DEELRAAD ] GOA ] [ PARTICIPATIE ] POLITIEK ] PORTEFUILLES ] POSEIDON ] RAADSCOMMISSIE ] REKENINGCOMMISSIE ] SOCIAAL JAARVERSLAG ] VERKIEZINGEN 2003 ]

Burgers tijdig én effectief betrekken bij beleidsontwikkeling en politieke besluitvormingsprocessen. Daar gaat het om in de nieuwe Participatieverordening. De verordening regelt de inbreng van burgers bij beleidsontwikkeling en politieke besluitvormingsprocessen van Stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer. Burgers hebben recht op duidelijkheid over de status van hun inbreng in deze processen. De Participatieverordening maakt het mogelijk om voor ieder beleidsvoornemen te kiezen voor meer of minder vergaande participatie.
Voordat een traject start, moet de raad het gewenste participatiemodel en het beleidsresultaat aangeven. Dat is ook een politieke keuze. De verordening bestaat uit drie modellen: informatie, consultatie, co-productie. Daarbij verschilt de mate van participatie. 
Zo gebruikt het stadsdeel het informatiemodel wanneer het weinig beleidsruimte heeft, bijvoorbeeld bij besluiten die door hogere overheden worden opgelegd. Het stadsdeelbestuur bepaalt het beleid en geeft voorlichting daarover aan de betrokken doelgroepen. 
Het consultatiemodel gaat uit van toetsen van plannen van het stadsdeel door belanghebbenden het meedenken bij het maken van de plannen. 
In het coproductiemodel maakt het stadsdeelbestuur in samenwerking met betrokkenen het beleid. In dit laatste model is het mogelijk dat de plannen door burgers zelf worden gemaakt. 
Uitgangspunt bij alle modellen is dat het bestuur zich zoveel mogelijk verbindt aan de resultaten van de participatie. Dat is bijvoorbeeld afgesproken bij de raadsbehandeling van de vernieuwingsplannen voor Geuzenveld Zuid en Buurt 5. Daar wordt in de uitwerkingsfase gebruik gemaakt van diverse vormen van participatie: het co-productiemodel bij de nieuwbouw rond het Slotermeerhof en het consultatiemodel bij onder meer de sloop/nieuwbouw in de Van Tijenbuurt.

Participatieverordening stadsdeel Geuzenveld Slotermeer

Artikel 1 Begripsomschrijvingen
De verordening verstaat onder:
a. inspraak: het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van beleid van het stadsdeel;
b. participatie: het in samenspraak met belanghebbenden opstellen van beleidsvoornemens aangaande het stadsdeel;
c. inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt gegeven;
d. beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid;
e. randvoorwaarden: aan de participatie ten grondslag liggende feiten, waarop het bestuursorgaan geen invloed heeft, dan wel door het bestuursorgaan aan participatie meegegeven kaders.

Artikel 2 Onderwerp van inspraak of participatie
1. Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of inspraak of participatie wordt verleend bij de voorbereiding van beleid van het stadsdeel.
2. Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.
3. Buiten de in lid 2 bedoelde onderwerpen beslist het bestuursorgaan over het verlenen van inspraak of participatie.
4. Geen inspraak of participatie wordt verleend:
a. ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen;
indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;
b. indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;
c. inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk 15 van de Gemeentewet;
d. indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;
e. indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving.

Artikel 3 Inspraak- of participatiegerechtigden
Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.
Het bestuursorgaan stelt vast aan welke kring van belanghebbenden inspraak of participatie wordt verleend met inachtneming van hetgeen hierover bij wet, provinciale of gemeentelijke verordening is voorgeschreven.

Artikel 4 Procedure participatie
1. Het bestuursorgaan stelt voor elk onderwerp waarop participatie wordt verleend een procedure vast. Het bestuursorgaan maakt een gemotiveerde keuze uit de participatiemodellen: informatie, consultatie en coproductie.
2. De participatieprocedure bevat tenminste:
a. Een omschrijving van het onderwerp van participatie, zoals bedoeld in artikel 2;
b. Een aanduiding van de kring van belanghebbenden, zoals bedoeld in artikel 3;
c. Het onderwerp waarop de participatie zich richt;
3. In aanvulling op lid 2 bevat deze procedure voor zover mogelijk:
a. De randvoorwaarden, zoals bedoeld in artikel le;

b. De wijze van vormgeving van het participatieproces;
c. Een tijdpad met termijnstelling
d. Een communicatieplan
e. Een financiële paragraaf
4. Het bestuursorgaan kan de procedure wijzigen in die gevallen waarin de vaststelling van het beleidsvoornemen zulks vereist. Het bestuursorgaan geeft hiervan overeenkomstig het gestelde in artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht schriftelijk kennis.

