Onderwijs
Per 1 januari 2007 zullen de openbare scholen bestuurlijk niet langer vallen onder het Stadsdeel. Het bestuur zal worden overgedragen aan de stichting Openbaar Onderwijs Westelijke Tuinsteden. 15 september 2006 is hiervoor de belangrijkste beslissingsdatum. Voor die tijd zullen alle pijnpunten moeten zijn opgelost. Hieronder vallen o.a. personeel, de risico's, de afspraken op het gebied van huisvesting en gebouwbeheer en vooral het draagvlak bij directies en medewerkers. Behalve voor het openen of sluiten van scholen, benoemen van bestuursleden en wijzigingen van statuten heeft de deelraad geen zeggenschap meer over de scholen.
Het gaat hierbij om de volgende scholen: Burgemeester de Vlugtschool, Goeman Borgesiusschool, P.J. Troelstraschool, Slootermeerschool, De Kade en de A. van Voorthuijsenschool. De stichting ontvangt van het Stadsdeel een "bruidsschat van Euro 1.066.229,00 te betalem in 5 jaarlijkse termijnen en de kosten voor een sociaal plan ten aanzien van de medewerkers binnen de stadsdeelorganisatie bedraagt maximaal Euro 300.000,00. Het stadsdeel denkt hierbij jaarlijks Euro 883.551,00 te kunnen besparen. In de deelraadsvergadering van juli besluit de deelraad over de overdracht
Er zijn in Geuzenveld-Slotermeer in totaal 18 scholen, waarvan 10 voor het basisonderwijs, 7 voor speciaal en 1 voor voortgezet onderwijs. De scholen in Geuzenveld-Slotermeer met hun 6.646 leerlingen presteren niet conform het stedelijk gemiddelde. De Cito scores zijn lager en het verzuim hoger. Al met al is dit dus voor verbetering vatbaar, zo vindt de onderwijsinspectie. Vanwege het feit dat Geuzenveld -Slotermeer vooral zwarte scholen heeft wordt er nog al eens uitgeweken naar scholen buiten het Stadsdeel zoals de BAS in Badhoevedorp en een school in Halfweg.
Leerlingen zijn leerplichtig vanaf de eerste dag van de maand volgende op die waarop hij/zij de leeftijd van 5 jaar heeft bereikt tot het eind van het schooljaar waarin de leerling de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt. Daarna zijn zij nog een jaar partieel leerplichtig.
Er zijn aan de scholen in het Stadsdeel extra financiële middelen toegekend om de achterstanden in te halen. Ook zijn er plannen (Schatkamer project) ontwikkeld voor brede scholen waarbij in en rond de school diverse welzijnsvoorzieningen worden geconcentreerd, zoals sport, cultuur, extra taallessen, huiswerkbegeleiding en ICT voorzieningen, gecombineerd met een naschoolse opvang.
In september 2001 is het schatkamerproject van start gegaan op drie scholen. Dit is een project waarbij kinderen van de basisschool een naschools activiteitenprogramma kunnen volgen, waarbij creativiteit, expressiviteit en sportiviteit centraal staan. Deelnemende scholen zijn: De Slootermeerschool, de Immanuelschool en de Henricusschool. Ontwikkeling en uitvoering van het onderwijsbeleid zijn is een van de kerntaken van de sector Welzijn en Onderwijs. Binnen de sector, werken ca. 30 mensen op de afdelingen onderwijs en welzijnsbeleid. Dit jaar (10/2004) wordt het schatkamer project uitgebreid van 3 naar 5 scholen.
Bijzonder onderwijs is er op protestants-christelijke en katholieke grondslag.
Het Koggeschip en St. Henricus hebben Rooms Katholiek en Timotheus, Immanuel, Dr. O. Noordmans en Dr. M.B. van 't Veer hebben Protestants Christelijk onderwijs.
De basisschool is verdeeld in onderbouw en bovenbouw.
De onderbouw richt zich naar de spontane belangstelling van de kleuter, houdt rekening met het individuele tempo en besteed aandacht aan het spelelement.
De bovenbouw kent bij wet geregelde vakken zoals: zintuiglijke en lichamelijke oefening, Nederlandse taal, rekenen, wiskunde, Engelse taal, aardrijkskunde, geschiedenis, natuur, biologie, maatschappelijke verhoudingen, geestelijke stromingen, expressie activiteieten en bevordering van de sociale redzaamheid.
Gedurende 10 maanden is er 3 keer per week gratis Nederlandse les voor Geuzenveld Slotermeer bewoners van 18 jaar of ouder. De lessen duren steeds 3 uren en worden op verschillende locaties gegeven. Voor kinderoppas (tot 3 jaar) wordt gezorgd. Voorwaarde is wel dat deelnemers voor 30/9 1998 naar Nederland zijn gekomen. Inschrijven via SBB, Jan de Louterstraat 19 of bij de Steunpunten in de buurten.
Voor Geuzenveld-Slotermeer geldt dat ruim één op
de vier leerlingen een advies voor praktijkonderwijs (pro) of vmbo met
leerwegondersteuning (lwoo) krijgt. Het Stadsdeel blijft achter bij de rest van
de stad. In 2008 deden 205 Amsterdamse scholen deel aan de toets. 95 scholen
scoren lager dan het landelijk gemiddelde en 110 scholen scoren hoger. De
Cito-score van Amsterdam is dit jaar 537,4, landelijk 536,2.
De stijging van de score doet zich voor in bijna alle stadsdelen, behalve in
Geuzenveld-Slotermeer en Zuidoost.
Basisscholen krijgen medewerker die ouders betrekt bij
school
2008 maart. Alle basisscholen van het stadsdeel krijgen binnenkort een
oudercontactfunctionaris om de betrokkenheid van ouders bij het onderwijs van
hun kinderen te vergroten. Hiervoor verleent het dagelijks bestuur een subsidie
voor maximaal € 234.352,- aan de stichting Welzijn Zuideramstel. Betrokkenheid
van ouders is belangrijk voor de schoolresultaten van een basisscholier en is
daarom landelijk en stedelijk speerpunt. Het stadsdeel heeft in samenwerking met
de schooldirecteuren een profiel opgesteld voor de kersverse functie op
hbo-niveau. De oudercontactfunctionaris is voor 3 tot 4 dagdelen per week
werkzaam op school.
