Een bestemmingsplan bestaat uit een plankaart met daarop bestemmingen. Uit voorschriften bij die bestemmingen waarin regels worden gegeven ten aanzien van het bouwen en ten aanzien van het gebruik van de gronden, bouwwerken en gebouwen. Het bestemmingsplan bevat regels die zowel de burgers als de overheid zelf binden. Het bestemmingsplan verschilt in dat opzicht van beleidsplannen e.d.

Het bestemmingsplan is het kader voor de toetsing van aanvragen om een bouwvergunning. Als de aanvraag in overeenstemming is met het bestemmingsplan dan moet de vergunning worden verleend. (mits ook voldaan wordt aan bouwverordening, bouwbesluit en eisen van welstand).

Er wordt voor bestemmingsplannen uitgegaan van een geldigheidsduur van tien jaar. Wanneer in 2007 de nieuwe wet Ruimtelijke Ordening van kracht wordt dan kunnen er geen leges meer geheven worden als de plannen niet geactualiseerd zijn.

In het Stadsdeel zijn ca. 40 veelal oude, bestemmingsplannen  van toepassing. 

Bestemmingsplan Geuzenveld-West 2004 vastgesteld en door gedeputeerde staten goedgekeurd en sinds half maart 2006 van toepassing

Inhoudsopgave 

1. Inleiding.................................................. 7
2. Plangrenzen ........................................... 9
3 Beschrijving van het plangebied ............... 11
4 Plankader ............................................. 13
5 Milieuaspecten....................................... 17
6 De systematiek van het bestemmingsplan. 21
7. Toelichting per bestemming.................... 23
8 Inspraak en overleg ................................ 31


GeuzenveldWest.jpg (275972 bytes)

1. Inleiding 
Oorspronkelijk maakte het gebied Geuzenveld-West onderdeel uit van het slagenlandschap van de Osdorper Binnenpolder. In de jaren dertig van de vorige eeuw is het gebied in het kader van de werkverschaffing verveend. Na deze ontginning is de door Van Eesteren ontworpen polderstructuur ontstaan. In 1940 is het uitbreidingsplan De Eendracht vastgesteld waarin het gebied voor agrarisch gebruik werd bestemd. Op basis van het daarop volgende uitbreidingsplan-in-hoofdzaken De Eendracht (1960) zijn aan de zuidzijde van de polder volkstuinencomplexen ontstaan en is aan de oostzijde Sportpark De Eendracht aangelegd. Op 1 november 1989 is voor 
het oostelijke deel van het Sportpark De Eendracht het bestemmingsplan Geuzenveld-west vastgesteld op basis waarvan de huidige bebouwing is gerealiseerd. 

De woonwijk Geuzenveld-West is begin jaren negentig gebouwd en vormt de westelijke bebouwingsgrens van het stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer. Zowel ten noorden, ten zuiden als ten westen van de wijk zijn groengebieden gelegen. 

Het globale bestemmingsplan Geuzenveld-west maakte het mogelijk om de huidige woonwijk te ontwikkelen. Inmiddels hebben meerdere bewoners al verschillende vormen van uitbreidingen aangebracht. Er zijn reeds zowel opbouwen, uitbouwen, serres als dakkapellen gerealiseerd. Daarnaast dienen actuele ruimtelijke ontwikkelingen en beleidsvoornemens in het bestemmingsplan te worden geïntegreerd. 

Plangrenzen 
Het gebied van dit bestemmingsplan bestaat uit de woonwijk Geuzenveld-West met het daarbij behorende Park “De Kuil” ten zuiden daarvan. 