Artikel 5 Voorbereiding participatie
1. Het bestuursorgaan informeert voorafgaand aan de participatie belanghebbenden hierover op geschikte wijze. Volstaan kan worden met vermelding van de zakelijke inhoud;
2. Het bestuursorgaan draagt er zorg voor dat de kring van belanghebbenden voldoende tijd en informatie krijgt voor een goede voorbereiding.

Artikel 6 Verslaglegging participatie
1. Het bestuursorgaan draagt zorg voor verslaglegging van de in het kader van participatie gehouden bijeenkomsten;
2. Deze verslagen worden onmiddellijk aan alle aanwezigen bij de in lid 1 bedoelde bijeenkomsten toegezonden;
3. Een weergave van de opbrengst van participatie maakt deel uit van het voorstel dat ter besluitvorming wordt aangeboden;
4. Na besluitvorming krijgen alle deelnemers het voorstel en besluit ter informatie toegezonden.

Artikel 7 Inspraakprocedure
1. Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
2. Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere inspraakprocedure vaststellen.

Artikel 8 Eindverslag
1. Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag op.
2. Het eindverslag bevat in elk geval:
a. een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;
b. een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;
c. een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het beleidsvoornemen wordt overgegaan.
3. Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze openbaar.
4. De stadsdeelvoorzitter vermeldt het eindverslag in zijn burgerjaarverslag.

Artikel 9 Intrekking oude verordening
De Participatieverordening 1995 wordt ingetrokken.

Artikel 10 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt zes weken na de dag van bekendmaking in werking.

Artikel 11 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening stadsdeel Geuzenveld Slotermeer

Toelichting Participatieverordening stadsdeel Geuzenveld Slotermeer

Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Inspraak en participatie: Er zijn veel omschrijvingen mogelijk voor de wijze waarop belanghebbenden betrokken kunnen worden bij de totstandkoming van beleid:
informatie, communicatie, inspraak, interactieve beleidsvorming etc. Omwille van eenduidigheid is gekozen voor de termen inspraak en participatie. Bij de in dit artikel opgenomen formulering van het begrip inspraak is aangesloten bij de tekst van artikel 150 van de Gemeentewet. Inspraak is een onderdeel van de voorbereiding en uitvoering van het beleid van het stadsdeel en heeft een tweeledig doel. Enerzijds wordt aan belanghebbenden de mogelijkheid geboden om hun mening over beleidsvoornemens kenbaar te maken. Anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen een belangrijk hulpmiddel in het kader van de voor de beleidsvoorbereiding noodzakelijke belangenafweging. Inspraak is overeenkomstig artikel 150 van de Gemeentewet ‘eenzijdig’ gedefinieerd, dat wil zeggen dat geen gedachtewisseling met het bestuursorgaan is inbegrepen.
b. Participatie: De formulering van het begrip participatie sluit aan bij de intentie van het Raamwerk participatie stadsdeel Geuzenveld Slotermeer, aangenomen door de stadsdeelraad op 1 juli 2003 (hierna te noemen: Raamwerk. Het Raamwerk is aan deze verordening toegevoegd in Bijlage 2). Met het Raamwerk heeft de stadsdeelraad participatiebeleid vastgesteld, dat beoogt een aanvulling te geven op de inspraak. De participant krijgt in een eerder stadium dan bij inspraak de gelegenheid invloed uit te oefenen op de beleidsontwikkeling van het stadsdeel.
c. Inspraakprocedure: De verantwoordelijkheid voor het maken van een regeling over inspraak ligt ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij de raad. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afdeling 3.4 (zoals deze zal luiden na het in werking treden van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2002, 54) van toepassing verklaard op de inspraak bij provincies en gemeenten. Dit geldt eveneens voor het stadsdeel. In artikel 7, eerste lid van deze verordening is afdeling 3.4 Awb van toepassing verklaard op de inspraak. Artikel 7, tweede lid geeft het bestuursorgaan ruimte om een andere procedure te volgen. Het bestuursorgaan is immers verantwoordelijk voor uitvoering, de nadere regeling en Organisatie van de inspraak.
d. Beleidsvoornemen: Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Het zal duidelijk zijn dat het hierbij niet gaat om de vaststelling van concrete besluiten of maatregelen, maar om de vorming van het beleid waarop deze kunnen worden gebaseerd. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. Het omvat in elk geval stadsdeelraad, dagelijks bestuur en stadsdeelvoorzitter.
e. Randvoorwaarden: Dit begrip is bedoeld om de ruimte voor inspraak of participatie af te bakenen, om bijvoorbeeld te voorkomen dat deze zich richt op onderdelen waarover het bestuursorgaan geen beslissingsbevoegdheid heeft of waarover het bestuursorgaan reeds heeft besloten. Het Raamwerk geeft door middel van een schematische analyse van de randvoorwaarden binnen het te ontwikkelen beleid en de organisatie richting aan de mate van openheid en interactie in het beleidsproces.