School’s Cool: persoonlijke begeleiding naar brugklas
Het Stadsdeel stelt ruim € 36.000 beschikbaar voor het project School’s Cool. Daarmee kunnen vijfentwintig leerlingen uit groep 8 van het basisonderwijs individueel begeleid worden bij de overgang naar het voortgezet onderwijs.
School’s Cool beschikt over mentoren die leerlingen op een verstandige manier ondersteunen bij deze stap. Het gaat om leerlingen die vanwege hun thuissituatie geen of onvoldoende begeleiding bij hun schoolloopbaan kunnen krijgen. De begeleiding duurt ongeveer anderhalf jaar. De stichting Welzijn Westerpark coördineert dit project.
informatieavond over de fusie en uitbreiding van basisschool de Kade
Basisschool De Kade en de Van Voorthuijsenschool gaan fuseren. Het schoolbestuur wil beide basisscholen huisvesten op de huidige locatie van basisschool De Kade aan de Thomas van
Aquinostraat. Dit is mogelijk door uitbreiding van het bestaande gebouw.
De stadsdeelraad zal in juni 2006 besluiten of huisvesting van de fusieschool op de locatie van de huidige de Kadeschool gewenst is. Als dat wordt besloten dan zal een plan voor renovatie en uitbreiding van het huidige gebouw worden gemaakt.
Het Stadsdeel gaat de buurt op donderdag 20 april aanstaande informeren over de fusie van de scholen en over de argumenten van het schoolbestuur voor huisvesting op de huidige locatie van De Kade. Portefeuillehouder Piet Dikken is tijdens de avond aanwezig om uw vragen te beantwoorden. Ook zal die avond worden toegelicht welke mogelijkheden u krijgt om uw mening te laten horen tijdens het vervolgtraject.
De avond begint om 20:00 en duurt tot 21:30 uur. De Kade
adres: Thomas van Aquinostraat 2
Eerste steen brede school 't Koggeschip
Dinsdag 26 april legde wethouder Anton Ederveen samen met een paar leerlingen van basisschool 't Koggeschip de eerste steen van de nieuwe school.
Er stonden maar liefst 600 leerlingen op de bouwplaats van hun nieuwe school om de plechtigheid bij te wonen.
Ook ouders van de leerlingen, leerkrachten, mensen van de bouw, de architect en actieve buurtbewoners waren van de partij.
Het nieuwe 't Koggeschip is de eerste Brede Basisschool die in ons stadsdeel gebouwd wordt. Een brede school is een school waar verschillende groepen onderdak vinden. In het gebouw volgen kinderen onderwijs en vinden buurtbewoners een plek om bijvoorbeeld te sporten. Daarvoor wordt de school uitgerust met een dubbele sportzaal en met vier welzijnslokalen.
In de tijd voor en na school zijn er dus ook activiteiten. 't Koggeschip wordt zo het kloppend hart van buurt negen en is onderdeel van de stedelijke vernieuwing in stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer.
De taak van het Stadsdeel bij het onderwijs
De lokale overheid is het bevoegd gezag van het openbaar primair en voortgezet onderwijs. Om de schijn van bevoordeling van het openbaar onderwijs te vermijden, hebben veel gemeenten het bestuur van openbare scholen op afstand geplaatst: bijna 50% van de gemeenten deed dit in het primair onderwijs, 75% van de gemeenten in het voortgezet onderwijs. Dit impliceert dat het college van B&W of de gemeenteraad niet de primaire, bestuurlijke verantwoordelijkheid heeft voor het openbaar onderwijs, maar de onderwijsinstelling zelf. De lokale overheid draagt zorg voor een duidelijke plaats van het onderwijs in het lokaal welzijns- en jeugdbeleid. Het primair en voortgezet onderwijs krijgt steeds uitdrukkelijker de opdracht om extra aandacht te geven aan achterstandsleerlingen (Weer Samen Naar School (WSNS), De gemeentelijke overheid is sinds 1997 verantwoordelijk voor de onderwijshuisvesting.
Dat wil zeggen dat nieuwbouw, verbouwingen en het plaatsen van noodlokalen door gemeenten gepland en betaald worden. De rijksoverheid levert weliswaar jaarlijks via het gemeentefonds een bijdrage aan de kosten, maar blijkens de huisvestingsmonitor dragen gemeenten substantieel bij uit autonome middelen. Aangezien met onderwijshuisvesting een aanzienlijk budget is gemoeid, kunnen gemeenten via dit technische dossier beleidsinhoudelijke sturing bewerkstelligen. Als een gemeente om beleidsmatige redenen voor de brede school kiest, kan onderwijshuisvesting dat naderbij brengen.
Vanuit de GOA-wet (gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid)
is het Stadsdeel ook verantwoordelijk voor het lokaal achterstandenbeleid. Hierbij moet zij samen met de schoolbesturen een lokale invulling geven aan het landelijk beleidskader (LBK).
De GOA zal de komende jaren in het teken staan van het in de praktijk brengen van het beleid. Zo zullen de voor- en vroegschoolse educatie (VVE) en het OnderwijsKansenbeleid (OK) in het GOA-beleid worden opgenomen.
Het Stadsdeel had tevens de verantwoordelijk voor de invulling van het onderwijs in allochtone levende talen (OALT). De lokale overheid heeft een rol in het tot stand brengen van samenwerking tussen de organisaties voor wat betreft kinderopvang, school, zorg, vrije tijd en werk. Bij het onderwijsbeleid speelt het reguliere overleg met schoolbesturen een belangrijke rol. In dat "gerichte" overleg ook wel OOGO genoemd komen onder andere het
onderwijsachterstanden- en het huisvestingsbeleid aan de orde.