• In het noorden wordt het plangebied begrensd door het fietspad op de dijk ten noorden van het sportpark; 
• In het oosten is de grens gelegd in de as van het water langs de Cort van der Lindenkade; 
• In het zuiden ligt de grens langs het fietspad aan de Nico Broekhuysenweg; 
• In het westen ligt de grens van het plangebied in de as van de Bok de Korverweg en langs de 
westzijde van de speelplaats in het noordwesten van het plangebied. 
De grenzen van het oude bestemmingsplan zijn hiermee integraal overgenomen, met uitzondering van delen van de bruggen in aansluiting op het “oude” Geuzenveld en de speelplaats in de noordwest hoek van het plangebied. De bruggen blijven gedeeltelijk vallen onder het oude bestemmingsplan Geuzenveld-west. De desbetreffende (brug)delen zullen te zijner tijd worden ondergebracht in een nieuw bestemmingsplan voor Geuzenveld. Het vigerende bestemmingsplan Geuzenveld-West blijft dus vooralsnog voor wat betreft de genoemde brugdelen van toepassing. 
Omwille van een heldere plangrens is voor deze correctie gekozen. 

3 Beschrijving van het plangebied 

Stedenbouwkundig plan 

Het stedenbouwkundig plan voor Geuzenveld-West zoals dat is omschreven in de toelichting van het voorgaande bestemmingsplan Geuzenveld-West van 1 november 1989, wordt in de huidige plannen onderschreven en gerespecteerd. 
De stedenbouwkundige hoofdopzet van Geuzenveld-West wordt gekenmerkt door drie oostwestverbindingen als aansluiting op het “oude” Geuzenveld (van het Algemeen Uitbreidingsplan), te weten: de J.M. den Uylstraat, de Gerda Brautigamstraat en het Freule Wttewaalpad. De groene middenzone (het Willem Dreesplantsoen) vormt een verbinding met Park “De Kuil”. De stroken langs de oostelijke en westelijke rand hebben een zodanige verkavelingsvorm dat een ruimtelijke relatie tussen het woongebied en het omgevingsgroen wordt bewerkstelligd. De hoekverdraaiing in de dijk aan de oostzijde is geaccentueerd met drie woontorens (Rommeplantsoen). De noordoosthoek is ingevuld met een kleine woonwagenlocatie. Deze ligt goed ontsloten, biedt voldoende privacy en leent zich voor een eigen karakteristiek. 
In tegenstelling tot de gebieden van het Algemeen Uitbreidingsplan ontleent Geuzenveld-West zijn groene karakter met name aan het vele privé-groen dat in de wijk aanwezig is. Openbaar groen is in Geuzenveld-West slechts in beperkte mate aanwezig. 

Huidige situatie 
Ruim tien jaar na realisatie kan worden geconstateerd dat het beheer van de openbare ruimte vrij goed is geslaagd. Er is ook sprake van een eenduidig en consequent beleid ten aanzien van de aan- en opbouwen, hetgeen de continuïteit ten goede komt en bijdraagt aan een rustig ruimtelijk beeld. Geuzenveld-West is een echte woonwijk. 
Deze woonbestemming wordt aan de J.M. den Uylstraat ondersteund door buurtvoorzieningen. 
Onder buurtvoorzieningen worden winkels, kantoren, horeca en maatschappelijke voorzieningen verstaan die direct of indirect een functie voor de buurt hebben. In de buurt bevindt zich verder op beperkte schaal een aantal woningen dat mede wordt gebruikt voor huisgebonden beroepen. 
Het gebied is in zijn geheel eigendom van de gemeente Amsterdam. De particuliere kavels zijn op basis van erfpacht uitgegeven. 

Relatie tot stad en stadsdeel 
Geuzenveld-West is wat betreft zijn voorzieningen (winkels, scholen, buurtvoorzieningen e.d.) vooral georiënteerd op het Lambertus Zijlplein. De grotere centra in de omgeving zijn Plein '40-'45 en het Osdorpplein. Groen en recreatie zijn in ruime mate aanwezig rondom Geuzenveld-West. Dit is tevens een van de meest aantrekkelijke punten van het gebied. Direct ten westen van het gebied ligt sportpark De Eendracht, ten noorden ervan natuurgebied de Brettenzone en ten zuiden de 
Osdorper Binnenpolder-Zuid en het volkstuinenpark Tigeno. 

