
De naam Geuzenveld
Geuzen= afkomstig van het Frans : gueux = bedelaar.
Oppositie in de Nederlanden tegen Filips II. Men onderscheidt de watergeuzen en de bosgeuzen. De watergeuzen zwierven rond in schepen, in 1568 kregen ze van Willem van Oranje hun kapersbrief. Ze namen in 1572 Den Briel in, dit was de aanleiding tot de definitieve opstand in de Noordelijke Nederlanden. De bosgeuzen of wilde geuzen waren rondzwervende calvinistische benden die zich schuilhielden in de bossen van Vlaanderen.
De naam Geuzenveld stamt zeer waarschijnlijk uit de tijd van de Reformatie. Vanaf 1566 houden opstandige protestanten hier, in het open veld, zogenaamde 'hagepreken'. Deze 'geuzen' veroorzaken tot het einde van de tachtigjarige oorlog veel problemen in dit gebied. Geuzenveld
ontleent zijn naam aan de plek waar in de 16de eeuw onboetvaardige gelovigen en
ketters ter aarde werden besteld.
De Westelijke Tuinsteden, waaronder Geuzenveld en Slotermeer, zijn onderdeel van het Algemeen Uitbreidingsplan van de veertiger en vijftiger jaren van de vorige eeuw. Het zand voor de fundamenten komt uit wat
later de Sloterplas zal worden. In 1990 vormen Geuzenveld en Slotermeer samen een stadsdeel.
De
naam Geuzenveld is ontleend aan een boerenhofstede, die heeft gestaan aan de
Haarlemmerweg op een afstand van 1300 a 1400 Rijnlandse roeden van de stad
Amsterdam, dus op een plaats, die thans een deel van de tuinstad is. Door hiaten
in het beschikbare archiefmateriaal is de oudere geschiedenis van de hofstede
niet bekend, maar daar de boerderij aan de Haarlemmerweg stond, is het moeilijk
aan te nemen dat zij ouder was dan 1631, toen deze weg werd aangelegd. Het
oudste gevonden bericht over de boerderij "Geusevelt" dateert van 6 december
1709, toen er een transactie plaats vond tussen de erfgenamen van een vroegere
eigenaar.
Hoe de hofstede aan haar naam is gekomen blijft een geheim. De naam was
ongetwijfeld al voor de bouw van de boerderij verbonden aan het terrein en de
meest waarschijnlijke veronderstelling is nu, dat de naam iets te maken heet
gehad met hagepreken, die in 1566 en 1567 in de omgeving van Amsterdam zijn
gehouden en misschien ook daar op een plaats, die door de herinnering aan die
bewogen jaren sindsdien als Geuzenveld¹ werd aangeduid. Meer zekerheid hierover
zal echter wel nooit te krijgen zijn. Legendevorming brengt bovendien het gevaar
mede dat zij de gebeurtenissen waaruit zij haar oorsprong heeft gevonden,
vervormt tot iets onherkenbaars.
De naam
SLOTERMEER
Op 7 oktober 1952 bezocht koningin Juliana ter gelegenheid van de officiële opening van de nieuwe tuinstad Slotermeer één van de eerste gezinnen van die wijk in de Walraven van Hallweg 7.
Veel jonge gezinnen trokken uit de oude bedompte woningen van de 19de eeuwse wijken en de binnenstad van Amsterdam naar een lichte, zonnige en open woning in de nieuwe buitenwijken van Amsterdam. Een oase van rust met open woonblokken en heel veel groen in de open ruimtes.
De naam van de tuinstad
herinnert aan een bewogen periode uit de Nederlandse geschiedenis. Vanzelf denkt
met in verband met deze naam aan het beleg van Haarlem (1572-1573), toen het
agrarisch gebied tussen het IJ en het Haarlemmermeer van strategische betekenis
was. De IJdijk was voor het Spaanse leger de verbindingsweg met zijn basis, de
stad Amsterdam, die zich in 1572 niet bij de opstand had aangesloten. Het
Haarlemmermeer was de toevoerweg voor de belegerde stad, die zich ten slotte
moest overgeven, toen deze weg voor haar was afgesloten. Natuurlijk hebben de
dorpen tussen het meer en het IJ in die tijd veel te lijden gehad van de
oorlogshandelingen, waarvan weinig bekend is en waarvan dientengevolge de
legende zich heeft meester gemaakt.
De wijk Slotermeer is gebouwd vanaf 1951 en de eerste woningen werden in het najaar van 1952 in gebruik genomen. De naam van Slotermeer is ontleend aan het gelijknamige meer dat vroeger in deze omgeving lag.
Naar het IJ, dat pas in 1876 werd drooggemaakt, liepen zijriviertjes uit
zuidelijke richting. De Amstel, naamgever van Amsterdam, is het meest bekend.
Het Spaarne, waar Haarlem aan ligt, behoort ook hiertoe. Ook de Sloot, of
Slooter was een zijriviertje van het IJ. Toen de veenwildernis ten oosten van
Haarlem vanaf de 11e eeuw gekoloniseerd werd, ontstond aan dit riviertje de
nederzetting Sloton. De oudste vermelding hiervan is uit 1063. Omstreeks 1175
kwam het dorp Sloten op zijn huidige locatie te liggen.
Het riviertje verbreedde zich door oeverafslag tot een meer, het Slootermeer.
Daar waar het riviertje in het IJ uitkwam werd een dam gelegd, als onderdeel van
de Spaarndammerdijk. Hier ontstond de nederzetting Slooterdam, later werd dit
het dorp Sloterdijk, waar vanaf de tweede helft van de 15e eeuw ook een kerk
stond. Het dorpsbestuur verwierf in 1479 de visrechten op het Slootermeer. In
1639 werd besloten het meer, dat 's zomers nogal eens droog stond, in te
polderen. De pachters van grond in de polder kregen de verplichting jaarlijks
aan de kerk te Sloterdijk een uitkering te doen. De drooglegging was in 1644
gereed, maar tussen 1647 en 1726 hernam het water zesmaal zijn oude rechten
nadat het de dijk had doorgebroken. Telkens werd de Sloterdijkermeerpolder met
een poldermolen weer drooggemalen.
De grootste overstromingsramp vond plaats op 29 november 1836, toen het hele
gebied tussen de Haarlemmermeer en de grens van de stad Amsterdam overstroomd
werd. Dit was de aanleiding ook het Haarlemmermeer in te polderen. Nadat de
gemeente Sloten in 1921 door Amsterdam was geannexeerd, werd in 1935 besloten
een groot deel hiervan te bebouwen volgens het Algemeen Uitbreidings Plan.
Hieruit zijn de Westelijke Tuinsteden voortgekomen. De lager dan het omliggende
gebied gelegen Sloterdijkermeerpolder werd tussen 1948 en 1956 uitgegraven ten
behoeve van de zandwinning. Hier ontstond de meer dan 30 meter diepe Sloterplas,
die dus de plaats heeft ingenomen van het vroegere Slotermeer.
Het voorstel om de eerste nieuwe tuinstad de naam 'Slotermeer' te geven, werd in
januari 1939 door de directeur van Publieke Werken aan B en W gedaan. Het
uitgewerkte plan voor deze tuinstad was toen klaar en het werd op 12 juli 1939
door de Raad zonder discussie of stemming goedgekeurd. De voorbereiding van de
uitvoering ging door, maar moest tijdens de oorlog stopgezet worden, waarna in
1951 de bouw alsnog kon beginnen. De tegenwoordige Sloterplas omvat niet de
gehele oppervlakte van het oude Slotermeer. Het noordelijk gedeelte van het oude
meer is niet vergraven, maar dit geschiedde wel met een strook aan de westzijde
van de plas, die nooit tot het oude Slotermeer had behoord. De omgeving van de
Burg. Hogguerstraat en Burg. Cramergracht ligt dus zowel in het vroegere
Slotermeer als in de huidige tuinstad Slotermeer.
Tuinstad-Slotermeer ontleent haar naam aan de voormalige Sloterdijkermeerpolder,
die thans weer tot water vergraven is en die derhalve voor het oog weer is
geworden het Slotermeer, zoals dit vijf eeuwen geleden reeds bestond. De
ouderdom van het Slotermeer is niet met zekerheid bekend. Wellicht bestond het
reeds in de 14e eeuw of vroeger. Vast staat in ieder geval, dat het dorpsbestuur
van Sloterdijk op 28 maart 1479, zoals blijkt uit een schenkingsbrief van Maria
van Bourgondie, het meer in eigendom verkreeg ,,tot profijt en onderhoud van de
kerke van Slooterdijk”. In feite betekende dit, dat de kerk in Sloterdijk het
visrecht in het meer verkreeg.
Op een kaart, die door Balthasar Florisz in de jaren 1610-1615 voor Rijnland is
gemaakt, komt het ,,Slootermeer” voor, waaruit blijkt, dat het in die tijd nog
door een zeer kronkelige waterloop ,,de Sloohter” en een sluis was verbonden
met de ,,den Ye’’ (het IJ) in de nabijheid van het toen reeds bestaande
dorpje Sloterdijk.
