voorzieningen kunnen verschillende eigen bijdragen gelden. Deze mag afhankelijk worden gesteld van het inkomen, maar niet zodanig dat er een eigen inkomensbeleid wordt gevoerd. Op grond van artikel 15 komt de minister hiervoor nog met een regeling (AmvB). Ook de financiële tegemoetkoming kan per soort ondersteuning verschillend zijn.
artikel 9
dient jaarlijks voor 1 juli een klanttevredenheidsonderzoek te zijn gedaan en dienen aan het ministerie van VWS monitoringsgegevens te worden verstrekt. Deze worden voor 1 januari verwerkt als benchmarkgegevens, waarmee de prestaties van de verschillende gemeenten worden vergeleken.
Overgangsrecht: Er is een verschil tussen overgangsrecht met betrekking tot de Wvg en met betrekking tot de huishoudelijke verzorging vanuit de AWBZ.
Wvg:
de financiële bepalingen over verantwoording, vaststelling en uitbetaling blijven van kracht voor de al verleende, aangevraagde of aan te vragen uitkeringen op grond van de Wvg
roerende zaken, die op grond van de Wvg zijn verkregen, blijven niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, zolang ze een geschikte voorziening zijn.
Een bestaande voorziening blijft gedurende de looptijd van een beschikking gelden, maar maximaal tot 1 jaar na inwerkingtreding van de WMO
Op nieuwe aanvragen voor rolstoelen en scootmobielen blijft de Wvg van toepassing, voor zover die aanvragen zijn gedaan binnen 3 maanden nadat de raad de WMO-verordening heeft vastgesteld, maar maximaal binnen 1 jaar na inwerkingtreding WMO
Op andere nieuwe aanvragen blijft de Wvg van toepassing voor zover die aanvragen zijn gedaan binnen 3 maanden nadat de raad het WMO-plan heeft vastgesteld, maar maximaal binnen 1 jaar na inwerkingtreding WMO.
De voorzieningen die op deze nieuwe aanvragen worden verleend, blijven gelden gedurende de looptijd van de beschikking, maar maximaal tot 1 jaar na inwerkingtreding WMO.
Bij bezwaar- en beroepsprocedures tegen Wvg-besluiten blijft de Wvg van toepassing.
Huishoudelijke verzorging:
Een indicatiebesluit voor huishoudelijke verzorging op grond van de AWBZ blijft gelden gedurende de looptijd van het besluit, maar maximaal tot 1 jaar na inwerkingtreding WMO
Op nieuwe aanvragen voor HV blijft de AWBZ van toepassing, voor zover die aanvragen zijn gedaan binnen 3 maanden nadat de raad de WMO-verordening heeft vastgesteld maar maximaal binnen 1 jaar na inwerkingtreding WMO.
De voorzieningen die op deze nieuwe aanvragen worden verleend, blijven gelden gedurende de looptijd van de beschikking, maar maximaal tot 1 jaar na inwerkingtreding WMO
Bij bezwaar- en beroepsprocedures tegen HV besluiten op grond van de AWBZ blijft de AWBZ van toepassing.
Opmerking: In het bovenstaande, als de termijn van drie maanden wordt genoemd, wordt wel bedoeld dat deze drie maanden vallen binnen het eerste jaar nadat de WMO in werking is getreden.
Een probleem kan ontstaan aan het einde van het eerste jaar na inwerkingtreding WMO, aangezien dat betekent dat binnen het eerste jaar alle bestaande cliënten opnieuw moeten worden geïndiceerd onder het WMO-regime. Dit betekent dan ook heel veel extra indicatiekosten voor de gemeenten. Daarom zullen wij onderzoeken of dit op te lossen is binnen de overgangsregelingen in de nieuw te maken verordeningen.
Op grond van de derde nota van wijziging is geregeld dat het Centraal Administratiekantoor bijzondere ziektekosten (CAK-bz) verplicht wordt aangewezen als uitvoeringsinstantie voor de inning van de eigen bijdragen om de stapeling van eigen bijdragen AWBZ en WMO te kunnen maximeren.
artikel 11
moet inspraak hebben plaatsgevonden volgens de gemeentelijke inspraakverordening, voordat de raad het beleidsplan vaststelt. Inwoners moeten daarbij al vroegtijdig de gelegenheid krijgen om voorstellen te doen.
artikel 12
vraagt het college hiertoe advies aan een representatieve cliëntenorganisatie. Dit geldt ook voor deelplannen en verordeningen op grond van de WMO. De Wvg-gerechtigden en Platform Gehandicapten/ouderen het adviesorgaan wat de beleidsvelden over de zorg betreft. De overige inspraak is geregeld in de vorm van themabijeenkomsten met vertegenwoordigers uit de andere beleidsvelden.
De oude regelgeving op grond van de Wvg en de Welzijnswet kan gehandhaafd blijven tot maximaal 1 jaar na inwerkingtreding van de Wmo. Verordeningen van deze wetten dienen dus te zijn aangepast voor 1 januari 2008.
artikel 26
vermeldt de beschikking op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem. Bezwaar en beroep zijn hierop van toepassing.
Het terrein welzijn is in Amsterdam
voor een groot deel gedecentraliseerd en de verantwoordelijkheid van de
stadsdelen. Uitzonderingen zijn de maatschappelijke opvang en de
verslavingszorg. Amsterdam vervult voor
deze sectoren een centrumfunctie.
De aanbieders van
welzijnsdiensten worden gefinancierd door de stadsdelen. Zij subsidiëren hun
welzijnsorganisaties en kopen op die manier hun welzijnsaanbod in het stadsdeel
in. In een aantal stadsdelen is een stichting welzijn actief, in andere zijn
andere aanbieders actief en vaak bedienen aanbieders meerdere stadsdelen.
Bij invoering van de WMO
zou de Welzijnswet in zijn geheel verdwijnen. De veelheid van onderwerpen,
doelgroepen en geldstromen die nu onder welzijnswet vallen kunnen in principe in
de in de WMO onderscheiden
prestatievelden worden ondergebracht. Er bestaat echter wel de zorg dat de
activiteiten die gericht zijn op niet zorgbehoevende burgers (sport, sociaal
cultureel werk, activiteiten gericht op leefbaarheid en sociale netwerken) onder
de WMO minder prioriteit zouden kunnen
gaan krijgen ten gunste van de zorg en ondersteuning voor kwetsbare groepen. Op
termijn werkt dat contraproductief omdat dergelijke activiteiten preventief
werken op de ontwikkeling van de vraag naar zorg en ondersteuning.
Wet Voorzieningen
Gehandicapten
De Wet voorzieningen
gehandicapten (Wvg) heeft als uitgangspunt dat ouderen en gehandicapten zo lang
mogelijk zelfstandig blijven en kunnen deelnemen aan het sociale en
maatschappelijke leven. Daartoe voorziet de Wvg in woonvoorzieningen,
vervoersvoorzieningen en rolstoelen.
De Wvg wordt uitgevoerd
door gemeenten. Iedere gemeente heeft een zorgplicht. Dit betekent dat gemeenten
verplicht zijn deze voorzieningen te verstrekken aan iedereen die het nodig
heeft. Welke voorzieningen er precies zijn, hoe de voorzieningen worden
verstrekt en hoe hoog een eventuele eigen bijdrage is, verschilt per gemeente.
Gemeenten zijn verplicht een Verordening op te stellen, waarin het individuele
aanspraakniveau is vastgelegd. Over de te verstrekken voorziening is in de Wvg
vastgelegd dat deze doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend.
Individuele gehandicapten kunnen zich beroepen op de Wvg en de gemeentelijke
Verordening.
In Amsterdam
wordt de Wvg centraal gefinancierd. Er is ook één gemeentelijke verordening
die in alle stadsdelen geldt. In Amsterdam
lopen onder de centrale regie door DMO vier verschillende trajecten voor de
aanvraag en verstrekking van een Wvg voorziening:
- gehandicapten vragen kleine
woningaanpassingen aan bij het Stadsdeel
waar men woont; het Stadsdeel
verzorgt ook de verstrekking. Dit betreft het weghalen van drempels, een
verhoogde toiletpot plaatsen en aanbrengen van beugels;
- de aanspraak op aanvullend
openbaar vervoer (Stadsmobiel of VZA) verloopt via een telefonische intake
bij de Wvg helpdesk. De cliënt die in aanmerking komt voor dit vervoer
ontvangt een Wvg Vervoerspas waarmee vanaf het huisadres onbeperkt 5
OV-zones kunnen worden gereisd tegen een tarief dat is gebaseerd op de roze
strippenkaart;
- voor overige Wvg voorzieningen
is een indicatiestelling door het Regionaal Indicatie Orgaan (RIO) Tot en
Met nodig. Tot en Met brengt een indicatie-advies uit aan de Dienst Wonen
(voor woonvoorzieningen) of aan de Sociale Dienst Amsterdam
(voor rolstoelen en individuele vervoersvoorzieningen). Deze diensten
beslissen op de aanvraag, en verstrekken de voorziening en verantwoorden
e.a.a. aan DMO;
- maatwerk: als sprake is van
een zeer complexe situatie (bijvoorbeeld bij gehandicapte kinderen of bij
progressieve ziektes) dan wordt maatwerk geboden. De aanvraag van de cliënt
wordt door een casemanager begeleid.
Iedere Nederlander is via de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) verzekerd voor zorg en ondersteuning
bij langdurige ziekte, handicap of ouderdom. De AWBZ regelt nu de rechten op
verstrekkingen op de volgende gebieden:
huishoudelijke
verzorging
persoonlijke verzorging
verpleging
ondersteunende
begeleiding
activerende begeleiding
(dagbesteding)
behandeling
verblijf
Deze functies worden
geleverd door instellingen die door het College voor zorgverzekeringen zijn
toegelaten als AWBZ-instelling. Het kan daarbij gaan om traditionele
verzorgingshuizen, verpleeghuizen, thuiszorgorganisaties, ggz-instellingen en
instellingen voor gehandicaptenzorg, maar de afgelopen jaren hebben ook tal van
nieuwe aanbieders hun intrede gedaan.
De uitvoering van de AWBZ is
sinds 1998 in handen van de zorgkantoren. Zorgkantoren zijn zelfstandig werkende
kantoren - nauw gelieerd aan de zorgverzekeraar ter plekke - die zorgvraag en
zorgaanbod in een specifieke regio zo goed mogelijk op elkaar trachten af te
stemmen.