Artikel 2 Onderwerp van inspraak of participatie
In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluit of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van beleid van het stadsdeel. Het begrip bestuursorgaan in elk geval stadsdeelraad, dagelijks bestuur en stadsdeelvoorzitter. Elk bestuursorgaan kan zijn eigen beleidsvoornemens aan inspraak of participatie onderwerpen. In de MvT is vermeld dat het ter volledige beoordeling van de gemeenteraad blijft ten aanzien van welke beleidsvoornemens inspraak wordt verleend. Dit geldt eveneens voor de stadsdeelraad. Omdat het in bepaalde gevallen doelmatiger zal kunnen zijn als inspraak geschiedt door middel van bijvoorbeeld spreekrecht bij raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste lid de mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze van inspraak wordt geregeld. Het besluit om al dan niet inspraak of participatie te verlenen is een besluit in de zin van de Awb. Hiertegen kan dus bezwaar worden gemaakt.

In het tweede lid is bepaald dat inspraak altijd wordt verleend indien een wettelijk voorschrift daartoe verplicht.
Wettelijke verplichtingen tot het bieden van inspraak bestaan thans bij:
a. de voorbereiding van ruimtelijke plannen of herziening daarvan dan wel bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (artikel 6a WRO);
b. de voorbereiding van het beleid inzake stadsvernieuwing (artikel 8 Wet op de stads- en dorpsvernieuwing);
c. de voorbereiding van een ontwikkelingsprogramma stedelijke vernieuwing (artikel 7a Wet stedelijke vernieuwing);
d. de voorbereiding van het gemeentelijk milieubeleidsplan (artikel 4.17, derde lid, Wet milieubeheer (WM));
e. de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een afvalstoffenverordening die afwijkt van artikel 10.21 WM (artikel 10.26, tweede lid, WM);
f. het integraal gemeentelijk gehandicaptenbeleid (artikel 1 a Wet voorzieningen gehandicapten);
g. de plannen en beleidsverslagen gericht op de realisatie en de vormgeving van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de Algemene bijstandswet (artikel 118), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (artikel 42, eerste lid, onder d) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (artikel 42, eerste lid, onder d);
h. de voorbereiding van besluiten tot uitsluiting van welstandstoetsing als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a en b, van de Woningwet (artikel 12, vierde lid).

Het derde lid geeft het bestuursorgaan een aanvullende bevoegdheid. Voor een aantal onderwerpen heeft de rijksoverheid inspraak wettelijk voorgeschreven. In de overige gevallen beslist het bestuursorgaan over het al dan niet toepassen van inspraak of participatie, al dan niet voorafgegaan door een verzoek daartoe door belanghebbenden.

In het vierde lid is opgenomen wanneer geen inspraak wordt verleend.

Artikel 3 Inspraak- of participatiegerechtigden
De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst van artikel 150 van de Gemeentewet. In de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb zijn de woorden ‘in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen’ vervangen door:
belanghebbenden. Het begrip ‘belanghebbende’ is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd en deze definitie heeft ook gelding voor wetgeving buiten de Awb.
Dit artikel legt de verantwoordelijkheid voor de keuze van bij inspraak of participatie te betrekken belanghebbenden neer bij het bestuursorgaan: stadsdeelraad, dagelijks bestuur of de stadsdeelvoorzitter, afhankelijk van de bevoegdheid over het betreffende onderwerp. Vanwege het open karakter van dit artikel vraagt dit in concrete gevallen om een bewuste afweging, rekening houdend met o.a. aard, schaal en reikwijdte van het onderwerp. Het Raamwerk geeft een aanzet daartoe.