Aangezien het Slotermeer in droge zomers nogal eens droog kwam te staan, besloot
men in 1639 om het droog te leggen. Daartoe verkochten Schout en Schepenen en
Kerkmeesters het meer bij overeenkomst van 28 December 1639 aan Cornelis
Gerritsz.Van Dijck en meester Sybrant Albertz. Kort ,,om de selven Meer droogh
en tot Land te maeken”. Volgens deze overeenkomst zouden de kopers jaarlijks
aan de kerkmeesters voor iedere ,,morgen” dat het meer groot was een bedrag
van twee gulden en twee stuivers betalen.
Heden ten dage betaalt het bestuur van de Sloterdijkermeerpolder nog een bedrag
van f 200,- aan de Nederlandse Hervormde Kerk in Sloterdijk.
In 1642 kwam de drooglegging van het meer gereed. Nog tweemaal hernam het water
zijn oude rechten, nl. in 1660, toen de zeedijk langs het IJ tussen Amsterdam en
Halfweg doorbrak en later in 1703, toen door een Zuidwesterstorm het water van
de Haarlemmermeer zo hoog werd opgezweept, dat de kade op de Osdorperweg
bezweek.
Precies drie eeuwen na de drooglegging is men weer begonnen om de
Sloterdijkermeerpolder tot Slotermeer of Sloterplas, zoals de naam thans luidt,
te vergraven. Het water is dus weer vrijwel op zijn oude plaats gekomen.
Als een van de vier tuinsteden, welke in het Algemeen Uitbreidingsplan buiten de
Ringspoordijk in het westen van de stad ontworpen werden, wordt thans
Tuinstad-Slotermeer verwezenlijkt. In dit deel zullen ongeveer 10.000 woningen
gebouwd worden. Op 1 september 1952 kwamen de eerste woningen gereed.
Bij het opstellen van het Algemeen Uitbreidingsplan werd er naar gestreefd de
uitbreidingen een meer open karakter te geven dan voordien het geval was,
terwijl op grote schaal laagbouw zou moeten worden toegepast, opdat voor alle
bevolkingsgroepen het eengezinshuis mogelijk zou worden. In de uitbreidingen
binnen de Ringspoordijk tegen de bestaande stad aan, was de verwezenlijking van
de eengezinswoning niet meer mogelijk, daar tengevolge van speculatie de
grondprijzen hoog waren opgelopen. De hier geprojecteerde wijken werden daarom
voor de bouw in vier woonlagen bestemd, zij het dan, dat aan de openheid van de
wijken, aan de voorziening met groen, aan een goede zontoetreding tot de woning
en aan de woning zelve alle aandacht werd besteed.
Buiten de Ringspoordijk, waar de Gemeente reeds grond in een vroegtijdig stadium
kon aankopen, terwijl de overige terreinen door onteigening op grond van het
plan in onderdelen Slotermeer in handen kwamen, waren de grondprijzen lager. De
slechte hoedanigheid van de grond en het feit, dat deze grond opgehoogd moest
worden, maakten het echter economisch onmogelijk om uitsluitend de bouw van
eengezinswoningen in het plan op te nemen. Het type van de ,,gemengde” wijk
werd gekozen, d.w.z. dat een menging van eengezinshuizen en een bebouwing in
meer verdiepingen hier plaats zal vinden.
Bij de grote omvang van deze wijken - immers een wijk van 10.000 woningen telt
ongeveer 40.000 zielen - is elk deel in feite een kleine stad. Het gevaar zou
daarbij lang niet denkbeeldig zijn, dat een bouw met enkel eengezinshuizen op
deze schaal tot grote eentonigheid zou leiden. De dichtheid van de wijken
bewesten de Ringspoordijk zal thans gemiddeld 60 woningen per ha bedragen,
waarin winkels, openbare en bijzondere gebouwen, scholen e.d. begrepen
zijn.
Tuinstad-Slotermeer ligt in de noord-oostelijke hoek van het gebied buiten de
Ringspoordijk tegen de Haarlemmerweg aan. Het plan, dat in 1939 werd
vastgesteld, onderging bij de uitwerking van de verkaveling vele veranderingen.
De hoofdstructuur bleef echter ongewijzigd.
Tussen deze tuinstad en de bestaande stad ligt, binnen de Ringspoordijk, Bos en
Lommer. De hoofdwegen van Bos en Lommer worden rechtlijnig in
Tuinstad-Slotermeer doorgetrokken en veranderen buiten de Ringspoordijk alleen
van naam. Deze wegen bepalen de structuur van het plan. Het verlengde van de Bos
en Lommerweg - Burgemeester De Vlugtlaan geheten - vormt de verbinding met het
hart van Bos en Lommer en de Haarlemmerweg; het verlengde van de Jan van
Galenstraat - de Burgemeester Röellstraat - wordt de verbindingsweg, tevens
uitvalsweg, van de bestaande stad naar de Tuinsteden Slotermeer en Geuzenveld,
alsmede naar de werkgebieden in de havens en naar Haarlem. Hij sluit daarvoor in
Tuinstad-Geuzenveld aan op de noord-zuid gerichte zeer belangrijke ringweg die
de havens met het zuiden en het oosten van de stad zullen verbinden. De genoemde
Burgemeester Röellstraat zal in verband met het feit, dat zij het karakter van
grote verkeersweg zal dragen, verschillende viaducten verkrijgen voor het
dwarsverkeer en slechts op één enkel punt à niveau door andere wegen worden
gekruist; de tram zal er op eigen baan komen te liggen; de fietspaden liggen er,
evenals in de Burgemeester de Vlugtlaan, van de rijweg gescheiden.
De derde belangrijke weg, de Slotermeerlaan, welke eveneens als een
structuurbepalende factor bij het ontwerpen van het plan heeft gegolden, zal de
woonwijken in Tuinstad-Slotermeer met het grote recreatiegebied om de Sloterplas
verbinden. Opgemerkt zij nog, dat de belangrijke Jan Evertsenstraat in het
bestaande West eveneens zal worden doorgetrokken en wel naar de Sloterplas, waar
zij als een prachtige boulevard langs de ‘kop’ zal worden gevoerd, aan de
landzijde geflankeerd door enige hoge flatgebouwen.
Het zou onwezenlijk voor Amsterdam zijn, indien Tuinstad-Slotermeer niet ook
enige belangrijke grachten kreeg. Zij zijn voor de waterberging noodzakelijk. De
Erasmusgracht wordt als vaarweg tot in het hart van Tuinstad-Slotermeer
doorgetrokken onder de naam Burgemeester van Tienhovengracht; zij eindigt daar
in een grote havenkom. De overige grachten en singels liggen, evenals de
Sloterplas, op polderpeil, daar het, om later te noemen redenen, nodig geacht
werd, West buiten de Ringspoordijk op polderpeil aan te leggen.
Zij zullen op één plaats, n.l. in de gracht evenwijdig met de spoordijk, via
een sluis met het stadswater verbonden zijn.
De nieuwe tuinstad zal bij een dichtheid van bebouwing van ongeveer 60 woningen
per ha rond 10.000 woningen bevatten, waarvan ± 6750 woningen in een hoge bouw
van vier en meer verdiepingen zullen worden gebouwd en ± 3250 als
eengezinshuizen zal als duplexwoning worden ingericht, waardoor tijdelijk een
verhoging van het aantal woningen wordt verkregen. Vijf procent van het aantal
woningen, derhalve ± 500, wordt voor winkel bestemd.
Voor het uiterlijk aspect van de wijk, in het bijzonder voor de ruimte en
openheid, betekenen de rond 30% eengezinshuizen méér dan dit percentage doet
vermoeden. De laagbouw is zoveel mogelijk in grote complexen aaneen ontworpen,
waardoor deze gebieden als laagbouwwijken het meest tot hun recht zullen komen.
Van de oppervlakte bouwterrein zal ten naaste bij slechts een derde bezet zijn
met hoge bouw en twee derde met laagbouw. Alleen reeds op grond van deze
verkaveling zal de wijk een tuinstadkarakter vertonen.
De hoogbouwcomplexen zijn geconcentreerd nabij de hoofdverkeerswegen en het
belangrijke centrum van Tuinstad-Slotermeer. Hierdoor wordt verkregen, dat een
zo groot mogelijk deel van de bevolking op korte afstand van de openbare
vervoermiddelen gehuisvest is. Zeer hoge woonbebouwing zal op bepaalde, daartoe
gekozen situaties, aan de wijken een bijzonder accent verlenen.
De bebouwing is in hoofdzaak bestemd voor de huisvesting van arbeidersgezinnen
en kleine middenstand. Ongeveer 5% van het aantal woningen wordt, hetzij als
woongebouw, hetzij als eengezinswoning, bestemd voor ouden van dagen. Het ligt
in de bedoeling, de zeer hoge flatbebouwing voor het merendeel te bestemmen voor
bijzondere doeleinden, zoals het onderbrengen van kinderloze gezinnen,
alleenwonenden, e.d.