Het zorgkantoor heeft de volgende taken:
Verzekerden informatie
geven over AWBZ-zorg, vaststellen of een zorgvrager verzekerd is, vaststellen
en innen van de eigen bijdrage.
Een beleidsplan
opstellen voor de zorg in de regio, zorg contracteren, overleg voeren met
partijen.
Adequate registratie en
administratie.
Op dit moment is
zorgverzekeraar Agis verantwoordelijk voor het functioneren van het zorgkantoor Amsterdam.
Zorgkantoor Amsterdam contracteert de
bovengenoemde zorgfuncties bij de Amsterdamse aanbieders van Verpleging en
Verzorging, Geestelijke Gezondheidszorg en Gehanidcaptenzorg. Daarnaast voert
het zorgkantoor diverse subsidieregelingen uit, onder meer op het gebied van de
coördinatie vrijwillige thuiszorg, doventolken en diensten bij wonen en zorg en
de consulentfunctie voor gehandicapten (MEE).
De zorg in de AWBZ begint
met een indicatiestelling. Het regionaal indicatieorgaan (RIO; in Amsterdam
de Stichting Tot en Met) bepaalt op welke zorg iemand recht heeft en in welke
mate. Tot nu toe is de indicatiestelling een verantwoordelijkheid van
(samenwerkende) gemeenten. In de gemeente Amsterdam
voert het indicatieorgaan zowel de AWBZ- als Wvg-indicaties uit. Het kabinet
heeft inmiddels besloten om de indicatiestelling voor de AWBZ te centraliseren.
Per 1 januari 2005 voert het landelijk Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) de
AWBZ-indicaties uit. In verband daarmee zal voor het AWBZ-deel van de
indicatiestelling een uitname uit het gemeentefonds plaatsvinden en dient binnen
het indicatieorgaan een opsplitsing plaats te vinden tussen indicatiestelling
AWBZ en indicatiestelling WVG. De gemeente zou kunnen besluiten de
WVG-indicaties bij het CIZ in te kopen. Over dit traject zal vermoedelijk in
september van dit jaar - afzonderlijke besluitvorming plaats vinden.
Op
het moment dat de WMO wordt ingevoerd
wordt een aantal functies en subsidieregelingen uit de AWBZ naar gemeenten
overgeheveld:
De functies
huishoudelijke hulp, activerende en ondersteunende begeleiding3
Vervoer
Subsidieregeling wonen
met zorg, subsidieregeling MEE, subsidieregeling Integrale Vroeghulp,
subsidieregeling aangepaste ADL clusters, subsidieregeling doventolken, de
regeling coördinatie vrijwillige thuiszorg en mantelzorg
Daarnaast zal in de in de
huidige GGZ zorg een knip worden aangebracht. De op genezing gerichte GGZ zorg
(korter dan één jaar) zal in de nieuwe basisverzekering worden ondergebracht.
De GGZ-zorg langer dan één jaar blijft in de AWBZ.
1.4 Doelgroepen en sectoren
In het gemeentelijk beleid wordt een aantal doelgroepen en
sectoren onderscheiden die in verschillende mate een beroep doen op welzijns-,
WVG- en AWBZ voorzieningen en ook tot de doelgroepen van de WMO
gerekend kunnen worden. Hierna zal kort worden ingegaan op de belangrijkste
feiten m.b.t. deze groepen; meer uitvoerige informatie is te vinden in bijlage
2.
Ouderen
In Amsterdam
wonen op dit moment ongeveer 90.000 55 - 65 jarigen en ongeveer 84.000 65 +ers.
Terwijl landelijk het aantal ouderen sterk toeneemt, blijft het aantal ouderen
in Amsterdam tot 2015 nagenoeg
constant. In die periode zal het aantal autochtone ouderen afnemen. De
allochtone bevolking vergrijst echter wel en wel in een snel tempo. In 2015
zullen onder migranten de aantallen 55-plussers, 65-plussers en 75-plussers
vrijwel verdubbeld zijn.
Pas vanaf 2015
zal het aantal 75-plussers in Amsterdam
sterk toenemen en die stijgende trend houdt tot in 2040 aan. De vergrijzing
in Amsterdam wijkt ook nog op een
andere manier af van de landelijke trend. Landelijk is sprake van een soort piek
in 2040 waarna een vrij abrubte daling van het aantal ouderen plaats vindt. In Amsterdam
blijft het aantal ouderen na 2040 nog enkele decennia lang op hetzelfde niveau.
Ouderen, vooral de oudsten
onder hen, zijn de belangrijkste gebruikers van verpleeghuizen,
verzorgingshuizen en thuiszorg (AWBZ). Ook zijn er nogal wat ouderen die gebruik
maken van de WVG (vooral de vervoersvoorzieningen) en welzijnsdiensten, zoals
alarmering, maaltijden en klussenhulp. Tegelijkertijd wordt door ouderen veel
mantelzorg geboden en vrijwilligerswerk gedaan.
Het Amsterdamse ouderenbeleid is,
voorzover het welzijnstaken betreft, gedecentraliseerd naar de stadsdelen. In
het algemeen wordt daarbij nagestreefd om:
De kracht van ouderen
te benutten: vergroten van zelfredzaamheid, het bevorderen van mondigheid en
maatschappelijke participatie.
Te bevorderen dat
mensen waardig en op eigen wijze oud worden
Speciale aandacht te
besteden aan de groeiende groep oudere migranten
Gedifferentieerd te
kijken naar de verschillen in behoeften in derde en vierde levensfase
Extra aandacht te
besteden aan mensen met een laag inkomen
In het Bestuursakkoord dat tussen centrale stad en stadsdelen is gesloten is het
basispakket voor ouderen een belangrijk onderdeel. Voor ouderen bieden de
stadsdelen op dit moment een uniform pakket van ondersteunende diensten en
producten waardoor men (langer) zelfstandig kan blijven wonen (zie bijlage 3).
Begin 2002 is daartoe een convenant gesloten tussen centrale stad en stadsdelen.
In het bestuursakkoord 2003-2006
is afgesproken
dat stadsdelen en
centrale stad bindende afspraken maken om het in begin 2002 overeengekomen
Basispakket Ouderen, te verbeteren en uit te breiden, en
dat stadsdelen, mits
daarvoor extra rijksmiddelen beschikbaar worden gesteld, de reikwijdte van het
Basispakket Ouderen verbreden naar andere groepen met een structurele
zorgafhankelijkheid
Gehandicapten
Tot de gehandicapten worden in
het algemeen gerekend: lichamelijk gehandicapten, verstandelijk gehandicapten,
chronisch zieken, visueel beperkten en auditief beperkten. Er zijn wat betreft
het aantal gehandicapten geen exacte cijfers bekend, maar wanneer landelijke
cijfers worden doorgetrokken, dan wonen in Amsterdam
naar schatting 175.000 mensen met een lichamelijke beperking, van wie er 100.000
licht beperkt zijn en 75.000 matig tot ernstig. Er zijn ongeveer 75.000
chronisch zieken en 5.500 verstandelijk gehandicapten.4 Bijlage 3 bevat meer
uitvoerige informatie over de doelgroep gehandicapten.
Doel van het gehandicaptenbeleid
is om het voor mensen met een handicap mogelijk te maken om op overeenkomstige
wijze als mensen zonder handicap, zo veel mogelijk zelfstandig en naar eigen
keuze in de maatschappij te functioneren. Het gaat daarbij om het scheppen van
voorwaarden die het mógelijk maken om te participeren door het zo veel mogelijk
wegnemen van belemmeringen en het creëren van voorzieningen.
Gehandicaptenbeleid is inclusief
beleid: het moet vanzelfsprekend zijn dat gehandicapten deelnemen aan zoveel
mogelijk aanbod en activiteiten in de levensdomeinen
wonen-zorg-dienstverlening
(inclusief welzijn);
toegankelijkheid en
mobiliteit;
arbeid, inkomen en
vrijwilligerswerk;
onderwijs en
vrije tijdsbesteding.
Voor gehandicapten geldt
een achterstand in participatie op al deze domeinen.
GGZ-cliënten
Jaarlijks maken ongeveer 20.000
Amsterdammers op enigerlei wijze gebruik van de Geestelijk Gezondheidszorg. Dat
betekent dat het aantal mensen met GGZ-problematiek per jaar een aantal malen
groter is. Het overgrote merendeel van de mensen met relatief lichte
GGZ-problematiek maakt namelijk geen gebruik van de GGZ.
Voor de WMO
is de vraag meer van belang: hoeveel mensen zijn er die langdurig van zorg
afhankelijk zijn en ondersteuning nodig hebben bij het dagelijks leven. Er zijn
verschillende schattingen, die enigszins uiteenlopen. Op basis van gegevens van
de drie grootste GGZ-instellingen wordt geschat dat er ongeveer 4200 chronische
GGZ-cliënten zijn, waarvan een derde tot een kwart niet in zorg is. Het gaat
dan vooral om de diagnoses schizofrenie en depressie.
De centrale stad heeft een
wettelijke regietaak op de openbare geestelijke gezondheidszorg (OGGZ), dus de
ggz voor mensen met problemen die niet zelf om hulp vragen. Vandaar de
betrokkenheid van de centrale stad op het gebied van crisisopvang en
overlastnetwerken.
Wettelijke basis voor de
gemeentelijke bemoeienis is de Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid (WCPV)
en wat betreft de welzijnsvoorzieningen de Welzijnswet. Op de gebieden van wonen
en uitkering/activering geldt specifieke regelgeving (Woningwet, Wet Werk en
Inkomen).
DMO en stadsdelen voeren regie op het realiseren van lokale
zorgnetwerken. GG&GD levert medische zorg aan mensen die niet zelf om zorg
vragen. De Dienst Wonen bemiddelt in woningen voor woonbegeleiding op verzoek
van instellingen. De Sociale Dienst levert sociale activering. Stadsdelen voeren
regie op de totstandkoming van hun eigen lokale zorgnetwerk, maar hebben daarin
geen directe uitvoerende taken.
Maatschappelijke opvang,
ambulante verslavingszorg en vrouwenopvang.
Per dag zijn er in Amsterdam
ruim 2000 dak- en thuislozen, waaronder vrouwen op de vlucht voor geweld. Per
jaar gaat het om ongeveer 4000-5000 verschillende mensen.