4 Plankader 

Vigerend bestemmingsplan 
Op basis van het bestemmingsplan Geuzenveld-West uit 1989 is het mogelijk uitbreidingen aan de woningen te realiseren. Het bestemmingsplan is echter globaal van aard waardoor toetsing op basis hiervan erg ingewikkeld is. 

Streekplan Noord Holland-Zuid 
In het streekplan Noord Holland-Zuid, vastgesteld door de Provinciale Staten van Noord-Holland op 17 februari 2003, is het bebouwde deel van het plangebied weergegeven als stedelijk gebied. 
Park “De Kuil” valt onder natuurgebied. De Westrandscheg is in het streekplan aangeduid als ‘gebied streekplanherziening’. 

Structuurplan Amsterdam ‘Kiezen voor stedelijkheid’ 

In het structuurplan Amsterdam, Kiezen voor stedelijkheid, van juli 2003, is het bebouwde deel van het plangebied aangeduid als stedelijk wonen/werken. Park “De Kuil” behoort tot de Hoofdgroenstructuur. Binnen de Hoofdgroenstructuur behoort Park “De Kuil” tot het groencluster Natuurgebied en het groentype Natuurpark. 

Partiële herziening / Uitwerking Westrand 
In het Streekplan Noord-Holland Zuid is een planherziening aangekondigd voor de Amsterdamse Westrand. Tegelijkertijd is in het Structuurplan Amsterdam een uitwerking aangekondigd voor de Westrand. Eén en ander is vervat in één plandocument, namelijk de ‘Partiële herziening / Uitwerking Westrand’. Onder meer Park “De Kuil” behoort tot het gebied van de herziening / uitwerking. De herziening / uitwerking beperkt zich tot een zestal aandachtsvelden, waarvan er één relevant is voor Park “De Kuil”, namelijk de randvoorwaarden voor een groen inrichtingsplan voor de Westrand. Van belang zijn onder meer: 

• Het behouden van de bestaande landschappelijke waarden en potenties voor het concept van de Groene Plantage, waarbij het wensbeeld van de Hoofdgroenstructuur, het Waterplan en de groene onderleggers op het gebied van cultuurhistorie en cultuurhistorische waarde worden betrokken; 
• Het maken van een duurzaam groen-blauw raamwerk in de Westrand met een flexibele groenblauwe inrichting; 
• Het benutten van de kansen voor inpassing van de recreatieve en ecologische verbindingzones Sloterplas-Spaarnwoude en de Groene As; 
• Het inrichten van fiets-, wandel-, skate-en vaarroutes in het gebied van de Westrand. 
Richting Parkstad 2015 

Geuzenveld-West valt buiten het regime van de stedelijke vernieuwing. Het suburbane leefmilieu, zoals dat voor Geuzenveld-West in Richting Parkstad 2015 is benoemd, betekent dan ook geen wijziging ten opzichte van de bestaande situatie. 

Structuurvisie Geuzenveld-Slotermeer (vastgesteld 7 oktober 2003) 

In de Structuurvisie wordt voor Geuzenveld-West een tweetal actiepunten benoemd: 

• Integrale verbetering van de fietsroute over de waterkering van de Osdorper Binnenpolder; 
• versterking van de interne waterstructuur aan de west- en noordrand van Geuzenveld-West. 