De onderlinge afstand van de bouwstroken is steeds zodanig, dat een goede
zontoetreding tot de woning gewaarborgd is. Normale strokenbouw wordt
afgewisseld met de z.g. hovenbouw. Parkstroken verdelen het plan in
verschillende gedeelten en zijn steeds gemakkelijk bereikbaar. Bij de woningen
zijn afwisselend de eigen tuin of de gemeenschappelijke tuin ontworpen.
In elk deel van Tuinstad-Slotermeer - de verschillende buurten variëren van 650
tot 1700 woningen - liggen de scholen, die hierbij nodig zijn, alsmede winkels,
cafés, verzorgingsbedrijven, garages en garagebedrijven. De kerken voor de
verschillende gezindten liggen over het hele plan verspreid. Speelplaatsjes en
speeltuinen zijn in een voldoend aantal ontworpen. In de groenstrook langs de
Ringspoordijk zijn schoolwerktuinen geprojecteerd.
De structuur van iedere buurt afzonderlijk is zodanig, dat van de
hoogverkeersweg een locale weg aftakt, de buurt in. Bij deze aftakking zullen
uiteraard de haltes van de openbare vervoermiddelen liggen. Aan en bij deze
locale weg liggen de winkels, die voor de buurt in haar geheel van belang zijn;
enkele winkels ten behoeve van het dagelijks gebruik liggen door de buurt
verspreid. De locale weg vertakt zich in andere goed berijdbare wegen; van deze
takken de berijdbare woonpaden - dit zijn smallere wegen - en de woonpaden af.
In het hart van Tuinstad-Slotermeer, om de grote havenkom, ligt het centrum van
dit stadsdeel. Het culturele leven zal zich voornamelijk hier kunnen afspelen.
Het is de plaats waar een groot verenigingsgebouw, een bioscoop, een kleine
schouwburg, tentoonstellingsruimten, grote winkelmagazijnen, een bankgebouw e.d.
tot stand kunnen komen. Bij de haven is een ruim marktterrein aanwezig; een
café-restaurant zal hier ongetwijfeld een plaats vinden.
De nodige bedrijfsruimten in verband met de markt zijn ontworpen. Openbare
voorzieningen, zoals post, telefoon, politiebureau, brandweerpost enz. zullen
alle in de nabijheid van dit centrum gesticht kunnen worden.
Ten slotte zij nog opgemerkt, dat, behalve de 32 scholen, die voor de gehele
Tuinstad-Slotermeer nodig zijn, er nog plaats voor een H.B.S., een
ambachtsschool en een huishoudschool gereserveerd is.
In het plan, dat aldus ontstaan is, zijn voor de bewoners verschillende
parkgebieden ontworpen. Zij liggen voornamelijk in oost-westelijke richting,
waardoor het mogelijk is, dat de bewoner, die naar de stad gaat, er zijn weg
door kiest; een parkstrook in noord-zuid-richting verbindt de tuinstad met de
Sloterplas. Zoals reeds werd opgemerkt, ligt langs de Ringspoordijk nog een
brede groenstrook, die nodig is om de bebouwing op voldoende afstand van het in
de toekomst te verwachten snelverkeer te houden. In deze strook liggen
schoolwerktuinen, speeltuinen e.d.
De grootste aantrekkelijkheid voor de tuinsteden ten westen van de stad zal
echter zijn de Sloterplas met het omliggende parkgebied. De plas heeft een
oppervlakte van 90 ha; hij is dus aanmerkelijk groter dan het Nieuwe Meer dat in
de huidige toestand ongeveer 65 ha groot is. Omdat de Sloterplas zeer diep zal
worden tengevolge van de zandonttrekking en hij een zandbodem zal hebben, zal
het water zeer zuiver zijn. Verontreiniging zal zoveel mogelijk worden geweerd
door het niet toelaten van motorboten. Daarnaast zal het feit, dat alleen
toegang tot de plas kan worden verkregen door een sluis, er eveneens veel toe
bijdragen om het water voor verontreiniging te behoeden
Ten behoeve van de zeilsport is aan de noordzijde van het meer een ruime
jachthaven ontworpen, waarbij plaats is gereserveerd voor de bouw van de daarbij
behorende botenhuizen. Aan de zuidzijde is een zelfde voorzieningen van kleinere
omvang gedacht. Verschillende eilanden langs de randen van de Sloterplas zullen
de zeilers de nodige aanlegplaatsen en ‘luwten’ bieden.
Aan de westelijke oever van de Sloterplas is het grote strandbad ontworpen, dat
uiteraard ook uit verdere verwijderde stadsdelen vele mensen zal trekken. Een
dichte beplanting zal dit strandbad tegen de heersende westenwinden beschermen.
Een zandstrand van ± 90 m breedte en ± 450 m lengte zal worden aangelegd,
geflankeerd door een speelweide, turnveld e.d. Vanaf het strand kan gezwommen
worden in de Sloterplas, welke hier ondieper wordt gehouden dan verderop. Deze
zwemgelegenheid zal bij de eilanden, die als afscherming dienen, drie meter diep
zijn. Een kinderbad wordt van het grote zwemwater afgescheiden. De nodige
outillage zal voor het gebruik aanwezig zijn. Verwacht wordt, dat het strandbad
op mooie dagen door 16 à 20.000 mensen tegelijkertijd bezocht zal kunnen
worden. Een café-restaurant met hoger gelegen terrassen zal de bezoeker over
bad en plas een mooi schouwspel bieden.
De parkgebieden rondom de plas zullen gedeeltelijk bebost worden. Speelweiden,
fiets- en voetpaden zijn ontworpen. Een lage heuvel met zeer brede voet zal aan
het park enig reliëf geven; de gedeeltelijk beboste hellingen zullen ook vanaf
de plas veel tot de schoonheid van het geheel kunnen bijdragen. Het park en het
meer zullen tezamen ± 240 ha groot zijn. Zij vormen een belangrijke bijdrage
tot de recreatie van het westen van Amsterdam.
Op deze oude plattegrond
uit de 18e eeuw is in het midden de Slooterdijkermeerpolder te zien die in 1644
werd ingepolderd en tussen 1948 en 1956 werd vergraven tot Sloterplas. Rechts
ligt Amsterdam, toen nog begrensd door de Singelgracht. Linksonder ligt de
Geerban met het dorp Sloten.
Naar het IJ, dat pas in 1876 werd drooggemaakt, liepen zijriviertjes uit
zuidelijke richting. De Amstel, naamgever van Amsterdam, is het meest bekend.
Het Spaarne, waar Haarlem aan ligt, behoort ook hiertoe. Ook de Sloot, of
Slooter was een zijriviertje van het IJ. Toen de veenwildernis ten oosten van
Haarlem vanaf de 11e eeuw gekoloniseerd werd, ontstond aan dit riviertje de
nederzetting Sloton. De oudste vermelding hiervan is uit 1063. Omstreeks 1175
kwam het dorp Sloten op zijn huidige locatie te liggen.
Het riviertje verbreedde zich door oeverafslag tot een meer, het Slootermeer.
Daar waar het riviertje in het IJ uitkwam werd een dam gelegd, als onderdeel van
de Spaarndammerdijk. Hier ontstond de nederzetting Slooterdam, later werd dit
het dorp Sloterdijk, waar vanaf de tweede helft van de 15e eeuw ook een kerk
stond. Het dorpsbestuur verwierf in 1479 de visrechten op het Slootermeer. In
1639 werd besloten het meer, dat 's zomers nogal eens droog stond, in te
polderen. De pachters van grond in de polder kregen de verplichting jaarlijks
aan de kerk te Sloterdijk een uitkering te doen. De drooglegging was in 1644
gereed, maar tussen 1647 en 1726 hernam het water zesmaal zijn oude rechten
nadat het de dijk had doorgebroken. Telkens werd de Sloterdijkermeerpolder met
een poldermolen weer drooggemalen.
De grootste overstromingsramp vond plaats op 29 november 1836, toen het hele
gebied tussen de Haarlemmermeer en de grens van de stad Amsterdam overstroomd
werd. Dit was de aanleiding ook het Haarlemmermeer in te polderen. Nadat de
gemeente Sloten in 1921 door Amsterdam was geannexeerd, werd in 1935 besloten
een groot deel hiervan te bebouwen volgens het Algemeen Uitbreidings Plan.
Hieruit zijn de Westelijke Tuinsteden voortgekomen. De lager dan het omliggende
gebied gelegen Sloterdijkermeerpolder werd tussen 1948 en 1956 uitgegraven ten
behoeve van de zandwinning. Hier ontstond de meer dan 30 meter diepe Sloterplas,
die dus de plaats heeft ingenomen van het vroegere Slotermeer.