Op ieder moment zijn zon
1800 mensen onder dak bij één van de instellingen, Per nacht slapen ongeveer
300 mensen op straat. De groep is als volgt onderverdeeld: ruwweg 30% heeft
ernstige psychiatrische problematiek, bij 30% is sprake van verslaving aan
harddrug/alcohol, veel mensen met somatische problemen. Het sterftecijfer onder
daklozen ligt vier keer zo hoog als bij gewone Amsterdammers.
Naar schatting zijn er
ongeveer 4200 verslaafden in de stad, waarvan 1500 problematisch in die
zin dat men naast verslaving ook een psychiatrische stoornis heeft en/of dakloos
of thuisloos is, overlast veroorzaakt en/of criminele feiten pleegt.
Op basis van de Welzijnswet is
het de gemeente (DMO) die de bovengenoemde drie sectoren financiert en die ook
het beleid voert, dwz voorzieningen treft voor de regio (de zuidelijke subregio
van de Wet Ziekenhuis Voorzieningen, Amsterdam,
Haarlemmermeer, Aalsmeer, Amstelveen, Uithoorn, Ouderkerk a/d Amstel, Diemen).
De Dienst Wonen bemiddelt in
woningen voor woonbegeleiding op verzoek van instellingen.
De Sociale Dienst levert
sociale activering. GG&GD levert medische zorg aan mensen die niet zelf om
zorg vragen.
Stadsdelen voeren regie op
de totstandkoming van lokale zorgnetwerken, maar hebben praktisch geen
bemoeienis met het treffen van centrale voorzieningen. Met de regiogemeenten
bestaat een convenant. De afstemming tussen de centrale voorzieningen en lokale
zorgnetwerken in de stadsdelen en de regiogemeenten in verband met preventie en
reïntegratie is een belangrijk aandachtspunt voor de volgende beleidsperiode.
In de maatschappelijke
opvang gaat 45 miljoen euro om; 31 miljoen van het rijk en 14 miljoen van
de gemeente.
Jeugd
In Amsterdam
woonden in 2003 bijna 155. 000 kinderen en jongeren tussen 0 en 18 jaar. Voor
veel van deze kinderen verloopt het opgroeien niet gemakkelijk. Hun ouders of
zijzelf zoeken ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien. Die steun vinden ze,
naast hun eigen netwerk, bij organisaties als (school) maatschappelijk werk,
consultatiebureaus of opvoedwinkels. Voor ernstige problematiek doet men een
beroep op de voorzieningen van jeugdzorg. In 2003 werden 5.643 Amsterdamse
kinderen na een aanmeldingsfase onderzocht door Bureau Jeugdzorg in verband met
ernstige opgroei- of opvoedproblematiek. Het gaat dan bijvoorbeeld om
problematiek die op de website van Medisch Orthopedagogisch Centrum t
Kabouterhuis wordt omschreven als een combinatie van: extreem druk en
beweeglijk, angstig, erg stil en teruggetrokken, ongehoorzaam, moeilijke omgang
met leeftijdgenootjes, cara, PDD-NOS, driftbuien, obstipatie, niet eten,
groeiproblemen, ADHD, agressief, slecht slapen, neonatale problemen, eczeem,
lusteloos, onverzadigbaar, achterdochtig.
Veelal komt deze
problematiek niet alleen, maar is er sprake van (gezins)problemen op meerdere
fronten die door meerdere sectoren moet worden opgepakt. Denk aan huisvesting,
schulden, problemen als gevolg van migratie of cultuurverschillen, problemen als
gevolg van alleenstaand ouderschap, relatieproblemen, psychiatrische of
verslavingsproblematiek bij de ouders. De problematiek van deze kinderen is dan
niet alleen ernstig maar ook zeer complex.
Kenmerken van de Amsterdamse
kinderen die in 2003 bij BJAA na de aanmelding in de screeningsfase kwamen:
- culturele achtergrond: 28%
Nederlands, 20% Surinaams, 8% Turks, 18% Marokkaans, de rest overig;
- leeftijd: 9% 0-4 jaar, 19% 4-6
jaar, 27% 6-13 jaar, 38% 13-18 jaar, 7% 18-24 jaar;
- sexe: 57% mannelijk, 43%
vrouwelijk;
- gezinssamenstelling: 28%
eenoudergezinnen.
Beleid en financiering
van de jeugdzorg is een taak van de provincies en grootstedelijke regios, in dit
geval het Regionaal Orgaan Amsterdam (ROA).
Het ROA heeft deze taak uitbesteed aan de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling
van de gemeente Amsterdam. De
besluitvorming vindt plaats in de Regioraad. Het ROA jeugdzorg budget voor 2004
is ruim 120 miljoen euro. Hiervan wordt 770.000 euro ingezet voor
aansluitingstaken door Bureau Jeugdzorg.
Het zorgkantoor is
verantwoordelijk voor de financiering van de jeugd-GGZ en (verstandelijk)
gehandicaptenzorg.
De gemeente Amsterdam
voert zowel stedelijk als op stadsdeelniveau een aantal taken uit in de
aansluiting tussen het jeugdzorgstelsel en het lokaal jeugdbeleid.
In de stad worden projecten
uitgevoerd voor risicojongeren en zorgleerlingen in het onderwijs (Time Out,
Nieuwe Perspectieven, jeugdzorgadviesteams (tot 2005), Zorg op Maat).
Stadsdelen zijn in het
kader van lokaal jeugdbeleid verantwoordelijk voor zaken als opvoedsteunpunten,
jeugdgezondheidszorg, Opstap, zorgteams op basisscholen, RMC, algemeen
maatschappelijk werk, jongerenwerk, straathoekwerk, schoolbegeleidingsdienst en
buurtnetwerken.
Organisaties op het gebied
van jeugdzorg zijn: Bureau Jeugdzorg, Altra, Sac-Amstelstad, Medisch
Orthopedagogisch Centrum Kabouterhuis, HVO Querido Begeleid Wonen, De Bascule.
De komende jaren verandert
er het een en ander in de organisatie van de jeugdzorg, zowel waar het gaat om
lokale voorzieningen als in de regionaal georganiseerde jeugdzorg. Op 1 januari
2005 treedt de Wet op de Jeugdzorg in werking die de werkzaamheden van het
jeugdzorgstelsel regelt: aanmelding, indicatie en (voor de zorgaanbieders in het
stelsel) behandeling van ernstige opvoed- en opgroeiproblematiek van jeugdigen
tot 18 jaar. Daarnaast krijgt Bureau Jeugdzorg de taak: het advies geven aan en
het bijdragen aan de deskundigheidsbevordering van en het onderhouden van
contacten met algemene voorzieningen voor jeugdigen, waaronder in elk geval het
onderwijs, ter versterking van deze algemene voorzieningen en ter bevordering
van vroegtijdige signalering van problemen bij jeugdigen die tot zorg als
bedoeld in artikel 5, tweede lid, zouden kunnen leiden .
Vooruitlopend op de
invoering van de Wet voert het ROA al enige tijd het beleid om de
toegangsfunctie van Bureau Jeugdzorg (aanmelding en indicatie) zo dicht mogelijk
bij de grote concentraties van jeugdigen uit te voeren: overleggen bij de OKCs
voor de 0-4 jarigen, in de jeugdzorgadviesteams bij de basisscholen voor de 4-12
jarigen en in de zorgbreedtecommissies in het voortgezet onderwijs voor de 12-18
jarigen. Daarmee is ook de consultatie- en adviesfunctie dicht bij de lokale
voorzieningen gelegd.
Een tweede verandering is
het gevolg van de geplande invoering van de WMO.
Daarin wordt meer dan nu inzet van gemeenten verwacht bij het organiseren en
financieren van lichte vormen van hulp aan jeugdigen en hun ouders. Naar
aanleiding van de invoering van de Wet op de Jeugdzorg zijn in Bestuurlijk
Overleg tussen VWS, IPO, VNG, MO-groep afspraken gemaakt over gemeentelijke
taken. In de WMO komt dit terug als:
preventieve voorzieningen voor kinderen, jeugdigen of ouders met problemen met
opgroeien of opvoeden. Dit zijn voorzieningen op het terrein van signalering,
toeleiden naar en wegwijs maken in het hulpaanbod, pedagogische hulp en coördinatie
van zorg. De jeugdzorgvoorzieningen kunnen zich dan richten op de meest zware
problematiek. Uit een landelijk onderzoek naar het huidige beleid blijkt dat met
name beleid voor de functies pedagogische hulp en coördinatie van zorg bij veel
gemeenten nog niet goed ontwikkeld zijn.
1.5 Specifieke
kenmerken Amsterdamse bevolking
Bijlage 4 bevat informatie
over demografische en epidemiologische gegevens over de Amsterdamse bevolking.
Specifiek voor Amsterdam
geldt dat de vergrijzing minder hard gaat dan elders in het land. Pas vanaf 2015
zet de vergrijzing echt in. Onder de ouderen neemt het aandeel van migranten
sterk toe. Oudere migranten hebben gemiddeld meer lichamelijke beperkingen dan
oudere autochtonen. De sterkste toename van de zorgbehoefte wordt verwacht bij
Turkse en Marokkaanse ouderen, waaronder zich relatief veel chronisch zieken
bevinden. Verder is de gezondheidssituatie van de gemiddelde Amsterdammer
slechter dan het Nederlands gemiddelde. Het aantal mensen met één of meer
beperkingen zal sterk stijgen. Nogal wat Amsterdammers kampen met psychische
problemen en ook het aantal daklozen en drugsverslaafden is hoog te noemen.
De toename van de
levensverwachting zal op termijn een extra druk op de zorg voor ouderen leggen.
Slechts een kleine groep oudere Amsterdammers is economisch in staat om zelf in
eigen zorg te voorzien. Er bestaat een oververtegenwoordiging van mensen met een
lage sociaal-economische status in vergelijking met landelijke gemiddelden.
Meer dan elders in het land
zijn in Amsterdam groepen te
identificeren bij wie sprake is van een cumulatie van de bovengenoemde
problematieken. Dat maakt een goede afstemming tussen alle betrokken instanties
en hulpverleners en goede ketenafspraken extra belangrijk.