Ook draagt het Stadsdeel de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de
Leerplichtwet compleet met een geautomatiseerde leerlingenadministratie, voorlichting, relatiebeheer en schoolmaatschappelijk werk. De op de bestrijding van voortijdig schoolverlaten gerichte wettelijke regeling, verplicht scholen (voor voortgezet onderwijs en Regionale Opleidings Centra (ROC)) om bij het Regionale Meld- en Coördinatiepunt (RMC) melding te maken van leerlingen tot 23 jaar die de school verlaten zonder startkwalificatie.
Ook het leerlingenvervoer is een verantwoordelijkheid van het Stadsdeel. De vele taxi’s en taxibusjes die onder andere naar scholen voor speciaal onderwijs rijden, worden door
het Stadsdeel bekostigd. Hierbij zorgt het Stadsdeel voor het opstellen van
verordeningen, informatie en voorlichting aan scholen en ouders/verzorgers,
aanbesteding, contracteren van uitvoerende ondernemingen, afgeven van beschikkingen aan
ouders en tot slot de afhandeling van bezwaar- en beroepsprocedures.
Schoolbegeleiding
Vanaf 1998 is ook schoolbegeleiding gedecentraliseerd. Deze decentralisatie heeft tot gevolg gehad dat de rijksmiddelen
via de gemeenten naar de Stadsdelen gaan en gecombineerd met de gemeentelijke middelen door de schoolbegeleidingsdienst worden ingezet. Op
initiatief van de 2e Kamer heeft de minister van OCenW besloten om het rijksbudget schoolbegeleiding per 1 augustus 2003 naar schoolbegeleidingsdiensten over te maken. In zijn visie dienen scholen zelf te bepalen welke begeleidingsexpertise waar ingekocht wordt. Dit is een uitdaging voor gemeenten en schoolbegeleidingsdiensten. Gemeenten
en dus ook Stadsdeelbestuur krijgen hierdoor een betere visie op doelen en functies van schoolbegeleiding en
kunnen dan zaken doen met schoolbesturen.
SCHOOLMAATSCHAPPELIJK WERK
Schoolmaatschappelijk werk wordt
uitbesteed aan Altra.
Altra biedt hulp aan kinderen en jongeren die zijn vastgelopen of dreigen vast te lopen in hun ontwikkeling en aan ouders die steun nodig hebben bij de opvoeding. Altra helpt ook scholen die extra hulp willen bij de begeleiding van hun leerlingen.
Behalve hulpverlening geeft Altra speciaal onderwijs aan kinderen die door gedragsproblemen en/of psychiatrische problemen geen normale schoolloopbaan kunnen volgen. Deze vorm van onderwijs wordt gegeven door het Altra College, tot voor kort bekend als De Werkruimte.
Altra gebruikt verschillende hulpvormen, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de sterke kant van ouders en kinderen. Die hulpvormen variëren van betrekkelijk licht en kortdurend tot zeer intensief en voor een langere periode. Voor alle hulpvormen gelden dezelfde uitgangspunten:
De hulp duurt niet langer dan nodig en vindt zo dicht mogelijk bij huis en school plaats.
De hulp gaat uit van de vragen en behoeften van de cliënt.
De hulp is gericht op het beter functioneren van ouders èn kind samen.
De hulp wordt gegeven op basis van een hulpverleningsplan dat in overleg met de cliënt wordt opgesteld.
GRATIS NEDERLANDSE TAALLES
Taal in de buurt
Taal in de Buurt geeft informatie en advies over cursussen Nederlandse taal die bestemd is voor alle buurtbewoners. Tevens kunt u zich hier aanmelden voor diverse Nederlandse taalcursussen.
Bewoners van stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer kunnen zich aanmelden voor een gratis oudkomerscursus Nederlands, voor vervolgcursussen bij het ROC van Amsterdam of voor conversatiecursussen Nederlands.
Gedurende tien maanden worden er drie keer per week, drie uur les gegeven. Bewoners leren de Nederlandse taal in deze cursus en krijgen daarnaast meer kennis over de Nederlandse samenleving.
De oudkomerscursus is bedoeld voor volwassenen, die voor 30 september 1998 naar Nederland zijn gekomen. Zij mogen niet eerder een inburgeringscursus of een oudkomerscursus hebben gevolgd.
Bewoners die na 30 september 1998 naar Nederland zijn gekomen hebben eerder deelgenomen aan een inburgeringscursus. Zij kunnen verder met het leren van de Nederlandse taal bij het ROC van Amsterdam.
Maar ook bewoners die al hebben deelgenomen aan een oudkomerscursus van het stadsdeel kunnen zich bij Taal in de Buurt aanmelden voor een vervolgcursus bij het
ROC.
Een conversatiecursus is bedoeld voor bewoners die al een beetje Nederlands kunnen praten, maar dit willen blijven oefenen met behulp van een cursus. Door te praten over verschillende thema's wordt de kennis van de Nederlandse taal en samenleving op peil gehouden en vergroot.
Alle bewoners en organisaties kunnen bij het project Taal in de Buurt terecht met vragen of problemen over de Nederlandse taallessen. Het project Taal in de Buurt werkt vanuit het Steunpunt Leefbaarheid en Veiligheid Buurt 5, aan de Burgemeester Van Leeuwenlaan 71-73 te Amsterdam.
De medewerkers zijn telefonisch te bereiken op 020 613 0725, 06 4170 0270 (taalcoördinator) en op 06 2257 4673 (medewerker
Oudkomers).
Bewoners kunnen langskomen of bellen naar een van de volgende spreekuren:
Maandag 10.00 – 12.00 uur
Steunpunt Leefbaarheid & Veiligheid Buurt 5
Burgemeester van Leeuwenlaan 71-73
1064 KM Amsterdam
telefoon: 020 613 0725
Dinsdag 11.00 – 12.00 uur
Steunpunt Leefbaarheid en Veiligheid Buurt 8
Albardakade 5
1067 DD Amsterdam
telefoon: 020 411 0757
Donderdag 13.00 – 14.00 uur
Steunpunt voor Leefbaarheid & Veiligheid Buurten 3 & 4
Slotermeerlaan 150
1063 JW Amsterdam
telefoon: 020 613 2356
Samenwerking
Het project Taal in de Buurt is een project van Stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer. In dit project werkt het stadsdeel samen met de diverse steunpunten Leefbaarheid & Veiligheid, onderwijs- en welzijnsinstellingen en zelforganisaties.
Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid
Doelstelling van dit beleid is het verminderen van sociaal-economisch geïndiceerde (onderwijs)achterstanden. Kinderen uit lagere sociaal-economische milieus stromen nu door naar lagere vormen van voortgezet onderwijs. Naast de middelen die
het Stadsdeel voor dit beleid ontvangt, ontvangen scholen zelf voor primair en voortgezet onderwijs voor dit beleidsdoel rechtstreeks
fondsen van het ministerie van OCenW. Sinds de start van GOA is wettelijk vastgelegd dat gemeentelijke en schoolgebonden middelen in samenhang moeten worden ingezet.
Het beleid ten aanzien van voor- en vroegschoolse educatie (VVE) heeft vanaf 2000
extra geld en aandacht van de rijksoverheid gekregen. Op basis van drie regelingen
ontvangt het Stadsdeel via de Centrale Stad jaarlijks middelen om effectieve voor- en vroegschoolse programma’s op kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en groep 1 en groep 2 basisonderwijs uit te voeren. Vanaf 1 augustus 2002 maakt VVE deel uit van het GOA.
Ook OALT is sinds 1998 gedecentraliseerd. Op basis van deze wet kunnen leerkrachten die zowel de allochtone taal als het Nederlands voldoende beheersen, in groep 1 tot en met 4 kinderen in de eigen taal ondersteunen in het Nederlandse onderwijsproces. Deze tijd wordt als lestijd aangemerkt. Voor kinderen in groep 5 tot en met 8 moet OALT vooralsnog buiten lestijd worden aangeboden en is het niet meer gericht op ondersteuning van het Nederlandse onderwijsproces. Vanaf 1 augustus 2002 gaat dit veranderen. Dan gelden voor deze oudere kinderen dezelfde regels als voor groep 1 tot en met 4.Het
Stadsdeel is als schoolbestuur verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs op de openbare scholen.
In dit Stadsdeel is de portefeuillehouder Onderwijs ook de portefeuillehouder
van jeugdzaken en hij heeft tot taak en de verantwoordelijkheid om iets te doen aan onderwijsachterstanden. Dan
begint al bij de peuterspeelzaal. De portefeuillehouder moet daarbij ook
zorgdragen voor de verbinding tussen het onderwijsbeleid en het welzijn.
Het Stadsdeel heeft een verantwoordelijkheid om onderwijsachterstanden weg te werken en een van de instrumenten is OALT. In groep 1 tot en met 4 leveren OALT-leraren een bijdrage aan het algemeen onderwijs. In de hogere groepen gaat het alleen om les in de eigen taal, wat alleen buiten schooltijd mag. Vanaf 1 augustus 2002 mag ook in de hogere groepen taalondersteuning onder lestijd worden aangeboden.
OALT staat onder druk. Leraren blijken moeilijk te vinden en de Rekenkamer presenteerde een kritisch rapport. Maar in de praktijk van alledag functioneert OALT
nog uitstekend. Veel ouders willen graag dat de kinderen Arabisch kunnen spreken en lezen. Ook al praten zij thuis Nederlands. Op zichzelf is dat wel goed als zij thuis veel Nederlands praten.
Meer informatie vindt u op www.oalt.nl.
De brede school.
Een verzameling van een aantal voorzieningen op één locatie zodat ouders en schoolkinderen niet op verschillende plaatsen hoeven te zijn voor hun dagbesteding. Welke voorzieningen er moeten komen in de brede school, hangt af van de behoefte. Vaak gaat het om kinderdagverblijf en peuterspeelzaal (in verband met jongere broertjes en zusjes), naschoolse opvang (geen verplaatsing), clubjes en jongerenwerk, buurthuiswerk, opvoedingsondersteuning, jeugdzorg en GGD, en culturele instellingen als bibliotheek en muziekschool. In een brede school komen veel partijen samen. De financiering komt van het gemeentefonds (gedecentraliseerde middelen welzijnsbeleid), GOA-middelen, middelen voor schoolbegeleidingsdiensten, Fonds Sociale Integratie en Veiligheid van het grotestedenbeleid, kinderopvangmiddelen (zoals de stimuleringsmaatregel kinderopvang), gemeentelijke middelen voor onderwijshuisvesting, eventueel de opbrengst van vrijkomende gronden en eventuele gemeentelijke reserves. Er is geen aparte rijksbijdrage voor een brede school beschikbaar omdat de rijksoverheid ervan uitgaat dat de brede school een andere organisatie van dezelfde taken behelst en dus niets extra’s hoeft te kosten. De huisvesting van de brede school is van groot belang en de locatie van de school moet een logische en centrale rol in de wijk mogelijk maken. Welke partners een rol gaan spelen in de brede school, hangt af van de behoefte in de wijk. Zijn er veel tweeverdienende ouders? Dan zijn opvang en buurthuiswerk belangrijk. Zijn er veel kinderen met problemen? Dan zijn zorginstellingen belangrijk. Ook sportclubs kunnen belangrijke partners zijn. De gemeente houdt de regierol: de samenwerking tussen de partners die deel uitmaken van de brede school, moet op peil gehouden worden.
Handhaving leerplicht
Het Stadsdeel moet de Leerplichtwet handhaven. Leerlingen krijgen tegenwoordig na hardnekkig verzuim een procesverbaal.
Hierover komen de ouders vaak bij de school klagen, terwijl die er feitelijk
buiten staan. De leerplichtambtenaren werken samen met het Openbaar Ministerie, de Raad voor de
Kinderbescherming en het bureau jeugdzorg.
Bij de handhaving van de Leerplichtwet zijn goede contacten tussen gemeente en scholen onontbeerlijk. Volgens de Leerplichtwet zijn scholen verplicht drie achtereenvolgende dagen ongeoorloofd schoolverzuim te melden. Maar dit gebeurt nog lang niet overal snel en adequaat. Sommige scholen beschouwen verzuimmeldingen vooral als een administratieve verplichting, waar weinig of geen voordelen tegenover staan.