Het voorstel om de eerste nieuwe tuinstad de naam 'Slotermeer' te geven, werd in
januari 1939 door de directeur van Publieke Werken aan B en W gedaan. Het
uitgewerkte plan voor deze tuinstad was toen klaar en het werd op 12 juli 1939
door de Raad zonder discussie of stemming goedgekeurd. De voorbereiding van de
uitvoering ging door, maar moest tijdens de oorlog stopgezet worden, waarna in
1951 de bouw alsnog kon beginnen. De tegenwoordige Sloterplas omvat niet de
gehele oppervlakte van het oude Slotermeer. Het noordelijk gedeelte van het oude
meer is niet vergraven, maar dit geschiedde wel met een strook aan de westzijde
van de plas, die nooit tot het oude Slotermeer had behoord. De omgeving van de
Burg. Hogguerstraat en Burg. Cramergracht ligt dus zowel in het vroegere
Slotermeer als in de huidige tuinstad Slotermeer.
Enkele Kunsthistorische achtergronden van het AUP
Voordat Cornelis van Eesteren het Algemeen Uitbreidings Plan (AUP) ontwierp (1934) was hij actief op het ‘Staatliches Bauhaus’, de academie van vormgeving, architectuur en kunstnijverheid in Duitsland. Het Bauhaus werd in 1918 in Weimar opgericht door Walter Gropius. In 1925 werd de academie verplaatst naar Dessau en in 1932 naar Berlijn. In 1933 (toen Hitler aan de macht kwam) werd het Bauhaus opgeheven. De toenmalige leider, Mies van der Rohe, vertrok naar de Verenigde Staten.
Van 1927 tot 1930 was Van Eesteren aan het Bauhaus gastdocent stedebouw. In die hoedanigheid onderhield hij nauwe contacten met begaafde kunstenaars als Paul Klee, Wassily Kandinsky, Lionel Feininger, Oskar Schlemmer, Marcel Breuer, Herbert Bayer, Gerhard Marcks en Georg
Muche.
Ook was Van Eesteren aangesloten bij de Nederlandse kunststroming ‘De Stijl’ die nauw aan het Bauhaus was gelieerd. Ook Theo van Doesburg, Piet Mondriaan, Jacobus Johannes Pieter Oud en Gerrit Rietveld waren hierbij aangesloten.
De kenmerkende uitgangspunten van het Algemeen Uitbreidingsplan van 1934 (een rasterstructuur met blokken, afgeleid van het kubisme) is dus een voortvloeisel van twee belangrijke 20e eeuwse architectuurstromingen.
Enigszins pregnant uitgedrukt kan men stellen dat de stadsdeelraden in de Westelijke Tuinsteden zich schuldig maken aan ‘cultuurbarbarisme’: met de huidige stedebouwkundige plannen lijkt het erop dat de 20e eeuwse ‘Functionalistische stroming’ in de bouwkunst de nek wordt omgedraaid.
Het Kwaliteitsteam Parkstad hoort de wezenlijke kenmerken van Van Eesteren's denken (bijv. de stedebouwkundige ensembles, ‘stempels’, open bouwblok etc.), in een licht gemoderniseerde vorm, aangepast aan de eisen van de moderne tijd, te redden. Het kind mag niet met het badwater worden weggegooid.
Richard Bakker, 17-2-2003.
Uit
de media:
In de zomer van 2003 liep er één van de burenruzies op de Burg. van Leeuwenlaan flink uit de hand. De familie Ruijmgaart-Tokkie is bij de vechtpartij betrokken. Als de leefruimte van de bovenburen met een Molotov-cocktail in brand gestoken wordt, zet de woningbouwvereniging de Tokkies uit hun huis.
Het Nederlandse programma Factor volgde het reilen en zeilen van de Tokkies voor en na de brand. Het merkwaardige gezin van Hanna Tokkie, Gerrie Ruijmgaart en de kinderen wordt in geen tijd het middelpunt van een mediagekte. De Tokkies zijn
inmiddels een Nederlandse bekendheid, maar dat lost hun steeds groter wordende problemen niet op.
Goeroe Emile Ratelband heeft het op zich genomen om het gezin op de rails te
zetten en trekt hier ook een half miljoen euro voor uit.
Geuzenveld was altijd al achterbuurt
Bron: Willem Beusekamp Volkskrant
Steeds luider klinkt de vaststelling dat de multiculturele samenleving een illusie is. In het Amsterdamse stadsdeel Geuzenveld/Slotermeer is een meerderheid van de bevolking van niet-Nederlandse komaf. Hoe leven de etnische groepen met elkaar samen? Deel 1 van een serie, die tot eind 2003 twee keer per week verschijnt. Tot drie keer toe kreeg de familie L. een woning aangeboden in Geuzenveld, een van de naoorlogse tuinsteden aan de westkant van Amsterdam. 'Ik heb ze alledrie afgewezen. Of ze dachten dat ik gek was, vroeg ik aan de woningbouwcoöperatie. Jullie denken toch niet dat ik in Geuzenveld ga wonen?' Terwijl de nood hoog was. De familie L. - die niet met de volledige naam in de krant wil -, en met haar nog twee andere gezinnen, woonde al veertien jaar opeengestapeld in een huis in de Staatsliedenbuurt. 'Er was woningnood, maar Geuzenveld, met al die asocialen en jeugdbendes? Ze trekken de stenen uit de straat om elkaar te bekogelen, het is daar levensgevaarlijk. In de Burgemeester Van Leeuwenlaan, daar kwám je gewoon niet.' L. moest drammen voor een woning in zijn favoriete nieuwe buurt, waar je om de hoek nog kon vissen en in elk geval verzekerd was van een tuin en wel drie slaapkamers: Slotermeer. Het was begin jaren zestig van de vorige eeuw; het poldergebied was nog geen tien jaar terug bouwrijp gemaakt. Op 17 oktober 1952 opende koningin Juliana Tuinstad Slotermeer, ruim twee jaar later volgde Geuzenveld. L., inmiddels 77 jaar, en echtgenote wonen er nog steeds met plezier. Even verderop in dezelfde straat woont een van de zoons, ook met familie en eveneens tevreden. De twee tuinsteden, Slotermeer en Geuzenveld, vormen thans samen een van de vijftien stadsdelen waarin de hoofdstad bestuurlijk is opgedeeld. Geuzenveld/Slotermeer, in Amsterdam-West, geldt als probleemwijk. Volgens de laatste cijfers van het Amsterdamse Bureau voor Onderzoek en Statistiek (O+S, 2002) wonen er bijna 40 duizend mensen, van wie 51,9 procent tot een etnische minderheid behoort.
Toekomst Buurt 5 ligt al helemaal vast
de Volkskrant, Binnenland, 25 november 2003
Reportage
Willem Beusekamp
Dit is de derde aflevering van een serie over het Amsterdamse stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer, en hoe de etnische groepen daar samen- en naast elkaar leven.
Het is hier niet rigoureus 'Als er niet wordt ingegrepen, gaat het mis. Dan krijg je gettovorming', zegt Piet Dikken (49), wethouder in Geuzenveld-Slotermeer en verantwoordelijk voor een project dat zich wat omvang betreft kan meten met de aanleg van deze tuinstad, zo'n vijftig jaar geleden. In de komende vijftien jaar gaat bijna 20 procent van de woningvoorraad tegen de vlakte; 3500 woningen, voornamelijk portiekflats.
Het is pas de eerste fase van een veel grotere, miljarden kostende operatie, waarbij ook de aanpalende stadsdelen Bos en Lommer, Slotervaart/Overtoomse Veld en Osdorp zijn betrokken. In totaal zullen in dit deel van de hoofdstad niet minder dan dertienduizend woningen plaatsmaken voor nieuwbouw. Op leegstaande plekken worden er nog eens elfduizend bij gebouwd.
Dikken, afkomstig uit Twente, maar met vrouw en drie kinderen al twintig jaar woonachtig in Geuzenveld, is een sociaal-democraat van de oude stempel. Hij sloot zich aan bij de PvdA in 1977, het voor die partij zwarte jaar, toen Joop den Uyl de verkiezingen won, maar zijn tweede kabinet in rook zag opgaan. 'Het was voor mij toen hoogste tijd om lid te worden', vertelt Dikken.
De wethouder gelooft nog steeds in een maakbare samenleving, een haast ouderwets klinkend begrip. De 'fysieke pijler', zoals hij de grootscheepse renovatie omschrijft, gaat samen met de 'minstens zo belangrijke sociale pijler'. Dus nieuwe huizen, maar tegelijkertijd bedrijfsruimten, kinderopvang, scholen, zorgen welzijnsvoorziening, groen, cafés en sportvelden. Buurt 5, bijvoorbeeld, gaat weldra op de schop: de toekomst is er tot op de laatste vierkante meter ingevuld.