1.6 Lopende stedelijke ontwikkelingen
De grote uitdaging is om in Amsterdam,
binnen de (budgettaire) mogelijkheden die er zijn, de WMO
zo op te pakken dat efficiënte zorg en dienstverlening wordt geleverd, met zo
min mogelijk bureaucratie, aan die burgers die daarop zijn aangewezen. Overigens
zijn in Amsterdam al meerdere
ontwikkelingen in gang gezet om dat te bereiken:
- Zo is het de bedoeling dat in
2006 in elk stadsdeel één loket
voor wonen, zorg en welzijn gerealiseerd zal zijn (bestuursakkoord
2002-2006). Het loket is een onafhankelijke, herkenbare plek in de wijk,
waar mensen terecht kunnen voor informatie en advies, waar zonodig de
indicatie geregeld wordt en waar vervolgens, als daar behoefte aan is,
ondersteuning wordt geboden bij het feitelijk verkrijgen van de benodigde
zorg/dienstverlening. Een aantal stadsdelen is daar inmiddels actief mee aan
de slag. Er is geconstateerd dat er behoefte is aan een helder kader
waarbinnen de loketontwikkeling kan plaatsvinden
- De producten van het basispakket
voor ouderen worden momenteel opnieuw bekeken op efficiëncy en
doelmatigheid, hetgeen kan leiden tot het herformuleren van
prestatie-eisen, het opnieuw aanbesteden van (delen van) het ouderenwerk en het
introduceren van toegangscriteria en inkomensgrenzen (bestuursakkoord
2002-2006). Tevens wordt nagegaan of het wenselijk is het basispakket te
verbreden naar andere groepen met een structurele zorgafhankelijkheid, zoals
lichamelijk gehandicapten en mensen met een chronisch psychiatrisch
ziektebeeld.
- Binnen de WVG is het
herontwerp van de werkprocessen en bijbehorende ICT-ondersteuning gestart.
In aanvraagprocedures worden alleen die stappen gezet die noodzakelijk zijn
of die rendabel lijken. Dat betekent minder stappen in een
aanvraagprocedure, daar waar het kan. Zo blijken veel controle stappen niet
altijd nodig of zijn nu soms controles nog duurder dan de verstrekte
voorziening. De vraag of procedures rendabel zijn doet zo zijn intrede. Als
meer aandacht nodig is voor een aanvraag worden juist meer stappen gezet.
Kortom: er ontstaan verschillende afhandelprocedures in verschillende
situaties, afhankelijk van de wens van de cliënt of de eenvoud van een
situatie. Procedures blijven alleen uitgebreid waar het écht nodig is. Het
resultaat kan het fundament vormen voor een toekomstig Amsterdams
Zorgsysteem.
- Binnen het WVG vervoer zijn
onlangs een aantal voorstellen gedaan, onder meer gericht op een doelmatiger
inzet van middelen en het versterken van het gebruik van collectieve
voorzieningen. Met de herijking van de vervoersvoorzieningen binnen de Wvg
is een eerste stap naar een transparant, robuust verstrekkingenpakket gezet.
- De lokale overlastnetwerken
worden in het kader van het bestuursakkoord uitgebreid tot Meldpunten
Zorg en Overlast. Hier wordt het, onder regie van het stadsdeel,
voor burgers en instellingen mogelijk om hun zorgen over buurtbewoners neer
te leggen. Een netwerk van samenwerkende hulpverleners biedt gecoördineerde
hulp, indien dit nodig en/of wenselijk is, aan die mensen die de
hulpverlening niet bereiken of uit het zicht zijn geraakt. De verwachting is
dat hulpbehoevenden op deze wijze eerder in beeld komen en dat overlast in
sommige gevallen kan worden voorkomen. Tussen centrale stad en stadsdelen is
afgesproken dat er eind 2005 in elk stadsdeel
een meldpunt Zorg & Overlast is.
- In het project wonen,
zorg en welzijn worden op grond van de toekomstige vraagontwikkeling op
stadsdeelniveau opgaven geformuleerd voor voorzieningen op het gebied van
wonen, zorg en welzijn en worden stadsdelen gefaciliteerd om met deze opgave
aan de slag te gaan.
Als gevolg van de vermaatschappelijking van de zorg is er een toenemende
behoefte aan geschikte huisvesting, zorg- en welzijnsvoorzieningen in de
wijken. De vraag is daarbij aan de orde hoe de vraag naar aangepaste
woonvormen zich ontwikkelt, welke soort woningen en welke
woon-zorgarrangementen er nodig zullen zijn. De gemeente ondersteunt deze
ontwikkeling actief en heeft daartoe verschillende partijen bijeengebracht
in het daarvoor opgerichte Afstemmingsoverleg wonen, zorg, dienstverlening.
Hiermee wordt beoogd een stedelijk kader te ontwikkelen en ondersteuning en
uitwisseling te bieden aan stadsdelen. Op dit moment is in kaart gebracht
hoe, uitgaande van bepaalde scenario's, de vraag naar diverse woonvormen
zich in de periode tot 2030 zal ontwikkelen. Dit wordt geconfronteerd met
het huidige aanbod en de concrete plannen van zorginstellingen en
woningcorporaties. Ook voor zorg- en welzijnsvoorzieningen wordt, op basis
van dezelfde scenarios, de vraag in kaart gebracht. De bedoeling is om met
alle partijen te komen tot een productiedoelstelling of taakstelling voor
voorzieningen op het gebied van wonen, zorg en welzijn. Vervolgens dient een
en ander een vertaling te krijgen naar implementatie in de stadsdelen.
De komst van de WMO,
waarin aan de gemeente een belangrijke regie- en inkooprol wordt toegekend,
maakt het voortvarend oppakken van themas als loketontwikkeling, doelmatige
inkoop, optimalisering van de inzet van (welzijns)middelen en een betere
afstemming van wonen, zorg en dienstverlening alleen nog maar noodzakelijker.
Tenslotte zijn er allerlei
ontwikkelingen en initiatieven op het gebied van maatschappelijke participatie
(voorheen sociale activering) voor uitkeringsgerechtigden. Hierover voert de
Sociale Dienst intensief en structureel overleg met stadsdelen, zowel
bestuurlijk als ambtelijk. Doelgroepen, actoren en aan te bieden voorzieningen
overlappen sterk met die van de WMO. Er
zou efficencywinst gehaald kunnen worden door bundeling van geldstromen,
indicering, aanbesteding en inkoop.
2 De Wet
Maatschappelijke Ondersteuning
2.1 Inhoud
Contourennota Wet Maatschappelijke Ondersteuning5
Niet leunen maar steunen
Onder het motto niet leunen maar
steunen wordt aangegeven dat de zelfredzaamheid en participatie van burgers moet
worden bevorderd; de overheid hoeft niet automatisch overal op in te springen.
De WMO heeft niet het karakter van een
voorzieningenwet met zorgplicht (vgl. de huidige Wvg), maar regelt de
verantwoordelijkheid van de gemeente om op het gebied van de maatschappelijke
ondersteuning actief beleid te voeren waarop ze voor haar burgers aanspreekbaar
is. De contourennota gaat verder dan alleen het samenvoegen van een aantal
wetten en onderdelen. Het gaat in grove lijnen om voorzieningen op het terrein
van maatschappelijke participatie en ondersteuning voor iedereen; voorzieningen
voor mantelzorgers en vrijwilligerswerk; preventieve voorzieningen voor
jeugdbeleid en ouders met opvoedingsproblemen en maatschappelijke opvang.
Er wordt gekozen voor een
inclusieve benadering: voorzieningen en activiteiten moeten voor iedereen
bruikbaar, toegankelijk en bereikbaar zijn
Geen aanspraken maar
prestatievelden
De WMO-verantwoordelijkheden
van de gemeenten zijn benoemd in acht zogenoemde prestatievelden, die als volgt
omschreven zijn:
- algemene voorzieningen op het
vlak van participatie en ondersteuning (bijvoorbeeld de voorzieningen voor
jeugdigen en ouderen die nu in de welzijnswet zijn bedoeld);
- voorzieningen op het terrein
van informatie en advies (lokale informatieloketten, lokale
ouderenadvisering );
- voorzieningen voor
ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers (onder meer de
mantelzorgsteunpunten);
- versterken van sociale
samenhang en leefbaarheid van wijken (een onderdeel van de huidige
welzijnswet);
- accommodaties voor
maatschappelijke activiteiten (bijvoorbeeld club- en buurthuizen, straks ook
centra voor dagbesteding);
- preventieve voorzieningen voor
kinderen, jeugdigen,of ouders met problemen met opgroeien of opvoeden (nu
een onderdeel van de welzijnswet);
- voorzieningen voor
gehandicapten, chronische psychiatrische patiënten en mensen met psychische
of psychosociale problemen, en ouderen, voor het vergroten en/of
ondersteunen van de zelfredzaamheid, maatschappelijke participatie en
zelfstandig functioneren . ( b.v. rolstoelen en scootmobielen,
woningaanpassingen, begeleiding bij zelfstandig wonen, huishoudelijke
verzorging, dagbesteding ouderen, maaltijdvoorziening, sociale alarmering,
vervoersvoorzieningen);
- voorzieningen voor
maatschappelijke opvang, vrouwenopvang, melding van huiselijk geweld (b.v.
kortdurende of tijdelijke opvang bij crisis, begeleiding bij
zelfstandig wonen, melden van en advies bij huiselijk geweld);
De eerste zes
prestatievelden hebben betrekking op algemene voorzieningen, die nu vooral onder
de Welzijnswet vallen. Het zevende veld betreft voorzieningen voor
maatschappelijke ondersteuning van specifieke kwetsbare groepen, zoals
gehandicapten, ouderen en chronische psychiatrische patiënten. Dit is de
huidige Wet Voorzieningen Gehandicapten (WVG) plus enkele onderdelen uit de
huidige Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).6 Het laatste prestatieveld
bestaat uit voorzieningen voor maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en
huiselijk geweld (nu: doeluitkering Welzijnswet).
De wet kent dus geen
individueel toe te kennen voorzieningen waar burgers aanspraken aan kunnen
ontlenen. De WMO legt gemeente alleen
een algemeen kader op. De gemeenten kunnen een en ander wel in een
verordening regelen, en daarmee meer zekerheid aan burgers bieden, maar de
inhoud daarvan kan per gemeente verschillen.
Taken voor de gemeente
Globaal moeten gemeenten de
volgende dingen gaan doen:
- Een beleidsplan opstellen in
samenspraak met de inwoners van de gemeente, waarin vastgesteld is welk
algemeen WMO-beleid de gemeente
voert en welke voorzieningen de gemeente aanbiedt. Er komen voorschriften
voor de wijze waarop het College de gemeenteraad moet informeren, opdat
burgers en organisaties in staat zijn de prestaties van hun gemeente te
beoordelen en gemeenten onderling te vergelijken. Ook aan de rijksoverheid
moet informatie worden geleverd, opdat het Rijk kan volgen hoe het systeem
van de Wmo landelijk werkt, zowel
in financiële zin als wat betreft de effecten van het beleid.