Artikel 4: Procedure participatie
Ondanks het open en flexibele karakter van participatie dient omwille van de duidelijkheid hiervoor ook een procedure te worden opgesteld. Deze dient in ieder geval object, belanghebbenden en bestuurlijke vraag aan te geven, en voor zover in de fase van gedachtevorming al mogelijk is de overige elementen, zoals bedoeld in lid 3. Naarmate er aan meer randvoorwaarden voor participatie is voldaan ontstaat er meer ruimte voor participatie van buitenaf.
In het Raamwerk zijn drie modellen voor participatie omschreven op basis waarvan het mogelijk is een (of meer) standaardprocedure(s) te ontwikkelen die wanneer nodig kan (kunnen) worden ingezet
1.
Informatiemodel. In dit model bepaalt het stadsdeel zelf de inhoud van het beleid op basis van onderzoek en eventueel beperkte consultatie van professionele organisaties en het maatschappelijk middenveld. De voorlichting aan de burgers over de achtergronden van en motieven voor de keuzes is gericht op het overtuigen van de doelgroepen en op het verwerven van draagvlak. Het bestuursorgaan kan voor dit model kiezen als er te weinig tijd of beleidsruimte is, of als een discussie met de bevolking over de inhoud nauwelijks een toegevoegde waarde heeft.
2. Consultatiemodel. In dit model ontwikkelt het stadsdeelbestuur de plannen in interactie met het maatschappelijk middenveld, direct belanghebbenden en deskundigen. Afhankelijk van het moment waarop in het beleidsproces de consultatie plaatsvindt, kan het bestuursorgaan kiezen voor invulling van dit model door middel van “toetsen” of “meedenken”. Het bestuursorgaan bepaalt bij “toetsen” zelf de agenda van de ontwikkeling, probeert de problemen zelf op te lossen, toetst het conceptplan breed en brengt het in discussie. Op basis hiervan kunnen de plannen —al dan niet- worden aangepast. Bij de invulling via “meedenken” nodigt het bestuursorgaan binnen zeer ruime kaders deelnemers uit voor een probleem zoveel mogelijk ideeën en eventuele oplossingen aan te reiken. Het stadsdeelbestuur verbindt zich zoveel mogelijk aan de resultaten. Bij de uiteindelijke besluitvorming kan daarvan gemotiveerd worden afgeweken.
3. Coproductiemodel. Op basis van (de analyse en de gegevens over) het beleidsprobleem wordt met betrokkenen en belangstellenden samengewerkt. Deze samenwerking gebeurt soms op basis van gelijkwaardigheid en soms krijgen de deelnemers binnen vooraf gestelde kaders zelfs beslissingsbevoegdheid. In dit model is het stadsdeelbestuur niet per definitie de initiator. Het is mogelijk dat de probleemanalyse door de burgers zelf wordt gemaakt. Het uiteindelijke beleidsresultaat is in dit model een gezamenlijke productie.

Aan het eind van ieder model kan formele inspraak worden georganiseerd volgens de regeling van deze verordening.

Het participatiemodel dat wordt ingezet is maatgevend voor de keuze van een communicatiestrategie en in te zetten communicatiemiddelen en -activiteiten. De keuze wordt voorts beïnvloed door de aard van het onderwerp, de kenmerken van de doelgroep, het aantal deelnemers, de structuur van de samenwerking en de politieke gevoeligheid van het onderwerp.

Uit het vierde lid volgt dat ook in geval van participatie het bestuursorgaan de procedure, indien noodzakelijk, kan wijzigen. Belanghebbenden worden hierover geïnformeerd.

Artikel 5: Voorbereiding participatie
In dit artikel zijn enkele richtlijnen ten aanzien van de voorbereiding opgenomen. In tegenstelling tot inspraak is voor participatie geen minimale voorbereidingstijd van vier weken opgenomen, teneinde de flexibiliteit van participatie niet te beperken.
Afhankelijk van het onderwerp dient in concrete gevallen en bij voorkeur in overleg met belanghebbenden bepaald te worden wat voldoende voorbereidingstijd is.

Artikel 6: Verslaglegging van participatie
Deze richtlijnen zijn bedoeld ter bevordering van de duidelijkheid, herkenbaarheid en transparantie van de verwerking van de opbrengst van participatie.