Wethouder Dikken is ervan overtuigd dat zijn stadsdeel op den duur een van de aantrekkelijkste wijken van Amsterdam zal zijn. 'Het is hier al prachtig, met veel groen, licht en ruimte. Je bent zo in de stad, de haven of nog steeds ongerept natuurgebied. Het punt is dat we de bewoners geen wooncarrière kunnen bieden. Wie meer geld aan wonen heeft te besteden, kan hier niet terecht en verdwijnt.'
Vandaar de aanhoudende verhuizingen; 4 tot 5 procent van de veertigduizend bewoners, allochtoon en autochtoon, neemt jaarlijks de wijk naar elders en wordt weer vervangen door mensen met meestal de laagste inkomens. Dat moet anders. De wethouder: 'We willen hier graag een veel grotere variëteit. Dan bedoel ik nadrukkelijk variëteit in inkomens. Etnische afkomst speelt absoluut geen rol. Vooral de middenstand, de smeerolie van de economie, moet beter zijn vertegenwoordigd.'
Niet iedereen in het stadsdeel lijkt overtuigd van de noodzaak tot sloop en nieuwbouw. In de Savornin Lohmanstraat, de Burgemeester Roëlstraat en het Slotermeerhof heeft zich blijkens de permanente spandoeken achter de ramen een bolwerk van verzet geformeerd.
Dikken: 'Het zijn vooral de oorspronkelijke bewoners, nu de 55-plussers, die hun wijk zien veranderen en graag in hun oude laagbouwwoning blijven zitten. Het is een minderheid. We hebben het laten uitzoeken en kunnen vaststellen dat de meeste bewoners erg blij zijn met de vernieuwing. Zelf woonde ik in de Colijnstraat, in een van die flats die nu zijn dichtgespijkerd en binnenkort worden gesloopt.'
Eerder deze maand ging de deelraad akkoord met de eerste fase van het vernieuwingsplan. Nu nog de gemeenteraad. Dikken: 'Ik verwacht dat het een hamerstuk wordt.'
Overige persberichten en publicaties Stadsdeel
Op zoek naar het stadsleven
Amsterdam is niet één stad, Amsterdam bestaat uit zeven middelgrote steden: de binnenstad plus zes satellietsteden
eromheen. Wat is er in die zes 'deelsteden' de afgelopen dertig jaar gebeurd op sociaal en economisch
gebied? Na Groot-Oudwest, Noord en Groot-Oost deel 4 van de serie 'De stad in
cijfers': Nieuw-West en de vloek van de functiescheiding.
Toen hij als jonge jongen het timmer vak leerde, besloot Cornelis van Eesteren, telg van het befaamde aannemersgeslacht uit
Kinderdijk, dat hij eigenlijk architect wilde worden - niet uitvoeren wat anderen bedacht
hadden, maar bedenken wat anderen moesten uitvoeren. Hij ging naar de Academie van Beeldende Kunsten in Rotterdam, won een
prijs, werd gastdocent in Duitsland en verhuisde vervolgens naar Parijs, waar hij betrokken raakte bij de kunstenaarsgroep
De Stijl. In 1923, net 26 jaar oud, zette hij zijn eerste theorieën over de inrichting van de stad
uiteen.
Van Eesteren moest niets hebben van de esthetische opvattingen van de grote Hendrik Berlage en de architecten van de Amsterdamse School, die een heilige oorlog voerden tegen de lelijkheid van de 19de eeuwse
stedenbouw. ''Het woord kunst zegt ons niets meer,'' schreef Van Eesteren. ''In plaats daarvan eisen wij dat onze omgeving geconstrueerd wordt volgens creatieve wetten die gebaseerd zijn op een vast
principe.''
Stedenbouw vereiste een wetenschappelijk aanpak. Zoals arbeid in de fabriek werd gesplitst in afzonderlijke handelingen aan de lopende band om de productiviteit op te
jagen, zo moest ook het wonen worden gerationaliseerd. Van Eesteren introduceerde het begip
'wooncellen'. ''Deze lenen zich voor de serieproductie, want tachtig procent van de bevolking heeft weinig gedifferentieerde
woonbehoeften. Combinaties van cellen vormen typen, die gestalte geven aan het bouwblok als basiselement van de nieuwe
stad.''
Vijf jaar later werd, op initiatief van de Franse architect Le Corbusier, het Congrès International des Architectes Modernes
(CIAM) opgericht. Van Eesteren was meteen van de partij; in 1930 werd hij voorzitter van de
beweging. Onder zijn leiding werd in 1933 het handvest van de 'functionele stad'
aangenomen. In het stedelijk leven staan drie functies centraal: wonen, werken en
verpozing. Later kwam daar verkeer als vierde functie bij. In de stedenbouw, decreteerden de modernisten van die
dagen, dienen die functies strikt van elkaar gescheiden gehouden te worden - je woont niet bij je
werk, de kroeg is niet in je eigen straat, de auto mag niet voor de deur staan en winkels worden ergens ver weg in aparte centra
samengeklonterd.
De idealen van het Nieuwe Bouwen ('licht, lucht en ruimte') werden snel
populair. Van Eesteren was inmiddels hoofd van de afdeling Stadsontwikkeling in Amsterdam
geworden. In 1934 kreeg hij, omdat Plan-Zuid van Berlage was volgebouwd, de vererende opdracht een nieuw Algemeen Uitbreidingsplan
(AUP) voor de stad te ontwerpen. Op 18 juli 1939 werd het door de rijksoverheid
goedgekeurd.
Na de oorlog kon Amsterdam meteen beginnen met het uitgraven van de Sloterplas om zand te
winnen. Daarna werd, in amper twintig jaar tijd, in het land van de tuinders ten westen van de Hoofdweg en de
Westlandgracht, tussen de oude dorpen Sloten en Sloterdijk, de 'verticale stad' van Cornelis van Eesteren
geconstrueerd. Geheel in zijn geest: 'liever lelijk en doelmatig' dan
'chaotische parade-architectuur'. Geen straten met gesloten gevelwanden, maar brede wegen en lanen langs open blokken waar mensen zich klein en verlaten
voelen. Weinig werk en weinig vermaak, heel veel wooncellen en heel veel groen. Ze heten officieel de Westelijke
Tuinsteden. In volgorde van aanleg: Slotermeer, Geuzenveld, Slotervaart,
Overtoomseveld, Osdorp.
Ze zijn gebouwd volgens het patroon van een Schotse Ruit: de huizen vormen strakke rode
vlakken, de wegen zijn de zwarte draden daartussen, het water levert de blauwe
draden. Een overloopstad pal naast de oude stad. Op 1 januari 1970 woonden er 128.816 Amsterdammers in 37.733
huizen. Ze hadden 29 kerken, 118 permanente en 97 semi-permanente
schoolgebouwen, vier ziekenhuizen en twaalf verpleeg- en verzorgingshuizen tot hun
beschikking.
In de jaren negentig zijn er nog een paar nieuwe wijken bijgebouwd: de Middelveldsche Akerpolder aan de zuidwestkant van
Osdorp, Nieuw Sloten achter het Slotervaart Ziekenhuis, een nieuw buurtje langs de Oostoever van de Sloterplas en
Noorderhof, het eigenaardige woonwijkje van architect Rob Krier aan de noordkant van de
plas. Ook daar gelden nog steeds de wetten van de functiescheiding, maar de wooncellen in torenflats hebben plaats gemaakt voor rijen
huizen-met-tuintjes.
Nieuw-West, gevormd door de vijf 'tuinsteden' plus nog een stukje van stadsdeel Bos en
Lommer, is een paar jaar geleden door een groep auteurs gekwalificeerd als een
'buurt van goede bedoelingen'. Dat mag zo zijn, die zijn dan wel erg gauw
gesmoord. De Stad van de Toekomst aan de westvleugel van Amsterdam, het monument van de naoorlogse
wederopbouw, zo groot als Arnhem, was al vóór zij goed en wel klaar was een
'buurt van grote problemen'. En, in tegenstelling tot het door de Nieuwe Bouwers verguisde
Plan-Zuid van Berlage dat na tachtig jaar nog in al zijn glorie overeind staat, moet de schepping van Van Eesteren rigoureus op de schop worden genomen - niet zozeer omdat er veel bouwkundige tekortkomingen
zijn, maar vooral omdat in de buurten, door hun opzet, weinig sociale verbanden kunnen
groeien.
Cijfers kunnen veel vertellen. In samenwerking met Jan Groen (hoofd ruimtelijk economisch onderzoek van het Amsterdamse Bureau voor Onderzoek en
Statistiek) en Walter Manshanden (onderzoeker bij TNO Inro in Delft) hebben we cijfermateriaal verzameld over de sociale en economische ontwikkelingen van
Nieuw-West. Eerder hebben we Oud-West (30 mei 2000), Noord (29 november 2000) en Oost (19 april 2001) onder de loep
genomen.
Bevolking
Op 17 oktober 1952 opende koningin Juliana Tuinstad Slotermeer, ruim twee jaar later volgde Geuzenveld.