- De voorzieningen voor
maatschappelijke ondersteuning toegankelijk maken via één loket (in
grotere gemeenten mogelijk op meerdere plekken).
- Zorg en welzijnsvoorzieningen
inkopen
- Afstemming bevorderen/ regie
voeren op het gebied van wonen, zorg en welzijn
De gemeenten moeten dus
niet alleen zorgen voor samenhangend beleid, maar ook voor samenhang in de
uitvoering van het aanbod.
2.2 Belangrijkste veranderingen als gevolg van de WMO
Veranderingen voor de burger
Er verdwijnen aanspraken uit de
AWBZ waar burgers via indicatiestelling door het RIO recht op konden doen gelden
(huishoudelijke verzorging, ondersteunende begeleiding en activerende
begeleiding) . Ook de zorgplicht in het kader van de WVG zal niet meer bestaan.
De gemeente zal in haar
beleidsnota vóór 2006 moeten aangeven waar burgers voor een periode van 4 jaar
op kunnen rekenen. Ook de (beperking van de) toegang tot de voorzieningen op de
genoemde prestatievelden wordt in de gemeentelijke beleidsnota vastgelegd. Omdat
zowel Wvg als delen van de Welzijnswet in hun huidige vorm komen te vervallen
leidt dit tot een ingrijpende herijking aan een budgetomvang die nu nog niet
(volledig) bekend is.
De keuze tussen individuele
en/of collectieve voorzieningen kan per gemeente gaan verschillen en zal sterk
door budgettaire overwegingen worden bepaald.
Veranderingen voor de aanbieders
Door de veranderingen in wet- en
regelgeving en onder druk van de markt worden aanbieders van zorg en welzijn in
een andere ordening gedwongen.
Zorgaanbieders zijn nu
verzekerd van afname van hun producten in onderhandeling met het Zorgkantoor.
Dit gaat al vanaf 2005, maar zeker vanaf 2006 veranderen. Afhankelijk van de
aard van de producten moeten zij zaken doen met de zorgverzekeraar, het
zorgkantoor of de gemeente/stadsdelen. Zorgaanbieders en ook
welzijnsorganisaties krijgen meer dan nu het geval is te maken met concurrentie
en specifieke prestatie- en kwaliteitseisen.
Veranderingen voor de
gemeente/stadsdelen
De WMO
geeft aan gemeenten de verantwoordelijkheid om een vangnet van voorzieningen te
creëren voor burgers die niet in staat zijn voor zich zelf te zorgen en die
niet beschikken over een ondersteunend netwerk. Dat biedt overigens ook de kans
om de zaken die op dit moment nog onder drie regimes (welzijn, WVG en AWBZ)
vallen en min of meer historisch zijn gegroeid, opnieuw te bezien en te werken
aan een meer samenhangend pakket van ondersteunende diensten. Daarnaast moet de
gemeente de civil society versterken: zelfredzaamheid, onderlinge hulp en
participatie bevorderen door de ontwikkeling van lokale structuren te
bevorderen. Dat is overigens niet zo nieuw; gemeenten doen al van alles op het
gebied van bevordering van participatie, verbetering van leefbaarheid en
stimuleren van vrijwilligerswerk en mantelzorg. Een verschil is dat dergelijke
activiteiten nu meer dan voorheen in het teken staan van het voorkomen van een
beroep op voorzieningen.
Voor gemeenten is met de
komst van de WMO wel een veelheid van
rollen weggelegd op het gebied van beleidsontwikkeling, regie, planning van
voorzieningen, de toegang tot voorzieningen, financiering, inkoop en
contractering van zorg en informatievoorziening. Dit zal organisatorische
aanpassingen en een ontwikkeltraject voor stad en stadsdelen vergen.
2.3 Financiële risicos
De financiering van de
taakuitbreiding in het kader van de WMO
kent nog veel onduidelijkheid en biedt in ieder geval risicos.
Naar verwachting zal
financiering van de WMO plaats vinden
door toevoeging aan het gemeentefonds. De toevoeging zal gebaseerd zijn op de
uitgaven die gemoeid zijn met de uitgaven voor de onderdelen die vanuit de AWBZ
zullen worden overgeheveld. Of er daarnaast een uitvoeringsbudget aan gemeenten
wordt toegekend of dat de uitvoeringskosten binnen de bestaande middelen moeten
worden opgevangen is nog onduidelijk. Ook is onduidelijk of rekening zal worden
gehouden met typische grote stads-problematiek (veel lage inkomens, slechtere
gezondheid, meer multiprobleemsituaties, geringe sociale cohesie).
De Raad voor de Financiële
Verhoudingen (RFV) heeft becijferd dat de kosten voor de WMO
uitkomen op 5,6 miljard euro, terwijl het totaal van het gemeentefonds op dit
moment 12,2 miljard bedraagt. De RFV stelt dat de WMO
grote potentiële risico's met zich meebrengt: het gevaar is groot dat de WMO-uitgaven
de overige uitgaven uit het gemeentefonds te zeer wegdrukken. De Raad pleit er
nadrukkelijk voor de rijksmiddelen die gemeenten voor de WMO
krijgen te vestrekken via een tijdelijke doeluitkering, in ieder geval voor wat
betreft het AWBZ-deel van 1,6 miljard euro.
Er wordt op dit moment nog
onderhandeld tussen Het Rijk en de VNG over de omvang van het over te hevelen
bedrag, de groeivoet en verdeling over de gemeenten. Het zou voor Amsterdam
behoorlijk nadelig kunnen uitwerken als het over te hevelen bedrag gebaseerd
wordt op het huidige gebruik van AWBZ-zorg en de vraagontwikkeling op korte
termijn. Immers, het aantal ouderen neemt in Amsterdam
pas na 2015 sterk toe zal vanaf dat moment ook lang op een hoog niveau blijven.
Alles wijst erop dat
rekening gehouden moet worden met een versobering van zorgarrangementen en met
een groter beroep op de eigen (financiële) verantwoordelijkheid van burgers.
Het zal in ieder geval ook betekenen dat keuzes gemaakt moeten worden, zowel ten
aanzien van de rol die de gemeente wil spelen als ten aanzien van de aard en
omvang van de voorzieningen waar burgers een beroep op kunnen doen. En dat heeft
weer consequenties voor de sturingsmodellen die gekozen worden.
2.4 Reacties diverse partijen
Sinds het verschijnen van de
Contourennota in april zijn talloze reacties verschenen over de WMO.
Bijlage 5 geeft een impressie van de de belangrijkste standpunten. Het geheel
overziend kan geconcludeerd worden dat de WMO
behoorlijk kritisch is ontvangen. Bijna alle partijen kunnen zich wel vinden in
de grondgedachte van de WMO, maar
vinden dat in de wet onvoldoende oog is voor de positie van cliënten; de WMO
biedt onvoldoende garanties dat kwetsbare groepen een beroep kunnen doen op een
samenhangend pakket van voorzieningen. Gevreesd wordt voor rechtsonzekerheid en
rechtsongelijkheid. Ook over de betaalbaarheid voor de burgers en de cumulatie
van eigen bijdragen worden bezorgde geluiden gehoord. Verder wordt gesteld dat
er te gemakkelijk van uit wordt gegaan dat de civil society in positieve zin kan
worden beïnvloed. Volgens velen is de WMO-contourennota
te optimistisch over het potentieel aan mantelzorg; de groei is er al uit en
veel mantelzorgers zijn al overbelast. Er wordt wisselend gedacht over de vraag
of de gemeente wel in staat is om een samenhangend pakket van ondersteunende
diensten te bieden. De aandacht wordt gevraagd voor kwaliteitsbewaking en
transparante toetsing. Bijna alle partijen zetten vraagtekens bij de
toereikendheid van de middelen en zijn er geen voorstander van dat de over te
hevelen middelen worden toegevoegd aan het gemeentefonds; beter is het om voor
de individuele voorzieningen in ieder geval voorlopig een doeluitkering te
hebben.
Ontvangst WMO
in Amsterdam
SIGRA (Samenwerkende
instellingen voor gezondheidszorg in de regio Amsterdam)
De Sigra vreest voor de
rechtszekerheid van klanten. Als organisatie van aanbieders wijst zij op het
belang van kwaliteitseisen aan aanbieders en pleit zij voor efficiency en zo min
mogelijk bureaucratie.
Integrale indicatiestelling
moet gewaarborgd zijn.
APCP, SGOA en COSBO (Amsterdams
patiënten/consumenten organisaties)
De patiënten- en
consumentenorganisaties hechten sterk aan gelijkheid in de stad wat betreft het
individuele pakket, de inrichting van loketten en de klachtenprocedures. Men is
bezorgd over de geïntegreerde indicatiestelling nu de indicatiestelling voor de
AWBZ wordt gecentraliseerd per 1 januari 2005.
Conferentie Amsterdamse
Regiocommissies
Op 17 juni 2004 vond een
conferentie plaats van de Amsterdamse regiocommissies Ouderen, gehandicapten en
ggz. Ongeveer honderd representanten van cliënten, stadsdelen, aanbieders van
zorg en welzijn, DMO, Zorgkantoor en enkele deskundigen spraken over kansen en
voorwaarden bij invoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO).
Vanuit concreet uit de praktijk beschreven situaties van cliënten is met de
genoemde diversiteit aan invalshoeken nagegaan welke knelpunten en mogelijkheden
de WMO kan opleveren. Conclusie van
deze conferentie was dat de deelnemers zeker kansen zagen met de komst van de WMO.
Het realiseren van deze kansen werd echter gekoppeld aan een aantal voorwaarden,
namelijk:
- Voldoende financiering.
Daarbij zal Amsterdam extra alert
moeten zijn: de meer dan evenredige aanwezigheid met mensen met
gezondheidsproblemen, de geconstateerde huidige onderconsumptie bij vele
migranten die onvermijdelijk de komende jaren tot een sterk stijgende vraag
zal leiden en de sterkere individualisering waardoor mantelzorg een geringer
draagvlak heeft in de grote stad leiden ertoe dat hier een hoger dan
gemiddeld niveau van professionele zorg en welzijn nodig zal zijn.