Verkeers- en Vervoersplan Geuzenveld-Slotermeer (VVGS; vastgesteld 9 december 2003) 

Volgens het wensbeeld 2015: 

• behoort de J.M. den Uylstraat tot de categorie gebiedsontsluitingswegen B. Dit betekent dat de J.M. den Uylstraat een gebiedsontsluitingsweg is die ondergeschikt is aan het hoofdnet auto; 
• worden de Gerda Brautigamstraat en een deel van de Bok de Korverweg afgewaardeerd tot erftoegangsweg; 
• bevinden zich binnen Geuzenveld-West geen wegen behorend tot het hoofdnet openbaar vervoer; 
• behoort het Freule Wttewaalpad en een deel van de Bok de Korverweg tot het hoofdnet fiets; 
• maakt het fietspad over de waterkering (aan de noord- en oostkant van Geuzenveld-West) deel uit van de overige fietsroutes van stedelijk belang; 
• zijn het Ma Braunpad, de Nico Broekhuizenweg en het fietspad over de noordelijke ringdijk van de Osdorper binnenpolder belangrijke fietsroutes niet behorend tot het hoofdnet fiets. 
Welstandsnota (vastgesteld 8 juni 2004) 

Geuzenveld-West is in de Welstandsnota onderscheiden als samenhangend gebied met gebiedsspecifieke welstandscriteria en een bijzonder welstandsniveau. Van belang voor het bestemmingsplan is met name het zogeheten trendsetterbeleid. In de Welstandsnota wordt voor Geuzenveld-West een groot aantal trendsetters onderscheiden op het gebied van aan-, uit- en opbouwen en dakkapellen. In het bestemmingsplan Geuzenveld-West worden de ruimtelijke randvoorwaarden vastgelegd om het trendsetterbeleid voor dit gedeelte van Stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer te kunnen bestendigen. 

Detailhandelsvisie Stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer (vastgesteld 4 november 2003) 
De Detailhandelsvisie van stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer is opgesteld in het kader van een herijking van het oude ruimtelijk-economische beleid uit 1993. Uiteindelijk wordt de Detailhandelsvisie tezamen met de Horecavisie opgenomen in het nieuwe RES-beleid (Ruimtelijk Economische Structuur). De vier units aan de J.M. den Uylstraat waar voorzieningen zijn toegestaan, zijn in de Detailhandelsvisie benoemd als consolidatiegebied. Consolidatiegebieden zijn gebieden waar naast kleinschalige kantoorruimte ook kleinschalige solitaire winkelunits zijn toegestaan met een maximumoppervlakte van 150 m2 b.v.o. 

Horecavisie Geuzenveld Slotermeer (vastgesteld op 5 juli 2005) 
Op basis van deze Horecavisie is horeca uitsluitend mogelijk aan J. M. den Uylstraat. Deze straat is in de visie aangewezen als “ontstaansgebied”. Dit houdt in dat hier vestigingsmogelijkheden voor horeca alleen voor horecacategorieën III en IV zijn bestemd met een maximale oppervlakte per horeca-units van 250 m² b.v.o. Om het diverse karakter van dergelijke “ontstaansgebieden” te waarborgen en zogeheten ‘horecalinten’ te voorkomen kan niet meer dan 20 % van de totale gevelwand op de begane grond van deze straten uit horeca bestaan. Het bestemmingsplan voorziet slechts voor vier hoekpanden in de J.M. den Uylstraat (op de eerste bouwlaag) in vestiging van (onder meer) horeca. De in het voorgaande genoemde maximale maten worden dus niet overschreden. 
In de vier units aan de J.M. den Uylstraat is ook ‘ondersteunende’ horeca mogelijk: het verstrekken van etenswaren en/of dranken voor gebruik ter plaatse in een zaak die geen (planologische ) hoofdbestemming horeca heeft. Dit is toegestaan onder de volgende voorwaarden: 

• de horeca-activiteit moet ondergeschikt zijn aan de hoofdactiviteit; 
• de toegang tot de horeca-activiteit is alléén via de hoofdactiviteit te bereiken, dus geen aparte ingang; 
• ondersteunende horeca is alleen toegestaan als het bestemmingsplan dit aangeeft; 
• van het totale vloeroppervlak mag maximaal 20 m² en niet meer dan 25 % van het totale verkoopvloeroppervlakte aan ondersteunende horeca worden besteed. 
Beleidsplan Water en Groen Geuzenveld-Slotermeer 