In 1970 was Nieuw-West klaar. De stad telde 128.816 inwoners. Vanaf 1975 begon zij alweer leeg te
lopen. Het dieptepunt werd bereikt in 1990, met 96.000 inwoners. Daarna werd er veel bijgebouwd en nam de bevolking weer toe.
Nieuw-West is het deel van de stad waar de ouder wordende, autochtone Amsterdammers getuige waren van de toestroom van
allochtonen. Wat in 1985 nog het 'witste' deel van de stad was (met 87,4 procent
autochtonen) is in vijftien jaar 'zwarter' geworden dan de rest van de stad. In
Nieuw-West is de helft van de bewoners van buitenlandse afkomst.
Het opmerkelijkst is de verschuiving van 'clusters' van Turken, maar vooral Marokkanen naar het
westen. In 1994 waren er nog maar twee gebieden waar de Marokkaanse bevolking
domineerde, vijf jaar later waren het er elf.
Het aantal Marokkanen in de Westelijke Tuinsteden (de Kolenkitbuurt in Bos en Lommer nog niet eens
meegerekend) nam in vijftien jaar toe van 3674 (3,8 procent van de bevolking) naar 18.289 (14,4
procent). Met andere woorden: één op de zeven inwoners van Nieuw-West is Marokkaan van
geboorte. Het aantal Turken groeide sinds 1985 van 1876 (1,9 procent) naar 11.045 (8,7
procent).
Woningen en huishoudens
Nieuw-West is oorspronkelijk gebouwd voor jonge gezinnen. Er zijn relatief veel meer grote woningen
(vier kamers of meer) dan in de rest van Amsterdam. In Slotervaart en Overtoomseveld vallen twee van de drie woningen in die
categorie, in de andere buurten bijna de helft; in heel Amsterdam geldt dat voor slechts één op de drie
huizen. Dat weerspiegelt zich uiteraard ook in de aard van de huishoudens. In heel Amsterdam is de verhouding tussen gezinnen en alleenstaanden al bijna fifty-fifty, in
Nieuw-West is die nog twee tegen één. In de afgelopen dertig jaar zijn er veel huizen
bijgebouwd: van 37.733 in 1970 naar 56.154 nu. Dat is een toename van bijna vijftig
procent. De bevolking is ongeveer weer op het peil van dertig jaar geleden. Dat betekent dat de gemiddelde woningbezetting is gezakt van 3,41 bewoners naar 2,26 per
huis. Het is nog altijd een stuk hoger dan in heel Amsterdam (1,97).
De totale landoppervlakte van Nieuw-West is 29,4 vierkante kilometer. Dat is 17,7 procent van die van Amsterdam. Zeventien procent van de Amsterdamse bevolking woont
er, dus de woondichtheid van Nieuw-West en van de hele stad ontlopen elkaar niet
zoveel. Toch lijkt Nieuw-West groot en ruim. Dat komt door de hoogbouw, die was immers bedoeld om ruimte te
creëren.
Vergeleken met het aangrenzende Oud-West zwemmen de bewoners van Nieuw-West in zeeën van
ruimte. Nieuw-West is 3,5 maal zo groot als Oud-West en telt minder inwoners. De bewoners van
Oud-West hebben per persoon 65 vierkante meter tot hun beschikking, inclusief
straten, pleinen, parken, bedrijfsterreinen, winkels en kantoren; de bewoners van
Nieuw-West 234 vierkante meter.
Opleiding en inkomen
Het opleidingsniveau en de inkomenspositie van de bevolking van de Westelijke Tuinsteden blijven achter bij die van de gehele Amsterdamse
bevolking.
Gemiddeld een kwart van de beroepsbevolking heeft niet meer dan basisonderwijs
gehad. Vooral in de oudste delen van Nieuw-West, in Geuzenveld en Slotermeer, is het aantal laagopgeleiden relatief
hoog. Daarin wordt dit stadsdeel alleen nog overtroffen door Bos en Lommer en
Zeeburg. Van de 32 scholen voor basisonderwijs zijn er veertien zwart, veertien bijna-zwart en vier
bijna-wit.
Dertig procent van de beroepsbevolking zit op het niveau van mavo en lager beroepsonderwijs en slechts vijftien procent heeft hoger beroepsonderwijs of wetenschappelijk onderwijs
gevolgd. Met die laatste score bungelt Nieuw-West, met Bos en Lommer dat er eigenlijk ook half bij
hoort, onderaan in Amsterdam - zelfs nog lager dan Amsterdam-Zuidoost.
Het gemiddeld huishoudinkomen was in 1996 (dat zijn de jongste cijfers) drieduizend gulden hoger dan het Amsterdamse
gemiddelde. Maar dat komt weer doordat de huishoudens groter zijn. Per hoofd van de bevolking lag het besteedbaar inkomen ruim elfhonderd gulden lager, bijna honderd gulden per
maand. En in Geuzenveld/Slotermeer lag het besteedbaar inkomen per inwoner zelfs tweehonderd gulden per maand onder het Amsterdamse
gemiddelde.
Werk en werkloosheid
De werkloosheidscijfers in de Westelijke Tuinsteden lijken, ondanks de sterke toestroom van Turken en
Marokkanen, iets gunstiger dan in heel Amsterdam. Midden vorig jaar telde
Nieuw-West 7785 werklozen. Dat was toen 10,8 procent van de beroepsbevolking tussen 20 en 64
jaar. Voor heel Amsterdam was het werkloosheidscijfer 11,5 procent.
Maar verontrustend is dat de werkloosheid zich concentreert in bepaalde wijken en dat de daling van het aantal werklozen in de tuinsteden veel trager verloopt dan in de hele
stad. Tussen 1 januari 1997 en 30 juni 2000 zakte het aantal werklozen in de hele stad met 32,7
procent, in Nieuw-West met 18,8 procent. Gemiddeld is de duur van de werkloosheid er ook
langer. En tenslotte is het aantal WAO'ers in Nieuw-West (8000 vorig jaar) relatief weer
groter: 11,1 procent van de beroepsbevolking tegen 10 procent in heel Amsterdam.
Het deel van de stad waar zeventien procent van de bevolking woont, herbergt slechts elf procent van de banen in de
stad. Je kunt het ook zo zeggen: in heel Amsterdam zijn er drie banen op vier Amsterdammers tussen 20 en 65
jaar, in Nieuw-West slechts iets meer dan twee. Het is de uitkomst van de
'functiescheiding': er is te weinig werkgelegenheid in de buurt, terwijl er ruimte zat is.
Er is in de loop van dertig jaar op het gebied van de werkgelegenheid erg veel veranderd in de Westelijke
Tuinsteden. Als alle banen, ook de kleinste van één of een paar uur per week, bij elkaar worden
geteld, dan blijkt in die periode de werkgelegenheid er sneller te zijn gegroeid (met gemiddeld 1,3 procent per jaar dan in heel Amsterdam (0,2
procent) en zelfs sneller dan in heel Nederland (1,1 procent).
Maar dat is een half verhaal. De banengroei in Nieuw-West was vooral in de eerste periode veel sterker dan elders. Dat is niet
onlogisch. De suburbanisatie leidde tot sterke banengroei in winkels, gezondheidscentra en
scholen. Daar ligt geen beleid aan ten grondslag, dat is 'bevolkingsvolgende
werkgelegenheid'. Nieuw-West had weer veel sterker te lijden onder de gevolgen van de economische crisis in de jaren
tachtig. Terwijl in Amsterdam en Nederland de werkgelegenheid midden jaren tachtig weer begon te
groeien, dook Nieuw-West diep onder de nullijn. De overloop was klaar, de bevolking nam
af, dat kostte banen, en dat verlies werd niet gecompenseerd.
Samengevat: tot 1982 was er banengroei zonder beleid, na 1982 was er banenverlies door gebrek aan
beleid. En dat kwam weer, doordat de politiek zich concentreerde op de oude stadswijken die dateren uit de negentiende
eeuw. Door zich te storten op die 'probleem-cumulatiegebieden' hadden ze op het stadhuis van Amsterdam niet in de gaten dat
Nieuw-West ook aan het 'downgraden' was. Na die crisisjaren bleef de banengroei dan ook achter bij die elders in Amsterdam. Uit de cijfers blijkt dat
Nieuw-West in dertig jaar erg veel industriële werkgelegenheid heeft verloren. Daar staat tegenover dat in de bouw en de groothandel het werk is
gegroeid. Maar vooral in de non-profitsector (onderwijs, gezondheidszorg) is de banengroei sterk geweest - meer dan tweemaal zo groot als in heel Amsterdam.