Artikel 7 Inspraakprocedure
In het eerste lid is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaard op de inspraak. In artikelen 3:11 tot en met 3:17 (tot de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb: artikel 3:11 tot en met 3:13) Awb is de inspraakprocedure te vinden. Na terinzagelegging en bekendmaking van het beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden gedurende zes weken (tot de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb: vier weken) schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren brengen. In de meeste gevallen zal deze procedure passend zijn voor de inspraak. Zo niet, dan kan op grond van het tweede lid de inspraakprocedure worden aangepast. Het is mogelijk een (of meer) standaardprocedure(s) te ontwikkelen die wanneer nodig kan (kunnen) worden ingezet. Het kan zijn dat bijvoorbeeld de genoemde termijn van zes weken door het bestuursorgaan te lang wordt bevonden. Deze termijn zou in de verordening kunnen worden aangepast of bij besluit van het bestuursorgaan op grond van het tweede lid. Op de bekendmaking van dit besluit wordt artikel 3.42 van de Awb van toepassing verklaard, indien het besluit niet tot één of meerdere belanghebbenden is gericht.

Artikel 8 Eindverslag
In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 Awb, waarin slechts wordt bepaald dat een verslag wordt gemaakt van hetgeen tijdens de inspraakprocedure mondeling naar voren is gebracht.
Onder het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde verslag van de gevolgde inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk verlopen? Is afdeling 3.4 Awb onverkort toegepast? Wanneer is het beleidsvoornemen ter inzage gelegd enz.?
Onderdeel bbetekent dat de eindrapportage een volledig overzicht dient te bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. De schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het verslag worden gehecht. In het verslag kan worden volstaan met een korte zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en vermelding van de personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht.
Onder c wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat het bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan.
In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de gebruikelijke wijze openbaar maakt. De bekendmaking van de resultaten van de inspraak is uitermate belangrijk. Het ligt voor de hand om degenen die hebben ingesproken een exemplaar van het eindverslag te sturen. Daarnaast kan het eindverslag algemeen worden gepubliceerd in de krant en op de gemeentelijke website. Als het aantal insprekers omvangrijk is, kan worden gekozen voor het volstaan met een algemene bekendmaking. Het is aan te bevelen om tijdens de inspraakavond al duidelijkheid omtrent de communicatie te verschaffen.
In het vierde lid wordt de stadsdeelvoorzitter verplicht om het eindverslag te vermelden in zijn burgerjaarverslag overeenkomstig artikel 170, tweede lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet.

Artikel 9 Intrekking oude verordening
Met deze bepaling wordt de bestaande participatieverordening ingetrokken. De datum waarop de oude verordening vervalt, is de datum waarop de verordening in werking treedt (zie artikel 10). Artikel 10 Inwerkingtreding
Deze verordening treedt zes weken na de dag van bekendmaking in werking. Het dagelijks bestuur is gehouden tot het bekendmaken van de verordening.
In artikel 9 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt. Het besluit tot intrekking maakt deel uit van de verordening tot vaststelling of wijziging van de bestaande inspraakverordening.

Artikel 11 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening. In de citeertitel wordt geen jaartal opgenomen om te voorkomen dat de schijn wordt gewekt dat de verordening slechts voor een jaar geldt.

Wetteksten
A. Gemeentewet (Wet van 14 februari 1992, houdende nieuwe bepalingen met betrekking tot gemeenten)
De tekst van het nieuwe artikel 150 Gemeentewet luidt als volgt:

Artikel 150
1. De raad stelt een verordening vast waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken.
2. De in het eerste lid bedoelde inspraak wordt verleend door toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover in de verordening niet anders is bepaald.

Artikel 170
1. De burgemeester ziet toe op:
a. een tijdige voorbereiding, vaststelling en uitvoering van het gemeentelijk beleid en van de daaruit voortvloeiende besluiten, alsmede op een goede afstemming tussen degenen die bij die voorbereiding, vaststelling en uitvoering zijn betrokken;
b. een goede samenwerking van de gemeente met andere gemeenten en andere overheden;
c. de kwaliteit van procedures op het vlak van burgerparticipatie;
d. een zorgvuldige behandeling van bezwaarschriften;
e. een zorgvuldige behandeling van klachten door het gemeentebestuur.
2. De burgemeester brengt tegelijk met de in artikel 197 bedoelde stukken een burgerjaarverslag uit, waarin hij in ieder geval rapporteert over:
a. de kwaliteit van de gemeentelijke dienstverlening;
b. zijn bevindingen over het eerste lid, onder c.
3. De burgemeester bevordert overigens een goede behartiging van de gemeentelijke aangelegenheden.