Het groen direct rondom Geuzenveld-West behoort tot de Stadsdeelgroenstructuur (SGS). Park “De Kuil” behoort tot de Hoofdgroenstructuur (HGS, groencluster natuurgebied, groentype natuurpark), evenals het ten westen van het plangebied gelegen Sportpark De Eendracht. Het Willem Dreesplantsoen valt onder het WoonOmgevingsGroen (WOG). Verder is er sprake van groen in infrastructuur in de vorm van een groene middenberm in de J.M. den Uylstraat. Ook lopen 
er twee bomenlanen uit de hoofdbomenstructuur door het gebied, namelijk de J.M. den Uylstraat en de dijk (cultuurhistorisch lint) ten noorden van de Osdorper Binnenpolder Noord (en direct ten noorden van Geuzenveld-West). 
Park “De Kuil” maakt deel uit van de ecologische structuur, de Groene As, maar heeft ook de functie van buurtpark met een extensieve recreatiefunctie: natuurbeleving, wandelen en ongeorganiseerde sportmogelijkheden. De westoever van het water langs de Cort van der Lindenkade heeft een ecologische functie. Het voornemen is om de parkstroken en singels – waar deze grenzen aan het bebouwd gebied – meer bij elkaar te betrekken. Van belang is zowel het zicht op het water als de recreatieve gebruikswaarde van de oevers te verbeteren. Ten aanzien van het Willem Dreesplantsoen wordt voorgesteld om de bestaande situatie te handhaven. Het Rommeplantsoen wordt aangemerkt als “Wonen in het Groen”. Het is de bedoeling om het groene karakter van het Rommeplantsoen te versterken. 

Natuurwaarden 
In verband met natuurbeschermingswetgeving op rijksniveau is nagegaan of in het plangebied sprake is van de aanwezigheid van onvervangbare leefgebieden van beschermde soorten. 
Hiervoor is een natuurtoets uitgevoerd. Voor de natuurtoets is gebruik gemaakt van actuele flora-en faunagegevens uit de Ecologische Atlas van Amsterdam en kennis van de locatie. Een veldverkenning heeft plaatsgevonden in week 28 van 2003. Geconstateerd is dat er geen sprake is van onvervangbare leefgebieden van beschermde soorten. Op dit moment is er geen sprake van natuurbeschermingsbeleid op gemeentelijk of stadsdeel niveau dat aan de voorgestane bestemmingen in de weg staat. 

Cultuurhistorische waarden 
Binnen het plangebied zijn er geen beperkingen van de voorgestane functies ten gevolge van cultuurhistorisch beleid op rijks- of provinciaal niveau. Er is geen sprake van een beschermd stadsgezicht en er bevinden zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten in het plangebied. 
Wel zijn er binnen het plangebied cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig, namelijk de Ringvaart van de Osdorper Binnenpolder Noord (Osdorpervaart en water langs het Ma Braunpad) en het water langs de Cort van der Lindenkade.  

5 Milieuaspecten 

Geluid 
Het gebied ligt geheel binnen de geluidzone van het industrieterrein Westpoort. Gedeputeerde Staten van Noord Holland heeft bij besluit van 12 september 1989 een hogere waarde van de toegestane geluidbelasting ten gevolge van het industriegebied van ten hoogste 55 dB(A) vastgesteld. Aangezien aan het plangebied geen nieuwe woningen of andere functies worden toegevoegd, is ook het onderdeel wegverkeerlawaai van de Wet geluidhinder op dit bestemmingsplan niet van toepassing. 

Externe veiligheid 
Externe veiligheid heeft betrekking op het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico’s bij productie, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Langs routes waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, zijn daarom zones ingesteld waarbinnen de risico’s moeten worden onderzocht en getoetst voor wat betreft geplande kwetsbare bestemmingen. Een en ander is vastgelegd in de Nota “Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen” (RVGS). Een klein deel van de noordkant van het plangebied valt binnen de risicozones van zowel de Haarlemmerweg als de spoorweg Amsterdam-Haarlem. Uit de “Handreiking vervoer gevaarlijke stoffen”, de praktische uitwerking van 
de RVGS, volgt dat zowel bij de huidige als de toekomstige vervoersstromen over de weg of de spoorweg, de norm voor het plaatsgebonden risico en de oriënterende waarde van het groepsrisico niet worden overschreden. 