De vloek van de functiescheiding blijft helaas onaangetast
Op het eerste gezicht lijkt Nieuw-West, net als Amsterdam-Zuidoost, een verzamelgebied van grootschalige
bedrijvigheid. De gemiddelde bedrijfsgrootte is 8,2 werkzame personen per onderneming (elf als we alle
mini-baantjes meerekenen), tegen gemiddeld 7,1 in heel Amsterdam. Maar dat is
gezichtsbedrog, het komt door de concentratie van grote bedrijven
(Confectiecentrum, Nissan, IBM-hoek) langs de A-10 West en de A-4 naar Den Haag. De gemiddelde bedrijfsgrootte in stadsdeel
Slotervaart/Overtoomseveld (12,8 werkzame personen) benadert die van de Bijlmer (13,3). In de rest van
Nieuw-West is de bedrijvigheid bijna even kleinschalig (gemiddeld 4,5 banen per
bedrijf) als in de aangrenzende 19de eeuwse wijken.
Begin jaren negentig schrok Amsterdam wakker. Het inzicht brak door dat de grote-stadsproblemen van de oude buurten waren geëxporteerd naar de nieuwbouwwijken die na de oorlog met zoveel blind optimisme uit de grond waren gestampt - in
Amsterdam-Noord, in de Bijlmermeer en in Nieuw-West.
In 1992 werd een Stuurgroep Aanpak Westelijke Tuinsteden in het leven geroepen, die drie jaar later de Nota Parkstad
produceerde. De naam is bedoeld als program: de vijf tuinsteden, zonder duidelijke structuur en zonder eigen
karakter, moesten zien samen te smelten tot een eenheid. Eén stad met veel
groen. Parkstad dus.
Nog weer vier jaar later werd, in de Marius Bauerstraat in Overtoomseveld, een etage van een kantoorpand ingeruimd voor Bureau
Parkstad. Twintig man sterk, geleid door René Grotendorst, de gedreven ex directeur van Woningbouwvereniging Amsterdam.
Opdracht: alle grote en kleine vernieuwingsplannen die in de tuinsteden worden
uitgebroed, tot één geheel samen te smeden. Dat is a hell of a job - Grotendorst heeft zeven
opdrachtgevers: drie wethouders van het Waterlooplein en vier
'portefeuillehouders' van de aangesloten stadsdelen Geuzenveld/Slotermeer,
Osdorp, Slotervaart/Overtoomseveld en Bos en Lommer. Bovendien zijn in het gebied veertien woningcorporaties
actief.
Desondanks is de club van Grotendorst, in februari van dit jaar, bevallen van een mooi uitgevoerd 'concept
ontwikkelingsplan': Richting ParkStad 2015. Daaruit blijkt dat er zeer rigoureuze ingrepen op stapel
staan. Het aanvankelijke plan om vijfduizend 'wooncellen' te slopen is sterk
geamendeerd, het worden er 13.500 - bijna een kwart van de totale
woningvoorraad. Het is een unieke kans om eindelijk de vloek van de functiescheiding ongedaan te
maken. Even afgezien van het immense vraagstuk hoe de sloopplannen op sociaal aanvaardbare wijze kunnen worden
doorgevoerd, ze kunnen wel ruimte creëren om, zoals het in een stad hoort, wonen en werken weer te gaan
mengen.
Gebeurt dat ook? Antwoord: nee.
Het beeld dat naar boven komt uit de indrukwekkende stapels nota's en deelplannen die de ambtenaren van de diverse stadsdeelkantoren in een niet-aflatende stroom
produceren, is dat van een stad die alle bedrijven van enige omvang naar de randen blijft wegduwen - naar de A-10 aan de oost flank, naar de Haarlemmerweg in het
noorden, naar de 'verlengde Zuidas' aan de andere zijde en, in de nabije
toekomst, naar de Westrandweg die over zeven jaar de omcirkeling van ParkStad moet
voltooien.
Stadsdeel Geuzenveld/Slotermeer blijft in elk geval 'voor honderd procent een
woonwijk'. Ook het bestuur van Osdorp acht het stadsdeel 'niet geschikt voor
kantoorontwikkeling'. Het enige plan van enig gewicht is de Lutkemeerpolder achter begraafplaats
Westgaarde, als in de toekomst de West randweg er inderdaad komt, open te stellen voor
'Schiphol-gebonden bedrijven', maar wel met de voorwaarde dat er ruimte wordt gelaten voor een
'ecologische zone' van veertig hectare natuurgebied. Lukt dat, dan komen er naar schatting 4500 banen
bij, maar ook weer veilig ver weg van de bewoonde wereld.
Alleen stadsdeel Slotervaart/Overtoomseveld, ingeklemd tussen de Sloterplas, de A-10 West en de snelweg naar Schiphol en Den Haag, en daardoor relatief toch al rijkelijk bedeeld met grootschalige
werkgelegenheid, heeft een indrukwekkend pakket grote en kleine vernieuwingsplannen op de plank
liggen. Maar ook die concentreren zich voornamelijk op uitbreiding aan de buitenkant - in de groenstrook tussen de Haagseweg en de Nieuwe
Meer, in de IBM-driehoek en op het terrein van sportpark Riekerhaven in de verre
zuidoosthoek. En uiteraard langs de ringweg naar Zaanstad, waar overigens ook Bos en Lommer een eindje naar het noorden actief is.
Er is één vernieuwingsplan dat iets dieper de woonstad binnendringt. De sprong over de ringweg heet het plan, dat beoogt in acht jaar tijd (2003-2011) het hele gebied tussen het Andreas Ziekenhuis en het NS Station Lelylaan overhoop te
halen. De rechthoek aan weerszijden van de kille, ontoegankelijke Lelylaan zal een complete metamorfose
ondergaan. Alleen de nieuwe Queen Towers, naast het World Fashion Center, mogen blijven
staan. En misschien het oude gebouwencomplex van het ziekenhuis, voor kunstenaars en starters. Voor de rest gaat alles tegen de grond om plaats te maken voor nieuwe bedrijven en
kantoren, plús 1200 nieuwe woningen. Misschien komen daar ook nog echte straten met gewone
activiteiten, een bakker op de hoek, een supermarkt, een paar cafés, broodjeszaken en restaurants en komt in dit hoekje weer zoiets als normaal stadsleven tot
bloei. Wie weet!
Voorlopig wordt aan het ideaal van functiemenging vooral veel lippendienst bewezen - met veel kleinschalige werkgelegenheid in onderstukken van woningen
('plinten'), in woon-werkwoningen voor eenmanszaakjes en in bedrijfsverzamelgebouwen voor starters. Als het de bestuurders in de stadsdelen en in de Stopera dan ook nog aan
moed, fantasie en samenwerkingskracht ontbreekt van het Osdorpplein-dat-geen-plein-is een
mooi, groot, open stadshart te maken dat direct aansluit op de Sloterplas, zal de schepping van Cornelis van Eesteren ook in de 21ste eeuw een stad-zonder-ziel blijven - een geconstrueerde slaapstad waar geen burger warm voor
loopt.
Bron: Het Parool
Een halve eeuw Westelijke Tuinsteden
Op 1 december 2001 passeerde (bijna) onopgemerkt een historische datum. Op deze dag was het namelijk een 50 jaar geleden dat door de toenmalig minister van Volkshuisvesting en
Wederopbouw, de heer J. in 't Veld, de eerste paal werd geslagen voor de woningbouw in de toekomstige tuinstad Slotermeer.
Komend jaar is het een halve eeuw geleden dat, op 7 oktober 1952, Koningin Juliana en Burgemeester A. d'Ailly de nieuwe tuinstad officieel
openden. Een plaquette op de brug in de Burgemeester de Vlugtlaan nabij de Ringspoorbaan herinnert hier nog
aan. Tevens namen toen de eerste bewoners hun intrek in de eerste nieuwe woningen buiten de
Ringspoorbaan. De Tuinstad Slotermeer was de eerste van de Westelijke
Tuinsteden. Vanaf 1954 kwam Geuzenveld erbij, in 1955 Slotervaart, in 1956 Overtoomse Veld en in 1958
Osdorp. Omstreeks 1970 waren deze wijken grotendeels volgebouwd. Er waren hier toen meer dan 100.000
inwoners. Inmiddels is het aantal inwoners van de Westelijke Tuinsteden na de bouw van de wijken Nieuw Sloten en De Aker gegroeid tot zo'n 130.000.
Slotermeer oktober 2001 – Dit jaar is het vijftig jaar geleden dat de eerste paal voor 10.000 woningen in Tuinstad Slotermeer geslagen werd. De eer was aan de Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting Mr. J. In ’t Veldt. De hele dag dreunde de grond in het ‘verre en wilde Westen’. Een klein jaar later mocht koningin Juliana het (voorlopige) eindresultaat feestelijk openen. Maar wie weet nog hoe het toen was? Er is immers veel veranderd. Bijvoorbeeld aan de Burgemeester de Vlugtlaan.
Mooi zijn die foto’s van een kersvers Slotermeer, de eerste tuinstad, genoemd naar het vroegere Slootermeer. Het stadsdeel – in 1956 nagenoeg voltooid – staat op de grond van de voormalige Sloterbinnen- en Middenveldsche Gecombineerde Polders, een driehoekig stukje grond van de Osdorper Binnenpolder en een stukje van de Sloterdijkermeerpolder. Eind jaren veertig begon men met de ophoging. Voor tuinstad Slotermeer was 6,5 miljoen kubieke meter zand en grond nodig. In het begin een echte woestijn, zo vertellen de pioniers. Wind voerde het droge zand als een sluier over de vlaktes.