- Geoormerkte middelen: om de
financiële stroom te beheren zal een vorm van oormerking van het geld
(zeker in de eerste jaren) nodig zijn.
- Eén verordening: er moet een
basispakket van voorzieningen worden vastgelegd in een voor burgers en
stadsdelen geldende stedelijke verordening. Dat biedt een gelijke basis voor
alle Amsterdammers (met ruimte voor specifieke lokale toevoegingen) en het
geeft de burger de mogelijkheid om aanspraak te maken op de diensten die
voor hem cruciaal zijn. Een dergelijke stedelijke verordening is ook een
goede vorm om stedelijke regie te voeren met eigen
uitvoeringsverantwoordelijkheid bij de stadsdelen.
- Efficiënte toegang en
informatie. Omdat de WMO een
verdere voortzetting is van de lijn naar vraagsturing en uitgaat van een
mondige burger, is het erg belangrijk snel vordering te maken met verbeterde
informatievoorziening over het (stedelijk en buurtgericht) beschikbare
aanbod en het organiseren van cliëntondersteuning voor al die cliënten die
minder zelfstandig en mondig zijn.
- Waar nodig indiceren, maar zo
min mogelijk bureaucratie. Bij een grotere verantwoordelijkheid voor het
verdelen van schaarse diensten, zal de druk op een vorm van
indicatiestelling toenemen. Daarbij moet bureaucratie worden vermeden en zal
een rol moeten worden gegeven aan al die hulpverleners die in de eerste lijn
de contacten met hun cliënten hebben en hun behoeften kunnen inschatten.
Een uitgebreid verslag van
deze conferentie is opgenomen in bijlage 6.
3 VOORBEREIDING WMO
IN AMSTERDAM
Op dit moment is nog niet
duidelijk of de WMO er komt en of alle
elementen uit de Contourennota overeind zullen blijven. Onlangs zijn de 366
kamervragen die over de WMO zijn
gesteld beantwoord en op de site van het ministerie van VWS gepubliceerd. Na de
kamerbehandeling gepland op 9 december aanstaande - volgt nog een
wetgevingstraject. De kans dat de geplande invoeringsdatum van 1 januari 2006
wordt gehaald wordt alom als heel gering ingeschat. 1 januari 2007 wordt, gezien
de noodzakelijke voorbereidingen, als realistischer datum gezien. Of de WMO
er komt, daarover lopen de meningen uiteen. De inschatting is dat de WMO
er zal komen, maar dat ten opzichte van de contourennota mogelijk nog wat
wijzigingen zullen worden aangebracht, o.a. wat beftreft de financiering (van
alle kanten wordt gepleit voor een doeluitkering, in ieder geval voor het
AWBZ-deel) en wat betreft een landelijk geregeld individueel minimumpakket (met
name vanuit de hoek van patiënten/consumenten en de aanbieders wordt gepleit
voor rechtsgelijkheid waar het gaat om individueel toe te kennen voorzieningen).
In het hierna volgende
wordt in principe uitgegaan van de in de coutourennota genoemde invoeringsdatum
van 1 januari 2006 en van maximale beleidsvrijheid voor gemeenten (geen
landelijk voorgeschreven pakket en toevoeging van de middelen aan het
gemeentefonds).
3.1 Bestuurlijke en beleidsmatige uitgangspunten
De WMO
heeft aanzienlijke consequenties voor de organisatorische vormgeving en de
inhoud van de zorg en ondersteuning aan Amsterdammers en is op te vatten als een
majeure operatie. De gemeente Amsterdam
wil verantwoordelijk zijn voor een vangnet voor die Amsterdammers, die niet
zelfstandig in staat zijn de eigen gezondheid op peil te houden, de juiste zorg
te vinden en te participeren in de samenleving. Bij de uitvoering daarvan zijn
vele partijen betrokken: burgers, patiëntenplatforms, zorgverzekeraar,
zorgaanbieders, welzijnsinstellingen, andere dienstverleners, woningcorporaties,
enzovoort.
Tegelijkertijd moet rekening
gehouden worden met een versobering van zorgarrangementen en met een groter
beroep op de eigen (financiële) verantwoordelijkheid van burgers. Dat betekent
dat waar mogelijk getracht moet worden de doelmatige inzet van middelen te
bevorderen en de zorg zo efficiënt mogelijk te leveren. Het zal in ieder geval
ook betekenen dat keuzes gemaakt moeten worden, zowel ten aanzien van de rol die
de gemeente wil spelen als ten aanzien van de aard en omvang van de
voorzieningen waar burgers een beroep op kunnen doen. Ook moet een sterker
accent gelegd gaan worden op het bevorderen van zelfredzaamheid en het beter
toerusten van mensen om maatschappelijk te participeren.
Stadsdelen zullen, gezien
hun huidige taken en verantwoordelijkheden, een belangrijke rol spelen in de
uitvoering van de WMO in Amsterdam.
In de voorbereiding van de implementatie van de WMO
is echter ook een adequate centrale regie noodzakelijk, omdat het gaat om de
implementatie van een nieuwe wet waaraan bovendien de nodige financiële risicos
verboden zijn.
Gezien de impact van alle
veranderingen is het van belang dat de burger - en diens behoeften én
mogelijkheden - centraal gesteld wordt; die moet weten waar hij wel en niet op
kan rekenen bij de afweging om (langer) zelfstandig te blijven wonen. Wanneer de
burger centraal staat, dan verdienen de volgende uitgangspunten de grootste
prioriteit bij de implementatie van de WMO:
- De burger staat centraal en
moet weten waarop hij kan rekenen.
Willen mensen (langer) zelfstandig blijven wonen, dan moeten zij weten op
welke zorg en diensten ze kunnen rekenen. Een bestuurlijke
inspanningsverplichting van gemeente of stadsdeel
biedt onvoldoende zekerheid aan kwetsbare groepen. Naarmate voorzieningen
nauwer moeten aansluiten op de individuele zorgvraag van de burger en
burgers zonder die voorzieningen niet zelfstandig zouden kunnen wonen, ligt
het meer voor de hand om de aard van en toegang tot de voorzieningen in de
hele stad hetzelfde te regelen. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld thuiszorg,
alarmering, huishoudelijke hulp en woningaanpassingen. Naarmate activiteiten
meer gericht zijn op grotere groepen en/of in het algemeen een bijdrage
leveren aan de zelfredzaamheid van burgers, de sociale participatie en
onderlinge hulp, is het van belang dat aansluiting wordt gezocht bij lokale
verbanden en is het logisch dat er verschillen bestaan tussen stadsdelen.
- Optimalisering van de
verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen centrale stad en
stadsdelen.
Invoering van de Wmo betekent dat
er één wettelijk kader komt voor zaken die eerst onder 3 regimes vielen:
de AWBZ wordt op dit moment regionaal uitgevoerd, de WVG stedelijk en de
meeste welzijnstaken worden door de stadsdelen uitgevoerd. Uitgaande van de
keuze de burger centraal te stellen en het streven die burger beter te
bedienen dient een kritische bezinning plaats te vinden op wat de meest
optimale taakverdeling is tussen stad en stadsdelen en de daarmee
samenhangende verdeling van geldstromen.
- De toegankelijkheid van de
voorzieningen moet goed geregeld zijn.
Voor burgers moet helder zijn welke voorzieningen er zijn en waar ze te
krijgen zijn. Dat vergt adequate informatievoorziening, goed functionerende
loketten op lokaal niveau en cliëntondersteuning voor die cliënten die
moeite hebben hun weg te vinden. In de loketontwikkeling, zoals die in het
kader van het bestuursakkoord wordt opgepakt, zal het accent meer moeten
komen te liggen op een uniforme aanpak, zowel wat betreft de vraag welke
voorzieningen allemaal achter het loket schuilgaan als wat betreft de te
gebruiken registratiesystemen en ICT.
- Efficiënte en doelmatige
inzet van middelen.
De omvang van de middelen die beschikbaar komen voor de WMO
is nog niet bekend, maar er kan van uit gegaan worden dat de financiën
beperkt zullen zijn. Als het streven is om in Amsterdam
zoveel mogelijk mensen die daarop zijn aangewezen een passend aanbod van
voorzieningen te doen, dan dient goed te worden nagegaan waar
doelmatigheids- en efficiency winst te boeken is. Zo kan het voordelig
uitpakken om sommige producten centraal in te kopen of met een aantal
stadsdelen bepaalde collectieve voorzieningen in stand te houden. Daarnaast
dienen ook aan de vraagzijde heroverwegingen te worden gemaakt, bijvoorbeeld
in de vorm van herijking van toegangscriteria en introductie van
inkomensgrenzen.
- Zo min mogelijk bureaucratie.
De WMO brengt ook een
verantwoordingsplicht met zich mee. Het Rijk zal de eerste jaren willen
volgen wat gemeenten in het kader van de WMO
doen; daarnaast dient de gemeente verantwoording af te leggen aan haar
burgers. Verder is van belang dat in het hele proces voldoende informatie
beschikbaar is om te sturen. Deze drie verschillende informatiebehoeften
wijzen alle in de richting van de noodzaak om procesinformatie te verzamelen
en aan behoefte- en gebruiksregistratie te doen. Tegelijkertijd moet
bureaucratie vermeden worden. Dat vraagt om een heldere formulering van
welke informatie het meest wezenlijk is en om een goede afstemming van de
diverse in gebruik zijnde registratiesytemen (in de loketten, in de AWBZ, in
de WVG, bij de wijkposten).
- Beperking van financiële
risicos.
De WMO brengt aanzienlijke
verschuivingen teweeg in de beschikbare financiële middelen,
verantwoordelijkheden en risicos. Het is dan ook van belang dat goed in
kaart gebracht wordt welke geldstromen er allemaal omgaan in de onder de WMO
vallende sectoren. Ook de vraagontwikkeling en de patronen van gebruik zowel
op korte als op langere termijn, dienen goed in het oog gehouden te worden
opdat fluctuaties en mogelijke overschrijdingen kunnen worden voorzien en
tijdig maatregelen (in de vorm van adequate sturingsmodellen) getroffen
kunnen worden.