B. Algemene wet bestuursrecht (Wet van 4 juni 1992, houdende algemene regels van bestuursrecht)

Artikel 1:1
Onder bestuursorgaan wordt verstaan:
a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of
b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

Artikel 1:2
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
2. Ten aanzien van bestuursorganen worden de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.
3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

C. Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2002, 54)
De tekst van de nieuwe afdeling 3.4 Awb luidt als volgt:
AFDELING 3.4 UNIFORME OPENBARE VOORBEREIDINGSPROCEDURE
Artikel 3:10
1. Deze afdeling is van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.
2. Afdeling 4.1.1 is mede van toepassing op andere besluiten dan beschikkingen, indien deze op aanvraag worden genomen en voorbereid overeenkomstig deze afdeling.

Artikel 3:11
1. Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.
2. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.
3. Tegen vergoeding van ten hoogste de kosten verstrekt het bestuursorgaan afschrift van de ter inzage gelegde stukken.
4. De stukken liggen ter inzage gedurende de in artikel 3:16, eerste lid, bedoelde termijn.

Artikel 3:12
1. Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft het bestuursorgaan in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud.
2. Indien het een besluit van een tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan betreft, wordt de kennisgeving in ieder geval in de Staatscourant geplaatst, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
3. In de kennisgeving wordt vermeld:
a. waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen;
b. wie in de gelegenheid worden gesteld om zienswijzen naar voren te brengen;
c. op welke wijze dit kan geschieden;
d. indien toepassing is gegeven aan artikel 3:18, tweede lid: de termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen.

Artikel 3:13
1. Indien het besluit tot een of meer belanghebbenden zal zijn gericht, zendt het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp toe aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
2. Artikel 3:12, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:14
1. Het bestuursorgaan vult de ter inzage gelegde stukken aan met nieuwe relevante stukken en gegevens.
2. Artikel 3:11, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing.
Artikel 3:15
1. Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.
2. Bij wettelijk voorschrift of door het bestuursorgaan kan worden bepaald dat ook aan anderen de gelegenheid moet worden geboden hun zienswijze naar voren te brengen.
3. Indien het een besluit op aanvraag betreft, stelt het bestuursorgaan de aanvrager zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen.
4. Indien het een besluit tot wijziging of intrekking van een besluit betreft, stelt het bestuursorgaan degene tot wie het te wijzigen of in te trekken besluit is gericht zo nodig in de gelegenheid te reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen.

Artikel 3:16
1. De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen en het uitbrengen van adviezen als bedoeld in afdeling 3.3, bedraagt zes weken, tenzij bij wettelijk voorschrift een langere termijn is bepaald.
2. De termijn vangt aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd.
3. Op schriftelijk naar voren gebrachte zienswijzen zijn de artikelen 6:9 en 6:10 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:17
Van hetgeen overeenkomstig artikel 3:15 mondeling naar voren is gebracht, wordt een verslag gemaakt.

Artikel 3:18
1. Indien het een besluit op aanvraag betreft, neemt het bestuursorgaan het besluit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes maanden na ontvangst van de aanvraag.
2. Indien de aanvraag een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft, kan het bestuursorgaan, alvorens een ontwerp ter inzage te leggen, binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de in het eerste lid bedoelde termijn met een redelijke termijn verlengen. Voordat het bestuursorgaan een besluit tot verlenging neemt, stelt het de aanvrager in de gelegenheid zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.
3. In afwijking van het eerste lid neemt het bestuursorgaan het besluit uiterlijk twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerp, indien het een besluit betreft:
a. inzake intrekking van een besluit;
b. inzake wijziging van een besluit en de aanvraag is gedaan door een ander dan degene tot wie het te wijzigen besluit is gericht.
4. Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht doet het bestuursorgaan daarvan zo spoedig mogelijk, nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, mededeling op de wijze, bedoeld in artikel 3:12, eerste en tweede lid. In afwijking van het eerste of derde lid neemt het bestuursorgaan het besluit in dat geval binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken.

Artikel 3:42
1. De bekendmaking van besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.
2. Indien alleen van de zakelijke inhoud wordt kennisgegeven, wordt het besluit tegelijkertijd ter inzage gelegd. In de kennisgeving wordt vermeld waar en wanneer het besluit ter inzage ligt.
 