Om de woningnood te bestrijden werden in een paar jaar tijd veel huizen en winkels uit de grond gestampt. De eerste paal werd op 1 december 1951 de grond ingeslagen en al binnen een jaar konden de eerste bewoners hun intrek nemen in de groene wijk aan de (toen nog) rand van de stad. Vele gouden bruidsparen die de Westerpost interviewt, vertellen vol sentiment over die vroege jaren. Verhalen over de moeilijke bereikbaarheid, het uitzicht (nu weg) en over de enorme ruimte en het vele groen. Over de winkels van toen. Neem bijvoorbeeld de Burgemeester De Vlugtlaan. Genoemd naar Willem de Vlugt (1872-1945), die van 1921 tot 1941 burgemeester was van Amsterdam en tevens kamerlid was van de Anti-Revolutionaire Partij. De flats en winkels zijn gebouwd in de stijl van de Bossche School: balkonnetjes met ‘gaten’ schuin op de gevel en schoorstenen die als versiering dienen. Het is nog altijd een laan met een divers winkelaanbod. Maar ook hier is er veel veranderd. Cortifoon, Zuidervaart, bakker Meijer, Jamin, speelgoedwinkel Friedel. Ze zijn niet meer. Maar oude vertrouwden zoals Marion’s bloemen, Van Vuure, Kraaipoel, Deco Home Brandeis, Jan van de Broek, Geijs, Kroon, Digiworld, kapper D&D en Scheltinga zijn er nog steeds na vele jaren en verbouwen vaak nog driftig hun zaak om de moderne tijd en de wensen van de huidige consument bij te houden.
Ook de bevolking is veranderd in de afgelopen vijftig jaar. De eerste bewoners, die op de betere huisvesting en werkgelegenheid afkwamen, kwamen uit andere delen van de stad en van buiten, voornamelijk uit kleinere plaatsen. Vooral jonge gezinnen, die ook gecharmeerd waren van de lage huren (twaalf tot zeventien gulden per week). Niet iedereen kon aarden in de tuinstad. Heimwee en isolement staken bij sommigen de kop op. Vooral de vrouwen, meegekomen met hun echtgenoot, misten het contact met hun familie en hadden problemen met de geluidsoverlast in de etagewoningen. Maar velen bleven. In de jaren tachtig en negentig verhuisden veel jongere oorspronkelijke bewoners naar Almere en plaatsen in Noord-Holland omdat zij andere woonwensen hadden. Tegelijkertijd nam het aantal allochtone bewoners toe en dat is ook te zien aan het winkelbestand. Veel allochtone ondernemers kwamen in de plaats van eerder genoemde winkeliers en stemmen nu hun assortiment af op de bevolking. Maar ook de autochtone bewoners weten de weg te vinden naar de lekkerste Turkse pizza’s en andere ‘vreemde’ artikelen. Slotermeer kan zich een goed functionerend multicultureel stadsdeel noemen. Bewoners en bezoekers hebben over de Burgemeester De Vlugtlaan zo hun opbouwend commentaar, blijkt als we enkelen vragen naar hun mening. Aan de ene kant is het lekker rustig winkelen (gratis parkeren!). Er is ruimte en de winkeliers besteden tijd aan hun klanten. Koeleman heeft lekkere Griekse broodjes, bij de apotheek wordt men vriendelijk bediend, bakkerij Bermo heeft heerlijke Turkse pizza’s, Van Vuure is een echte gezellige buurtwinkel en het winkelaanbod is divers. Maar ook kritiek: er is geen drogist (was er tot voor kort), de supermarkt zou ruimere openingstijden moeten hebben en er zouden wat exclusievere zaken, zoals een delicatessenwinkel, moeten komen.
Bron: Leven rond de Sloterplas, Louis Firet (Uitgeverij Lorelax, ISBN: 90-76254-25-7)
Onderzoeksrapportage 'De staat van de stad Amsterdam'
Datum: 13-06-2001
Een stapeling van problemen
In een aantal gebieden van de stad is sprake van een stapeling van problemen.
Hier komen problemen als armoede, werkloosheid, schoolverzuim, krap wonen, veel
jeugdzorgcliënten en (jeugd)criminaliteit samen. De Bijlmermeer (centrum en
oost), de Transvaalbuurt, Dapperbuurt en Indische Buurt, de Spaarndammer-,
Zeehelden- en Staatsliedenbuurt, Landlust (een gebied in Bos en Lommer ),
Hoofdweg en omgeving, Overtoomse Veld en Geuzenveld hebben als gezamenlijk
kenmerk een concentratie van non-participatie op verschillende terreinen.
Aan de Burgemeester de Vlugtlaan staat een monumentaal komplex met winkels en woningen dat in 1954 door de architekten A. Evers en G.J.M. Sarlemijn is gebouwd. Opvallend zijn de pseudo-klassieke betonnen zuilen, die ook voorkomen in de woonbuurt erachter. De Delftse School was in de jaren vijftig de Rooms-Katholieke bouwstijl bij uitstek. Een fraai staaltje hiervan is de kerk van Onze Lieve Vrouwe van Lourdes, die de architect M.J. Granpé Molière, de grondlegger van de Delfse School, in 1955 samen met Evers in opdracht van de Lourdesparochie bouwde. Het kerkgebouw staat weliswaar aan de noordzijde in Slotermeer, maar zou in Byzantium niet hebben misstaan.
Geuzenveld maakt een totaal andere indruk. Zes architekten(-bureaus) waren er verantwoordelijk voor de vormgeving van de zes belangrijkste buurten. De hoogbouw is gecentreerd in het midden van de tuinstad, omringd door middelhoge blokken en laagbouw. Geuzenveld laat zien welke uiteenlopende typen plattegronden mogelijk zoijn met een kombinatie van de hoven- en strokensystemen. Ook ziet men de hier voor het eerst op grote schaal toegepaste skeletbouw met vloeren en wanden van beton. (Van polder tot stad, catalogus De Meervaart 1983).
Het blok bijzondere 'splitlevel'-woningen van J.H. van den Broek en J.B. Bakema (1957) aan de Sam van Houtenstraat is bereikbaar via vrijstaande traptorens en luchtbruggen. Deze architecten probeerden de monotomie van de doorsnee nieuwbouwwijk te doorbreken.
Het coöperatieve flatgebouw 'Westereind' in Slotermeer is door J. Rietveld en J.R. Bloemsma geheel uit beton opgetrokken. Dit gebouw met karakteristieke blauw geverfde hoekramen was bestemd voor alleenstaanden. (Van polder tot stad, catalogus De Meervaart 1983).
BEWONERS
Geuzenveld/Slotermeer is vlak na de Tweede Wereldoorlog gebouwd en behoort
tot de westelijke tuinsteden. De woningen zijn er voor naoorlogse begrippen vrij
klein en de huren laag. Er is een oververtegenwoordiging van de schoolgaande
jeugd en ouderen. Het aandeel jongvolwassenen is daarentegen erg laag.
Het percentage etnische minderheden lag tien jaar geleden nog onder het
stedelijk gemiddelde. De laatste jaren is het sterk gegroeid, doordat etnische
minderheden uit de centralere stadsdelen naar de rand van de stad verhuisden. Nu
is Geuzenveld/Slotermeer een van de stadsdelen met het hoogste aandeel etnische
minderheden. Met name het percentage Turken en Marokkanen komt ruim boven het
stedelijk gemiddelde uit.
Toch wonen er nog vrij veel oorspronkelijke inwoners in dit stadsdeel. Daardoor
is het percentage 65 tot 80-jarigen sterk oververtegenwoordigd.
FILM
Het verhaal in Oesters van Nam Kee speelt zich af in Slotermeer (Schotelcity), een gedeelte van Amsterdam waar na de oorlog veel huizen uit de grond zijn gestampt uit woningnood en nu door veel allochtonen bewoond wordt. De hoofdpersoon Berry Kooijman komt uit een intellectueel milieu, een heel ander milieu dan dat van zijn vrienden Otman, Jamal en De laatste Mode. Berry is achttien en zit nog op het Barlaeusgymnasium. In plaats van naar school gaan, hangt hij liever rond met zijn domme, agressieve en criminele vrienden. Berry woont in de Burgemeester Eliasstraat, in een van de vijf villa's die een schril contrast vormen met de andere huizen in die straat. Tegenover zijn vrienden rept hij met geen woord over de plek waar hij woont en tegenover zijn moeder zwijgt hij in alle talen over de vrienden die hij heeft. Alleen een korte, hevige romance maakt van Berry's gescheiden levens een eenheid, maar als die verbroken wordt gaat het via geweld richting Bijlmerbajes, van waaruit Berry zijn verhaal vertelt.