Meer hierover leest u op de "leerplichtpagina.
VVE is ook een verantwoordelijkheid van het Stadsdeel. Het Rijk stelt in de VVE-regeling middelen beschikbaar om met voor- en vroegschoolse educatie voor 3- tot 6-jarigen dreigende onderwijsachterstanden tegen te gaan. Inmiddels
is dit geïntegreerd in de middelen voor het GOA.
Een VVE-programma vraagt om een keuze voor een doelgroep. Verder veronderstelt het een vorm van samenwerking met externe partijen, bijvoorbeeld de kleuterschool, het kinderdagverblijf of de OALT-onderwijzer.
Het is van belang om ouders bij het programma te betrekken omdat ouders kunnen helpen bij de educatie. De regiefunctie op het gebied van jeugdbeleid komt tot uiting in de toeleiding tot het programma. Het is de bedoeling dat vooral
deelnemen, die met een achterstand aan hun schoolopleiding beginnen. Het
opvoedsteunpunt kan daarbij een rol vervullen.
De onderwijspagina van Amsterdam vindt u hier
Een overzicht van alle scholen vindt u hier
Afdeling Onderwijs
Het stadsdeel heeft op twee manieren te maken met onderwijs: het Dagelijks
Bestuur is schoolbestuur, en het stadsdeel fungeert als lokale overheid voor het
gehele onderwijs.
De afdeling Onderwijs zorgt voor de uitvoering van de bestuurszaken. Dat
betekent onder andere het voeren van de personeels- en salarisadministratie , de
formatie en de personeelszorg van bijna 300 medewerkers.
De rol van overheid van het gehele onderwijs in Geuzenveld-Slotermeer houdt in
dat het stadsdeel ervoor moet zorgen dat het openbaar en bijzonder onderwijs
optimaal kan functioneren. Het stadsdeel ontwikkelt hiervoor onderwijsbeleid.
Verder heeft de afdeling de taak uitvoering te geven aan de Leerplichtwet. Het Stadsdeel heeft 2 leerplichtambtenaren die
in 2002 883 verzuimmeldingen behandelden, waarbij vermeld dat niet alle scholen
alle verzuim melden.
Vroegschool
In stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer bestaat sinds 1995 op enkele basisscholen Vroegschool. Vroegschool is bedoeld voor kinderen van 3,5 tot 4 jaar die een taal- of ontwikkelingsachterstand hebben.
Om te voorkomen dat een kleuter al begint met een achterstand wanneer het op de basisschool aankomt, volgt het kind een programma dat een half jaar duurt. De groepen bestaan uit 15 kinderen en worden begeleid door gediplomeerde peuterleidsters.
Vroegschool is gratis. De moeders van de Vroegschool-kinderen zijn verplicht deel te nemen aan een oudercursus met taalcomponent. Vroegschool is nu
verbonden aan 3 scholen:
Immanuelschool, ‘t Koggeschip en de Troelstraschool
Voorschool
Momenteel wordt aan 5 basisscholen in het stadsdeel een Voorschools VVE-programma
gegeven (VVE = Rijksregeling Voor-en Vroegschoolse Educatie).
Voorschool en Vroegschool lijken op elkaar wat doelstelling betreft. Ze zijn verschillend in de aanvangsleeftijd voor de peuter (vanaf 3 jaar), de programmatische aansluiting op de basisschool en de methoden. Bij een Voorschool wordt gewerkt met een VVE-programma zoals bijvoorbeeld Piramide.
Basisscholen die al met een Voorschools VVE-programma werken zijn:
Goeman Borgesiusschool
Slootermeerschool
Timotheusschool
Burgemeester de Vlugtschool
Noordmanschool (per 30/9/2004)
Hiermee worden echter maar een klein deel van de 702 peuters en kleuters bediend.
Vooralsnog zijn er niet voldoende financiële middelen beschikbaar om alle vroegscholen om te zetten in voorscholen. In afwachting van steun(VVE) vanuit de centrale stad zullen de vroegscholen dus nog even blijven bestaan.
Er gaan in dit Stadsdeel 3.189 meisjes en 3.357 jongens naar school.
5 jarigen 540/ 6 jarigen 486/ 7 jarigen 490/ 8 jarigen 477/ 9 jarigen 572
10 jarigen 562/ 11 jarigen 553/ 12 jarigen 470/ 13 jarigen 521/ 14 jarigen 483
15 jarigen 483/ 16 jarigen 488/ 17 jarigen 416
Veilig in en om School
(VIOS)
VIOS beperkt zich thans tot het voortgezet onderwijs in de onderwijsregio's Oost, West en Zuid (incl. de Binnenstad). Het betreft 39 scholen met ca. 2100 personeelsleden en ca. 23.000 leerlingen.
In het schooljaar 2000/2001 is een daadwerkelijke start gemaakt met onder andere de aanstelling van veiligheidscoördinatoren op scholen en de invoering van een incidentenregistratiesysteem. Er wordt ook samengewerkt met instanties die rond de scholen veel te maken hebben met leerlingen, zoals stadsdelen, politie, justitie en GVB. Verder
wordt er door verschillende scholen meegedaan aan een verkeersexamen. Het
slaginspercentage ligt op 85,5 %.
Hoe kies je de eerste school?
Bij tweeëneenhalf jaar moet je je gaan oriënteren en inschrijven, op zijn
vierde gaat je kind naar groep 1. Zeker bij je eerste kind kun je dan het gevoel
krijgen dat je door de bomen het bos niet meer ziet. Kies je 'gewoon' voor de
school om de hoek of verdiep je je in alle soorten basisonderwijs die er zijn?
De keuze voor een basisschool is belangrijk, dat ervaren alle ouders. De school
vervult immers een belangrijke rol in de opvoeding en ontwikkeling van je kind.
Maar hoe kies je een school? En waaruit kun je eigenlijk kiezen?
Traditioneel is er de verdeling tussen openbare en bijzondere scholen. Van de
ruim 7.000 basisscholen is eenderde openbaar en tweederde bijzonder.