Raamwerk participatie stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer

1. Inleiding

Het stadsdeel Geuzenveld - Slotermeer heeft zich altijd actief ingezet om de participatie met burgers verder te verbeteren. In 1995 stelde het stadsdeel al een Participatieverordening vast. Het stadsdeel noemde deze verordening Participatieverordening, en geen Inspraakverordening, om aan te geven dat het stadsdeel de burgers meer wilde betrekken dan in de Gemeentewet was voorgeschreven.
Na een aantal jaren hiermee te hebben gewerkt, is op initiatief van raadsleden in april 2000 een discussie gestart over de vernieuwing van de lokale democratie en de mogelijkheden van participatie daarbinnen. Dit heeft in maart 2001 geresulteerd in een notitie van de fractievoorzitters van de stadsdeelraad ‘Vernieuwing van de lokale democratie in stadsdeel Geuzenveld - Slotermeer’. Deze notitie is door het DB voor kennisgeving aangenomen en door de raad vastgesteld. Een deel van de notitie handelt over de rol van de raad in het nieuwe dualistische bestuurssysteem. Hoofdmoot van de notitie handelt over participatie van burgers. Belangrijke knelpunten bij participatie die in deze notitie worden genoemd zijn:
· de gebrekkige communicatie tussen raadsleden en (actieve) bewoners,
· onduidelijkheid over de bevoegdheden van bewoners in complexere besluitvormingsprocedures,
· geen heldere spelregels over de participatie van burgers,
· voor burgers is niet altijd duidelijk, of het om voorlichting, inspraak of medebeslissingsrecht gaat,
· de rollen en posities van diverse deelnemers in de buurtoverleggen en
· de taal- en cultuurbarrières bij participatie van migranten.
In de notitie worden voor deze problemen ook oplossingsrichtingen genoemd, zoals: het inzetten van nieuwe communicatie-instrumenten, gemengde themagroepen van raadsleden en burgers, het organiseren van raadsbezoeken of buurtschouwen, het houden van meningspeilingen, het herdefiniëren van de rol van de raadsleden in buurtoverleggen, een heroriëntatie op de buurtoverleggen en verheldering van de participatie van bewoners bij grote projecten. Het stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer heeft een aantal van deze voorstellen vastgesteld en is hier vervolgens mee aan de slag gegaan.

In februari 2002 heeft bureau Radar in opdracht van de stadsdeelraad deze oplossingen verder uitgewerkt in een adviesnota. Op basis van schriftelijke informatie, interviews en groepsbijeenkomsten komen ook zij tot een aantal conclusies en mogelijke oplossingsrichtingen. Aangegeven wordt dat de buurtdemocratie, ondanks goede intenties van de betrokkenen, in een negatieve spiraal is terechtgekomen. Het beperkte aantal actieve bewoners maakt zich voornamelijk druk om zaken op het terrein van buurtbeheer en het stadsdeel kan bij bredere, meer beleidsmatige thema’s niet met de buurtdemocratie uit de voeten. Daarbij is de buurtgerichte aanpak niet geschikt voor participatie op het gebied van stedelijke vernieuwing en problemen die de wijk overstijgen. Ten slotte is de status van de inbreng van de bewoners onduidelijk.
In mei 2002 is dit advies in een speciale raadscommissie behandeld. Op 2 juli 2002 heeft de stadsdeelraad een aanzet gegeven voor het vervolg en besloten om als eerste stap een raadsconferentie te organiseren. Rutten Communicatie-advies is gevraagd om deze conferentie te organiseren en de aanzet van de conceptnota Participatie Geuzenveld - Slotermeer op te stellen.


Nieuw participatiebeleid
Met deze nota Participatie wil het stadsdeel een concreet vervolg geven op het voorgaand beschreven traject. Om de participatie te verbeteren onderscheidt Geuzenveld - Slotermeer twee niveaus van participatie:

(1) stadsdeelbeleid (o.a. stedelijke vernieuwing) (gestructureerde participatie/interactieve beIeidsvorming~

(2) buurtgerichte aanpak (structurele participatie)
 De keuze voor een van de drie beleidsontwikkelings-modellen staat centraal:
· het informatiemodel,
· het consultatiemodel 
· het coproductiemodel

Op basis van de doelstellingen en randvoorwaarden van het participatieproces wordt per beleidsprobleem op een gestructureerde en transparante manier gekozen voor één van deze modellen. Een uitkomst van het afwegingsproces kan tenslotte ook zijn dat er voor een bepaald beleidsprobleem juist niet gekozen moet worden voor participatie.
Het gekozen model geeft richtlijnen voor de inrichting van het proces en de rol van de raad, het dagelijks bestuur, bewoners en andere externe doelgroepen. Op basis van het gekozen model kunnen ook de in te zetten communicatiemiddelen worden bepaald.