3.2 Inventarisatie
relevante themas en activiteiten
Gemeenten moeten in het kader van de WMO
een 4-jarige nota opstellen waarin staat welk beleid ze gaan voeren op het
gebied van de in de WMO onderscheiden
prestatievelden. Besturen van stad en stadsdelen zullen dan de volgende zaken
helder moeten hebben:
- De aard en omvang van de
voorzieningen waar burgers een beroep op kunnen doen. Duidelijk moet zijn
wie welke voorzieningen krijgt (toegangscriteria) en of er sprake is van
eigen bijdragen. Dit kán zijn beslag krijgen in een verordening (zoals nu
voor de WVG geregeld is), maar dat wordt in de WMO
niet dwingend voorgeschreven. Consequenties van ontwikkelingen in de AWBZ én
in de per 1 januari 2006 in te voeren zorgverzekeringswet dienen nauwlettend
te worden gevolgd.
- Hoe de toegang tot
voorzieningen wordt geregeld; de toegang moet laagdrempelig zijn, loketten
moeten zo zijn ingericht dat burgers daar voor hun eerste zorgvraag terecht
kunnen. Welke voorzieningen moeten achter een loket schuilgaan? Alleen zorg
en ondersteuning of ook inkomensvoorzieningen? Hoe wordt indicering
vormgegeven?
- De organisatie en inkoop;
doordat de delen van de AWBZ worden overgeheveld komt er een belangrijke
inkoopfunctie bij. Van belang is dat gewerkt wordt met heldere
productomschrijvingen en dat geïnvesteerd wordt in kostprijsonderzoek. Het
zogenoemde WILL-project biedt hier de nodige aanknopingspunten voor. Reeds
opgebouwde expertise met aanbestedingsprocedures (zoals reïntegratietrajecten,
WVG) dient zoveel mogelijk te worden benut.
- De financiering (welke
geldstromen vallen allemaal onder de WMO;
wat is de vraagontwikkeling; wat zijn de totale kosten gegeven een bepaald
voorzieningenniveau; hoe wordt met eigen bijdragen omgegaan).
- De kwaliteit; hoe wordt de
kwaliteitscontrole en klachtafhandeling vormgegeven, moet er sprake zijn van
visitaties, inspectie?
- Organisatie en capaciteit:
welke organisatie- en uitvoeringscapaciteit is er nodig, centraal en
decentraal, om de WMO op een
verantwoorde en doelmatige wijze uit te voeren? Denk aan de bemensing van
loketten, de benodigde capaciteit voor inkoop en aanbestedingsprocedures,
registratie/ict, indicatiestelling, klachtafhandeling en bezwaarprocedures.
- Communicatie: de
communicatie/informatie met en naar alle relevante partijen van essentieel
belang voor een succesvolle implementatie van de WMO.
Op basis daarvan vallen
de volgende deelprojecten te onderscheiden:
|
Deelproject
|
Relevante themas
|
Activiteiten/werkzaamheden
|
Resultaten
|
Betrokken
partijen/diensten
|
|
1) Inhoud pakket &
toegangscriteria
|
Wat voor hele stad
afspreken, wat is stadsdeel
specifiek
Wel/niet in verordening
regelen
Verhouding individuele
/collectieve voorzieningen
Relatie met mantelzorg
en vrijwilligerswerk
Herijking inhoud en
criteria Wvg en basispakket
Herijking
AWBZ-elementen
Wel/niet
indicatiestelling
|
In kaart brengen huidig
aanbod (welzijn, Wvg en delen AWBZ)
In kaart brengen
omvang, knelpunten en mogelijkheden mantelzorg, vrijwilligerswerk
Vraagverkenning diverse
doelgroepen
Formuleren pakket van
voorzieningen inclusief toegangscriteria
Afweging
collectief/individueel
Ontwikkeling toetsings/-indicatieprocedures
|
4-jarige nota
Verordening of
convenant waarin inhoud pakket inclusief criteria en procedures is
neergelegd, alsmede een relatie met collectieve voorzieningen,
mantelzorg en vrijwilligerswerk wordt gelegd.
|
DMO
BDA
Stadsdelen
GGGD
Sociale Dienst
ROA Jeugdhulp-verlening
Patiënten /consumenten
|
|
2) Financiering
|
Macrofinanciën (Rijk)
Meerkosten grote
stadsproblematiek
Verhouding centrale
stad /stadsdeelfonds
Monitoren gebruik en
vraagontwikkeling
Eigen bijdragen en
inkomensbeleid
|
In kaart brengen alle
relevante geldstromen, totale kosten (obv 1) en de financiële risicos
Onderzoek
inkomenseffecten voor cliënten
Afweging
sturingsmodellen
|
Inzicht in totale
gemeentelijke kosten en de financiële risicos op korte en de langere
termijn
Inzicht in de financiële
consequenties voor burgers
|
DMO
Stadsdelen
Concern Financiën
Sociale Dienst
GGGD
|
|
3) Organisatie &
inkoop
|
Doelmatige inkoop
Aanbesteden
Bevorderen van
marktwerking/concurrentie
|
Ontwikkeling bestekken
Verkennen veld van
aanbieders
Beoordelen offertes
Gunnen en contracteren
|
Beste koop
Doelmatige inzet
middelen
Meer marktwerking
|
DMO
Concern Inkoop
Stadsdelen
Sociale Dienst
|
|
4) Toegang
|
Loketten voor wonen,
zorg en welzijn
Reikwijdte loketten
Uniformiteit loketten
Participanten in
loketten
Randvoorwaarden
Registratie en ICT
Inbedding AWBZ-
indicatiestelling in lokale loketten
|
Kader voor loketten
aanpassen
Participanten in loket
opnieuw bezien
Afstemming
registratie-systemen en ICT op andere systemen
|
Goed geïnformeerde
burgers en goed toegankelijke zorg ondersteuning
Adequaat functionerende
loketten voor in ieder geval de WMO-
voorzieningen in elk stadsdeel
|
DMO
Stadsdelen
Sociale Dienst
Zorgkantoor
Aanbieders
CIZ/T&M
|
|
5) Kwaliteit (borging
en toetsing)
|
Kwaliteitscriteria
Klachtenprocedures
Nut/noodzaak visitaties
Nut/noodzaak inspectie
|
Ontwikkeling
kwaliteitseisen voor de producten (project 1)
Regelen
klachtafhandeling
Overwegen andere vormen
van kwaliteitsbewaking
|
Vastgelegd
kwaliteitsbeleid, heldere criteria en toetsingsprocedures
|
DMO
Stadsdelen
Aanbieders
Patiënten/ consumenten
|
|
6) Planning,
Organisatie en Communicatie
|
Benodigde uitvoerings-
en beleidscapaciteit bij centrale stad en stadsdelen
Op welke wijze kan de
voorbereiding en uitvoering van de WMO
het best georganiseerd worden
Interne communicatie
(tussen deelprojecten, projecten-stadsdelen, ambtelijk-bestuurlijk,
etc.).
Externe communicatie
(burgers, aanbieders, andere betrokken partijen)
|
Inventarisatie
noodzakelijk uit te voeren werkzaamheden voor centrale stad en
stadsdelen
Afweging diverse
organisatiemodellen o.b.v. de geformuleerde uitgangs-punten
Communicatieplan maken
Uitvoeren
communicatieplan
|
Raming benodige
organisatie- en uitvoeringscapaciteit bij centrale stad en stadsdelen
Blauwdruk voor
organisatie en uitvoering WMO
Alle partijen en
belanghebbenden zijn op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen
en mijlpalen in de voorbereiding en implementatie WMO
|
DMO
Stadsdelen
Concern Financiën
|
De bovengenoemde
projecten en onderwerpen staan niet op zichzelf maar zijn onderling sterk
verweven. Immers, naarmate de inhoud van het pakket breder is en de doelgroepen
breder, heeft dat hogere gemeentelijke kosten tot gevolg, tenzij in de vorm van
eigen bijdragen of anderszins de inkomsten worden verhoogd. De aard en omvang
van de voorzieningen hebben uiteraard ook invloed op de inrichting van loketten,
de inkoop- en aanbestedingsprocedures en het te voeren kwaliteitsbeleid.
Afhankelijk van het
ambitieniveau en de gekozen insteek van de gemeente kunnen de boven genoemde
deelprojecten meer of minder omvattend zijn en hebben de resultaten ervan meer
of minder grote gevolgen voor burgers, de gemeentelijke organisatie en voor
aanbieders. Grofweg zijn er drie scenarios mogelijk:
- Alleen iets regelen voor de
over te hevelen taken uit de AWBZ.
In dit scenario blijven de WVG-verordening en -beleidsregels van kracht;
wordt aan het welzijnsbeleid niets veranderd, maar wordt wel iets geregeld
voor de toegang, inkoop en toewijzing van (in eerste instantie)
huishoudelijke zorg en (later) begeleiding die uit de AWBZ worden
overgeheveld.
- Opnieuw formuleren wat je als
gemeente als vangnet van individuele voorzieningen wil bieden op het gebied
van zorg en ondersteuning. Het feit dat er zaken uit de welzijnswet, de WVG
en de AWBZ onder één regime worden ondergebracht biedt de mogelijkheid om
het pakket te herijken en meer samenhang aan te brengen tussen de
verschillende voorzieningen. Het opnieuw formuleren van een gemeentelijk
voorzieningenpakket kan ook aanleiding geven tot het heroverwegen van min of
meer historisch gegroeide subsidiestromen en het aanbesteden van allerlei
producten vergemakkelijken.
- Opnieuw formuleren wat je als
gemeente als vangnet van individuele en collectieve voorzieningen wil bieden
op het gebied van zorg en ondersteuning, dit in relatie tot inclusief
beleid, waarbij tevens een verbinding wordt gelegd met het bevorderen van
zelfzorg, mantelzorg en vrijwilligerswerk. Wanneer het doel is voorzieningen
in stand te houden voor mensen die daarop echt zijn aangewezen, dan ligt het
voor de hand om juist in het voortraject van de vraag naar zorg en
ondersteuning te investeren: het algemeen beleid, de inzet van mantelzorg en
vrijwilligers en het bevorderen van sociale cohesie in het algemeen. Een
grotere inzet op inclusief beleid en het bevorderen van min of meer
informele steunstructuren kan er toe leiden dat het beroep op formele
dienstverlening beperkt blijft.
Uiteraard zijn ook
tussenvarianten mogelijk of kan gekozen worden voor een groeimodel, waarbij
eerst iets geregeld wordt voor de nieuwe taken (1) en pas daarna het hele
gemeentelijke pakket geherstructureerd wordt (2 en 3).