Het merendeel van het bijzonder onderwijs is gebaseerd op een kerkelijke
gezindte, zoals rooms-katholieke, protestants-christelijke, islamitische, joodse
of hindoestaanse scholen. Daarnaast zijn er bijzonder-neutrale scholen, die zich
onderscheiden door een 'vernieuwende' onderwijsmethode. Dat zijn de Montessori-,
Dalton-, Jenaplan-, Freinet- en Vrije scholen.
Bijzondere scholen mogen op grond van hun eigen identiteit kinderen weigeren.
Openbare (staats-)scholen mogen dat alleen als ze vol zijn.
Vroeger was die indeling in openbaar en bijzonder onderwijs duidelijk, maar de
grenzen vervagen. Veel openbare scholen geven godsdienstlessen en steeds meer
confessionele scholen stellen zich open voor 'niet-kerkelijke' kinderen. Dat
geldt vooral voor rooms-katholieke scholen. Over het algemeen houden
protestants-christelijke scholen meer vast aan hun christelijke identiteit. Als
je dus wilt dat je kind drie maal per dag bidt op school, moet je daar expliciet
naar vragen. Want dat is niet altijd meer vanzelfsprekend bij een christelijke
school.
Ook het 'gewone' klassikale onderwijs dat de meeste ouders vroeger hebben gehad,
is niet langer de standaard. Bijna alle 'gewone' scholen hebben leentjebuur
gespeeld bij de onderwijsvernieuwers van dertig jaar geleden die van een
bepaalde leermethode uitgaan.
In het 'oude' klassikale systeem krijgen alle kinderen tegelijk dezelfde
leerstof, afgestemd op het gemiddelde niveau van de klas. Deze methode is vooral
gericht op kennis en houdt geen rekening met verschillen tussen kinderen: niet
iedereen leert in hetzelfde tempo of heeft hetzelfde temperament. De bedenkers
van de 'alternatieve' leermethoden gaan uit van het kind, dat zich moet kunnen
ontplooien en zich niet alleen intellectueel, maar ook sociaal en emotioneel
moet ontwikkelen. Deze 'vernieuwers' hebben een grote invloed gehad op de 'gewone'
school. Ook elders vind je nu Montessorimateriaal, kringgesprekken en
aanschouwelijk onderwijs. Dat kwam ook door de Wet op het basisonderwijs van
1985, die bepaalde dat scholen hun onderwijs moeten afstemmen op het individuele
kind.
Als je dus wilt weten hoe klassikaal of individueel een school les geeft, zul je
het de schoolleiding moeten vragen. Want dat blijkt niet vanzelf uit het
schooltype.
Om het ingewikkeld te maken, zijn er bijvoorbeeld ook christelijke
Freinetscholen of rooms-katholieke Montessorischolen. Eigenlijk heeft alleen de
Vrije School behalve een eigen leermethode, ook een aparte levensbeschouwing.
Het lijkt wel of de 'persoonlijkheid' van de individuele school, en niet de
traditionele indeling, het belangrijkste is. Dan praat je over de mix van
leermethoden, leerkrachten, leerlingen en het schoolgebouw: de sfeer.
Kijk naar jezelf en naar je kind
'Het is belangrijk hoe de docenten en het
schoolgebouw overkomen. Hoe de kinderen er spelen, of het schoolplein gezellig
is: dat soort dingen.'
Als je ouders vinden de kwaliteit van het onderwijs het belangrijkste. Maar ook
de afstand van de school tot huis en de al dan niet religieuze inslag, spelen
mee in de keuze.
Wat is goed onderwijs? Behalve om kennis gaat het ook om creativiteit, motoriek,
sociale en emotionele ontwikkeling. De discussie over wat en hoe kinderen zouden
moeten leren, blijft. De overheid heeft kerndoelen geformuleerd die richting
geven aan de kennis die kinderen moeten opdoen, maar ook aan sociale en andere
vaardigheden. Om de kwaliteit van scholen beter te waarborgen, moet iedere
school een schoolplan hebben, waarin de visie op onderwijs en ontwikkeling is
vastgelegd en de uitgangspunten van de school. Voor ouders is er de schoolgids,
die de visie en de resultaten van de school weergeeft. Iedere school heeft een
pestprotocol om pesten te bestrijden, en een leerlingvolgsysteem, om kinderen
met een achterstand of voorsprong goed te kunnen begeleiden. De
onderwijsinspectie controleert dit allemaal en adviseert de scholen.
Uit het PRIMA-cohortonderzoek van 1996 onder achthonderd scholen blijkt dat er
toch grote verschillen zijn tussen basisscholen. Na groep 3 liggen de snelste
scholen soms een jaar in lesstof voor op de traagste. Dat komt vooral doordat
ouders van een bepaalde sociaal-culturele afkomst hun kinderen naar dezelfde
scholen sturen. Simpel gezegd halen 'blanke' elitescholen betere scores dan 'allochtone'
scholen in achterstandswijken.
De bekende Citotoets is een middel om te meten hoe kinderen presteren. Er is
veel kritiek op omdat deze test alleen parate kennis van rekenen en taal meet.
Toch geeft een toets een indruk van de leerprestaties. Zelfs de 'onderwijsvernieuwers',
die uit principe vaak tegen cijfers, rapporten en toetsen zijn omdat ze alleen
het kennis-aspect meten, neigen steeds vaker tot het afnemen van testen. Dat
komt mede door de kritiek dat kinderen bij deze alternatieve leermethoden niet
altijd genoeg leren: er is soms een achterstand in parate kennis, hoewel vaak
blijkt dat bijvoorbeeld Montessori- of Vrije Schoolkinderen dat door een
zelfstandige werkhouding snel bijspijkeren.
Niet de grootte van de school is
relevant, maar die van de klas: hoe kleiner, hoe beter. Want dan krijgt je kind
immers meer individuele aandacht. De leerkracht is heel belangrijk. Die moet de
lesstof systematisch en in kleine stapjes aanbieden, zoveel mogelijk op maat
voor je kind, dus niet te klassikaal. Ook nieuwere lesmethoden, ontworpen
volgens de laatste pedagogische inzichten, geven betere resultaten dan
leerboekjes van twintig jaar geleden. Dat zijn dus punten waar je bij scholen op
kunt letten, behalve de sfeer, die niet voor niets één van de belangrijkste
keuzemotieven is.