3. De drie beleidsontwikkelingsmodellen

In het Raamwerk Participatie Geuzenveld-Slotermeer zijn drie beleidsontwikkelingsmodellen denkbaar voor participatie binnen/interactie rond de ontwikkeling van beleid. Om een keuze tussen de modellen te maken is een uitgebreide analyse van de beleidssituatie nodig. Op basis van de beoogde doelsteUingen en randvoorwaarden kan vervolgens een keuze worden gemaakt. Hieronder worden de modellen met mogelijke voor- en nadelen omschreven. Model 1 geldt overigens niet als een participatie-/interactief model. In dit model is de beleidsruimte en de invloed van participanten het kleinst, zo niet afwezig. In model 3 - coproductie - is de beleidsruimte en de invloed het grootst.

Model 1. Informatiemodel
I
n dit model wordt ervan uitgegaan dat het stadsdeel het beleid bepaalt. Op basis van onderzoek en eventueel beperkte consultatie van professionele organisaties en het maatschappelijk middenveld, bepaalt het stadsdeel zelf de inhoud van het beleid. De burgers worden daarbij zo goed mogelijk over de achtergronden van en motieven voor de keuzes geïnformeerd. Door voorlichting die gericht is op het overtuigen van de doelgroepen, wordt getracht draagvlak te verwerven.
Met verschillende argumenten kan worden gekozen voor dit besluitvormingsmodel, bijvoorbeeld omdat er te weinig tijd en beleidsruimte is of omdat het stadsdeel van mening is dat een discussie met de bevolking over de inhoud nauwelijks een toegevoegde waarde heeft. Daarnaast zijn er besluiten die door hogere overheden worden opgelegd, of bijvoorbeeld technisch zijn of uitwerkingen van eerder genomen besluiten etc.
Indien dit volgens de participatie-(inspraak)verordening vereist is, wordt aan het eind van het proces formele inspraak georganiseerd.

Model 2. Consultatiemodel
In het Consultatiemodel ontwikkelt het stadsdeel de plannen in interactie met het maatschappelijk middenveld, direct belanghebbenden en deskundigen. Bij de invulling van dit model is variatie mogelijk. Dit is onder andere afhankelijk van het moment waarop in het beleidsproces de consultatie plaatsvindt en de ruimte die er dus nog is voor invulling en aanpassing. Het onderscheid van invulling wordt aangegeven door de termen ‘Toetsen’ en ‘Meedenken’. Deze twee aanpakken hebben een andere inzet, maar kunnen ook in elkaars verlengde of om beurten worden toegepast.

Toetsen (2a): het stadsdeel kan bijvoorbeeld (grotendeels) zelf de agenda van de ontwikkeling bepalen, de problemen zelf proberen op te lossen en het conceptplan daarna ‘breed’ toetsen en in discussie brengen. Op basis hiervan worden de plannen - al dan niet - aangepast.
Meedenken (2b): het stadsdeel kan er ook voor kiezen, binnen zeer ruime kaders, deelnemers via een open vraagstelling uit te nodigen om over een probleem na te denken en daarbij zo veel mogelijk ideeën en eventuele oplossingen loskrijgen. Uitgangspunt is wel, dat het stadsdeel zich zoveel mogelijk verbindt aan de resultaten. Bij de uiteindelijke besluitvorming kan daarvan echter beargumenteerd worden afgeweken.

Model 3. Coproductiemodel
Op basis van (de analyse en gegevens over) het beleidsprobleem wordt met belangstellenden en betrokkenen samengewerkt. Deze samenwerking kan op verschillende manieren worden vormgegeven. In dit model heeft het stadsdeel niet per definitie het voortouw. Het kan bijvoorbeeld goed dat de probleemanalyse gezamenlijk of door burgers zelf wordt gedaan. De samenwerking gebeurt soms op basis van gelijkwaardigheid en soms krijgen deelnemers binnen vooraf gestelde kaders zelfs beslissingsbevoegdheid. Het uiteindelijke beleid(sresultaat) is in dit geval een gezamenlijke productie.
Dit beleidsontwikkelingsmodel wordt in de regel vooral ingezet bij de buurtgerichte aanpak.