Hoe het ook zij en wat voor
scenario ook gekozen wordt, er zijn op dit moment (veelal kwetsbare) burgers die
sterk afhankelijk zijn van allerlei soorten zorg en ondersteuning. Dat betekent
dat tijdens de implementatie van de WMO
behoedzaam geopereerd moet worden. Voorkomen moet worden dat er mensen tussen
wal en schip gaan vallen. Uiteraard kan aan mensen zie nu AWBZ-zorg krijgen niet
op voorhand gegarandeerd worden dat ze onder de WMO
exact dezelfde voorzieningen krijgen, maar mensen moet wel duidelijkheid geboden
worden over waar ze wél op kunnen rekenen. Verder geldt dat ook bij een
complete herijking van het pakket (scenario 3), de dagelijkse zorg en
dienstverlening aan burgers daar niet onder te lijden mag hebben. Met andere
woorden: tijdens de verbouwing moet de winkel open blijven.
3.3 Planning
In de contourennota wordt
uitgegaan van invoering van de WMO per
1-1-2006. Wanneer dat als uitgangspunt genomen wordt, dan levert dat het
volgende beeld op voor de planning:
|
Deelproject
|
Mijlpalen
|
Planning
|
|
1) Inhoud pakket en
toetsingscriteria
|
Voorstellen voor inhoud
pakket en criteria
4-jarige nota
evt. verordening
|
Medio 2005
December 2005
December 2005
|
|
2) Financiering
|
Overzicht geldstromen
(centrale stad, stadsdelen, AWBZ, rijksmiddelen)
Raming kosten o.b.v.
inhoud pakket en vraagontwikkeling
Vaststellen eigen
bijdragenregeling
|
Eind 2004
Medio 2005
December 2005
|
|
3) Organisatie &
inkoop*
|
Optuigen inkoopfunctie/
-bureau
Schrijven bestekken
Start
aanbestedingsprocedures
Tijdelijke regeling
voor huish. zorg en andere zorgvormen in 2006
|
Najaar 2005
2e helft 2005
Januari 2006
Januari 2006
|
|
4) Toegang
|
Nieuw kader voor
loketten wonen, zorg en welzijn
Afstemming ICT/registratie
Loketten klaar voor
uitvoering WMO
|
Januari 2005
2e helft 2005
1 januari 2006
|
|
5) Kwaliteit
|
Formulering
kwaliteitsbeleid
Vormgeving
klachten-procedures.visitaties, etc.
|
December 2005
Januari 2006
|
|
6 Planning,
organisatie,
Communicatie
|
Helderheid over
noodzakelijke organisatie- en uitvoeringscapaciteit bij centrale stad
en stadsdelen
Communcatie tijdens
voorbereidingsperiode
Communicatieplan voor
implementatie wmo
|
Najaar 2005
Continu
aandachtspunt
Najaar 2005
|
*: aanbestedingsprocedures
kosten veel tijd en kunnen nooit zijn afgerond op 1-1-2006. Immers, pas als de
inhoud van het WMO-pakket en de
kwaliteitscriteria bekend zijn kan een bestek geschreven worden. Voor een
aanbestedingsprocedure van een beetje omvang is minimaal 1 jaar nodig. Dat kan
betekenen dat voor 2006 de bestaande contracten van het zorgkantoor met
(thuis)zorgorganisaties worden overgenomen en dat ook voor WVG- en
welzijnsvoorzieningen de lijn uit voorgaande jaren wordt voortgezet.
Gesteld kan worden dat deze
planning, gezien de complexiteit van de problematiek en de betrokkenheid van een
veelheid van partijen, buitengewoon krap is. Voor een goed voorbereide
implementatie en voor het vermijden van diverse bestuurlijke en financiële
risicos zou een invoeringsdatum van 1-1-2007 te verkiezen zijn.
3.4 Financiering
De voorbereiding van de WMO
zal een fors beslag leggen op de beleids- en uitvoeringscapaciteit van centrale
stad en stadsdelen. Voor de voorbereiding van de WMO
heeft het College voor 2005 prioriteit voorgesteld aan de Raad voor extra
projectcapaciteit.
Op dit moment is nog
onduidelijk of aan gemeenten een invoerings- en/of uitvoeringsbudget voor de WMO
beschikbaar zal worden gesteld, en zo ja, hoe hoog dat zal zijn. De VNG heeft in
haar reactie op de contourennota een invoeringsbudget van 10% (van het
AWBZ-aandeel) bedongen en daarnaast structureel 20% voor uitvoering, indicering
en beleidscapaciteit. Er vinden op dit moment nog onderhandelingen plaats tussen
VNG en het ministerie van VWS.
3.5 Voorstel voor projectstructuur
De WMO
wordt in Amsterdam geïmplementeerd
onder de bestuurlijke eindverantwoordelijkheid en regie van wethouder Belliot en
in samenspraak en samenwerking met het Bestuurlijk Koppel Zorg.8 Het
positioneren van de eindverantwoordelijkheid bij de wethouder Zorg houdt verband
met het feit dat het de implementatie van een nieuwe wet betreft en er nog geen
duidelijkheid is over de financiering, zowel wat betreft de hoogte van het uit
de AWBZ over te hevelen bedrag, de voorbereidings- en uitvoeringskosten voor
gemeenten, als wat betreft de vorm (doeluitkering/gemeentefonds). Bovendien is
het college van B&W voor het Rijk de enige gespreks- en
onderhandelingspartner als het gaat om de voorwaarden voor implementatie van de WMO
en de hoogte van de over te hevelen middelen. De feitelijke implementatie en
bekostiging van de WMO in Amsterdam
is nadrukkelijk een gezamenlijke verantwoordelijkheid van stadsdelen en centrale
stad. Daarom zullen alle voorstellen aan de Raad met betrekking tot de
organisatorische vormgeving en uitvoering van de WMO
in het bestuurlijk koppel worden gebracht en vindt in gezamenlijkheid en
consensus besluitvorming plaats. Daar waar de voorstellen betrekking hebben op
de huidige taken van de stadsdelen (welzijnswet) is consensus nodig van alle
stadsdelen. Wanneer voorstellen nieuwe taken voor stadsdelen met zich
meebrengen, zal naar zoveel mogelijk consensus worden gestreefd.
Wethouder Belliot krijgt
van het College van B&W de opdracht om de voorbereiding van de WMO
ter hand te nemen en de beschreven deelprojecten verder uit te werken aan de
hand van de geformuleerde uitgangspunten. Zij betrekt via een bestuurlijk team
de wethouder Financiën daar waar financiële kwesties en risicos aan de orde
zijn en de wethouder Werk en Inkomen, Jeugd en Onderwijs, daar waar activiteiten
en onderwerpen elkaar raken en/of op elkaar van invloed zijn. In het Bestuurlijk
Koppel Zorg vindt bestuurlijke afstemming met/namens de stadsdelen plaats. Het
is wenselijk het bestuurlijk koppel uit te breiden met met name financiële
deskundigheid.
Onder eindverantwoordelijkheid
van de wethouder Zorg wordt bij DMO een projectleider aangesteld. De
projectleider bewaakt de voortgang van en de samenhang tussen de deelprojecten
en is daarop op elk moment aanspreekbaar voor stad en stadsdelen. De
sectormanagers van de stadsdelen vormen een klankbordgroep voor de projectleider
en dragen zorg voor de noodzakelijke ambtelijke afstemming tussen stadsdelen en
binnen het eigen stadsdeel.
Deelprojectleiders zijn
verantwoordelijk voor het realiseren van de inhoud en doelen van de
deelprojecten en sturen op tijd, geld en kwaliteit. In de deelprojecten wordt
samengewerkt met diverse partijen. Inbreng van stadsdelen moet in alle
deelprojecten goed geregeld zijn.
DMO is de coördinerende
dienst voor de voorbereiding van de WMO.
De projectleider komt in dienst van DMO en valt rechtstreeks onder de directie.
Tevens leveren DMO en stadsdelen capaciteit voor de uitwerking van de
deelprojecten.
In
schema:
De Wethouder Zorg is
verantwoordelijk voor bestuurlijk overleg/afstemming met bestuurlijk koppel,
aanbieders, zorgkantoor (BTOZ) en organisaties van patiënten/consumenten
De projectleider is
gesprekspartner voor (sector)hoofden van stadsdelen en de stedelijk opererende
betrokken partijen (zorgkantoor, koepel zorgaanbieders, etc.). Hij/zij bewaakt
de algehele voortgang en onderlinge samenhang en uitwisseling tussen de
deelprojecten
Deelprojectleiders zijn op
(deel) project niveau verantwoordelijk voor ambtelijk overleg/afstemming met
stadsdelen, aanbieders, zorgkantoor en patiënten/consumenten. De precieze
invulling van het trekkerschap per deelproject en de benodigde capaciteit is nog
onderwerp van nadere uitwerking en overleg.
Zodra bekend wordt of de WMO
doorgaat dient voor alle deelprojecten een helder plan van aanpak te worden
gemaakt, waaruit duidelijk wordt welke bestuurlijke beslismomenten er zijn,
welke kansen en risicos te onderkennen zijn en wanneer het eindresultaat
verwacht kan worden. Tevens moet duidelijk worden hoeveel menskracht en middelen
nodig zijn om de activiteiten uit te voeren. Daarna kan de ambtelijke capaciteit
worden ingepland en kunnen de deelprojecten van start.
Eén jaar na de start van
de voorbereidingen zoals beschreven in paragraaf 3.2 vindt een evaluatie plaats
van de voortgang van de deelprojecten, de adequaatheid van de projectstructuur
en de ingezette capaciteit en middelen, opdat tijdig bijstelling plaats kan
vinden.
Tot slot: uit het
voorgaande mag blijken dat de WMO als
hij er komt een majeure operatie is die een groot beslag zal leggen op de
personele en organisatorische capaciteit van stad en stadsdelen. Bovendien
worden diverse verschillend gepositioneerde geldstromen onder één wettelijk
kader gebracht en zullen middelen uit de AWBZ worden overgeheveld. Omdat de
inhoud van het pakket niet landelijk wordt vastgelegd en de middelen hoe dan ook
beperkt zullen zijn, is het van belang dat stad en stadsdelen voortvarend aan de
slag gaan om helder te formuleren op welke voorzieningen burgers kunnen rekenen,
welke zaken stadsbreed moeten worden afgesproken en welke themas
stadsdeelspecifiek zijn. Dat betekent dat stad en stadsdelen in hun begroting
reeds vanaf 2005 ruimte moeten reserveren om de voorbereiding van de WMO
ter hand te nemen.