De keuze voor een basisschool is belangrijk, dat ervaren alle ouders. De school vervult immers een belangrijke rol in de opvoeding en ontwikkeling van je kind. Maar hoe kies je een school? En waaruit kun je eigenlijk kiezen?
Traditioneel is er de verdeling tussen openbare en bijzondere scholen. Van de ruim 7.000 basisscholen is eenderde openbaar en tweederde bijzonder.
Het merendeel van het bijzonder onderwijs is gebaseerd op een kerkelijke gezindte, zoals rooms-katholieke, protestants-christelijke, islamitische, joodse of hindoestaanse scholen. Daarnaast zijn er bijzonder-neutrale scholen, die zich onderscheiden door een 'vernieuwende' onderwijsmethode. Dat zijn de Montessori-, Dalton-, Jenaplan-, Freinet- en Vrije scholen.
Bijzondere scholen mogen op grond van hun eigen identiteit kinderen weigeren. Openbare (staats-)scholen mogen dat alleen als ze vol zijn.
Scholen met persoonlijkheid
Vroeger was die indeling in openbaar en bijzonder onderwijs duidelijk, maar de grenzen vervagen. Veel openbare scholen geven godsdienstlessen en steeds meer confessionele scholen stellen zich open voor 'niet-kerkelijke' kinderen. Dat geldt vooral voor rooms-katholieke scholen. Over het algemeen houden protestants-christelijke scholen meer vast aan hun christelijke identiteit. Als je dus wilt dat je kind drie maal per dag bidt op school, moet je daar expliciet naar vragen. Want dat is niet altijd meer vanzelfsprekend bij een christelijke school.
Ook het 'gewone' klassikale onderwijs dat de meeste ouders vroeger hebben gehad, is niet langer de standaard. Bijna alle 'gewone' scholen hebben leentjebuur gespeeld bij de onderwijsvernieuwers van dertig jaar geleden die van een bepaalde leermethode uitgaan.
In het 'oude' klassikale systeem krijgen alle kinderen tegelijk dezelfde leerstof, afgestemd op het gemiddelde niveau van de klas. Deze methode is vooral gericht op kennis en houdt geen rekening met verschillen tussen kinderen: niet iedereen leert in hetzelfde tempo of heeft hetzelfde temperament. De bedenkers van de 'alternatieve' leermethoden gaan uit van het kind, dat zich moet kunnen ontplooien en zich niet alleen intellectueel, maar ook sociaal en emotioneel moet ontwikkelen.
Deze 'vernieuwers' hebben een grote invloed gehad op de 'gewone' school. Ook elders vind je nu Montessori-materiaal, kringgesprekken en aanschouwelijk onderwijs. Dat kwam ook door de Wet op het basisonderwijs van 1985, die bepaalde dat scholen hun onderwijs moeten afstemmen op het individuele kind.
Als je dus wilt weten hoe klassikaal of hoe individueel een school les geeft, zul je het de schoolleiding moeten vragen. Want dat blijkt niet vanzelf uit het schooltype.
Om het ingewikkeld te maken, zijn er bijvoorbeeld ook christelijke Freinet-scholen of rooms-katholieke Montessori-scholen. Eigenlijk heeft alleen de Vrije School behalve een eigen leermethode, ook een aparte levensbeschouwing.
Het lijkt wel of de 'persoonlijkheid' van de individuele school, en niet de traditionele indeling, het belangrijkste is. Dan praat je over de mix van leermethoden, leerkrachten, leerlingen en het schoolgebouw: de sfeer.
"Het is belangrijk hoe de docenten en het schoolgebouw overkomen. Hoe de kinderen er spelen, of het schoolplein gezellig is: dat soort dingen."
Veel ouders vinden de kwaliteit van het onderwijs het belangrijkste. Maar ook de afstand van school tot huis en de al dan niet religieuze inslag spelen mee in de keuze.
"Bij schoolkeuze kijk je naar jezelf (welke opvoeding geef je) én naar je kind. Eigenlijk zou je voor ieder kind opnieuw moeten kiezen, want niemand is precies hetzelfde."
Wat vind je zelf bijvoorbeeld het belangrijkste? Parate kennis of creatieve en sociale vaardigheden? Ben je streng of soepel als ouder? En hoe is je kind? Wie zelfstandig is, gedijt misschien beter bij een individuele aanpak, terwijl kleine sloddervosjes misschien meer structuur vinden in een klassikaal systeem. De 'juiste' school past bij je kind en bij de opvoeding die je geeft.
Toetsen en kwaliteit
Wat is goed onderwijs? Behalve om kennis gaat het ook om creativiteit, motoriek, sociale en emotionele ontwikkeling. De discussie over wat en hoe kinderen zouden moeten leren, blijft. De overheid heeft kerndoelen geformuleerd die richting geven aan de kennis die kinderen moeten opdoen, maar ook aan sociale en andere vaardigheden.
Om de kwaliteit van scholen beter te waarborgen, moet iedere school een schoolplan hebben, waarin de visie op onderwijs en ontwikkeling is vastgelegd. Voor ouders is er de schoolgids, die de visie en de resultaten van de school weergeeft. Iedere school heeft een pest-protocol om pesten te bestrijden, en een leerlingvolgsysteem, om kinderen met een achterstand of voorsprong goed te kunnen begeleiden. De onderwijsinspectie controleert dit allemaal en adviseert de scholen.
Uit het PRIMA-cohortonderzoek van 1996 onder achthonderd scholen blijkt dat er toch grote verschillen zijn tussen basisscholen. Na groep 3 liggen de snelste scholen soms een jaar in lesstof voor op de traagste. Dat komt vooral doordat ouders van een bepaalde sociaal-culturele afkomst hun kinderen naar dezelfde scholen sturen. Simpel gezegd halen 'blanke' elite-scholen betere scores dan 'allochtone' scholen in achterstandswijken.
De bekende Cito-toets is een middel om te meten hoe kinderen presteren. Er is veel kritiek op, omdat deze test alleen de parate kennis van rekenen en taal meet. Toch geeft een toets een indruk van de leerprestaties. Zelfs de 'onderwijsvernieuwers', die uit principe vaak tegen cijfers, rapporten en toetsen zijn omdat ze alleen het kennis-aspect meten, neigen steeds vaker tot het afnemen van testen. Dat komt mede door de kritiek dat kinderen bij deze alternatieve leermethoden niet altijd genoeg leren: er is soms een achterstand in parate kennis, hoewel vaak blijkt dat bijvoorbeeld Montessori- of Vrije Schoolkinderen dat door een zelfstandige werkhouding snel bijspijkeren.
Voor twijfelende ouders zijn er gelukkig wel een paar objectiveerbare factoren die de onderwijskwaliteit beïnvloeden. Niet de grootte van de school is relevant, maar die van de klas: hoe kleiner, hoe beter. Want dan krijgt je kind immers meer individuele aandacht. Ook de leerkracht is heel belangrijk. Die moet de lesstof systematisch en in kleine stapjes aanbieden, zoveel mogelijk op maat voor je kind, dus niet te klassikaal. Ook nieuwere lesmethoden, ontworpen volgens de laatste pedagogische inzichten, geven betere resultaten dan leerboekjes van twintig jaar geleden. Dat zijn dus punten waar je bij scholen op kunt letten, naast de sfeer, die niet voor niets één van de belangrijkste keuzemotieven is.
Overzicht schooltypen
Montessori-onderwijs
Maria Montessori ging ervan uit dat ieder kind een 'gevoelige' periode heeft: dan leren ze bepaalde dingen het makkelijkst. Ze ontwikkelde speciaal materiaal waarbij de zintuiglijke ervaring voorop staat, zoals cijfers van schuurpapier. Ieder kind werkt zelfstandig of in een groepje, onder het motto 'Help mij het zelf te doen'.
Kinderen met verschillende leeftijden zitten bij elkaar. Iedereen is met iets anders bezig. Kinderen kiezen zelf wat ze gaan doen, maar de leerkracht begeleidt ze wel. Sociale vaardigheden, samenwerken en zelfstandigheid zijn heel belangrijk.
Jenaplan-onderwijs
Ook op Jenaplan-scholen zitten kinderen van verschillende leeftijden bij elkaar in de klas. Peter Petersen, grondlegger van deze methode, wilde zo veel mogelijk verscheidenheid binnen de 'stamgroep', die drie jaar bij elkaar blijft. De nadruk ligt op inzicht, verbanden leggen en het vormen van een eigen mening. Er is een ritmische afwisseling van spelen, leren, het kringgesprek en vieren. Hier ontstond het inmiddels populaire kringgesprek en het vak
'wereld-oriëntatie'.
Dalton-onderwijs
Bij de Dalton-methode, ontwikkeld door Helen Parkhurst, staat 'de taak' centraal. Het is een afspraak tussen leerkracht en leerling over wat er moet worden gedaan. De kinderen mogen zelf bepalen wanneer en met wie ze eraan willen werken. Er zijn kerntaken die iedereen moet doen, herhalingstaken voor wie het moeilijk vindt, en verrijkingstaken voor snellere leerlingen. Zo kan het onderwijs echt op ieders talenten worden aangepast.
Vrijheid, zelfstandigheid en samenwerking zijn ook hier belangrijk. Het 'strenge' element van afspraken maken, spreekt ook meer 'traditionele' ouders aan.
Freinet-onderwijs
Célestin Freinet oordeelde dat leerlingen, leerkrachten en ouders samen de baas moeten zijn. Een leerkracht die de lakens uitdeelt, kweekt passieve kinderen, die later passieve volwassenen worden. Kinderen moeten kritisch naar de wereld kijken en hun lot in eigen hand nemen. De school als een soort 'kinder-zelforganisatie'.
Belangrijk uitgangspunt is de 'vrije tekst', waarin het kind opschrijft wat hem of haar bezighoudt. Die vormt de basis voor het onderwijs; van lezen en rekenen tot kennis van de natuur. Dat vraagt behoorlijk wat creativiteit van de leraar. De kinderen werken zoveel mogelijk zelfstandig.
Vrije scholen
De Vrije school (in België: Steiner-school) is gebaseerd op de antroposofie van Rudolf Steiner, met als uitgangspunt dat ieder mens op aarde reïncarneert en zijn eigen weg zoekt. Aan ouders en leerkrachten de taak het kind daarbij te helpen. De ontwikkeling verloopt in fasen van zeven jaar: eerst wil en grove motoriek, daarna gevoelsleven en fijne motoriek, en tot slot het intellect. Die volgorde is belangrijk, anders raakt de ontwikkeling verstoord.
Het onderwijs hecht waarde aan schoonheid, creativiteit en beweging, want behalve een hoofd heeft de mens ook hart en handen. Ook de natuur en andere culturen zijn belangrijk; de mens is deel van een groter geheel.
Het onderwijs is klassikaal, met leeftijdsgenoten. De hele basisschool hebben de kinderen dezelfde leerkracht, die de lesstof verpakt in beelden, liederen en verhalen. Er wordt niet zo veel uit boeken gewerkt.
Checklist: waar kun je op letten?
Wat voor schooltype spreekt je aan? Past dit bij de situatie thuis?
Wat voor schooltype past bij je kind?
Praat met het schoolhoofd en onderwijzers: hoe praten ze over onderwijs en kinderen? Staan ze open voor kritiek?
Wat voor soort leerlingen zitten er op school? Passen ze bij jou en je kind?
Ga eens kijken op het schoolplein en in de klas. Hoe is de sfeer?
Vraag andere ouders naar hun ervaringen met de school.
Bestudeer de schoolgids.
Hoe groot zijn de klassen?
Is er extra zorg voor achterblijvers en voorlopers?
Krijgen de kinderen al huiswerk?
Praktisch: is de school goed te bereiken, is er buitenschoolse opvang, wat zijn de schooltijden?
Voor de diverse soorten scholen klikt u hier