Luchtkwaliteit 
In het Besluit Luchtkwaliteit worden grenswaarden voor verschillende stoffen genoemd. In de regio Amsterdam blijken met name stikstofdioxide en fijn stof maatgevend te zijn. Dat wil zeggen dat op het moment dat er voor deze stoffen geen normoverschrijdingen worden aangetroffen, ervan uitgegaan kan worden dat ook voor andere stoffen geen overschrijdingen te verwachten zijn. 
Gegeven het feit dat de normen in 2010 aan de Haarlemmerweg ter hoogte van het plangebied niet zullen worden overschreden (zoals blijkt uit de rapporten ‘Onderzoek Luchtkwaliteit Geuzenbaan’ van het Ingenieursbureau Amsterdam (8 juni 2003) en ‘Luchtverontreiniging Amsterdam, Meetresultaten 2003’ van GG&GD Amsterdam) en de Haarlemmerweg bovendien tientallen meters van woonbebouwing ligt, kan gesteld worden dat het Besluit Luchtkwaliteit geen beperkingen of randvoorwaarden oplegt aan de ruimtelijke inrichting van het plangebied. 

Schiphol 
Op 1 november 2002 heeft het kabinet de nieuwe milieu- en veiligheidsregels voor het vijfbanenstelsel op Schiphol vastgesteld. De regels zijn opgenomen in het 
Luchthavenindelingbesluit Schiphol (Stb, 2002,591) (LIB) waarin beperkingen worden gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven, en het Luchthavenverkeersbesluit (LVB) dat is gericht op de beheersing van de belasting van het milieu door het luchtverkeer. De nieuwe regels zijn op 20 februari 2003 in werking getreden, op het moment dat Schiphol de vijfde baan (Polderbaan) in gebruik heeft genomen. Een en ander is in een apart artikel in de voorschriften geregeld. 

Het LVB heeft geen doorwerking in dit plan. Het plangebied valt wel binnen het zogenaamde “Beperkingengebied” van het LIB. In het beperkingengebied is een aantal aspecten onderscheiden waarvoor verschillende regels gelden. Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen zone 4 van het beperkingengebied “bebouwing”. Op de plankaart is met een paarse stippellijn de grens van dit beperkingengebied aangeduid. Het gebied ter linkerzijde van deze grens valt volledig onder dit beperkingengebied. Binnen dit gebied zijn geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen toegestaan. Op dit gebied is namelijk van toepassing het bepaalde in artikel 2.2.1. lid 4 van het LIB 
(Stb. 2002, nr. 591), inhoudende dat er op deze gronden geen woningen, woonwagens, gebouwen met een onderwijsfunctie of gebouwen met een gezondheidszorg functie zijn toegestaan, behoudens bestaand gebruik. Dit bestemmingsplan voorziet niet in de mogelijkheid van nieuwbouw van de hier bovenomschreven geluidsgevoelige bebouwing. Het plan voorziet daarentegen wel in woninguitbreidingen, zoals aan- en uitbouwen, dakopbouwen en dakkapellen die volgens de artikelsgewijze toelichting op het LIB niet vallen onder het begrip bestaand gebruik. Omdat deze woninguitbreidingen afwijken van het LIB, is daarvoor een verklaring van geen bezwaar ex 
artikel 8.9. Wet Luchtvaart vereist. De aanvraag van deze verklaring van geen bezwaar maakt onderdeel uit van de behandeling van de bouwaanvraag die voor deze woninguitbreidingen moet worden ingediend. Het stadsdeel zal in voorkomende gevallen de verklaring van geen bezwaar aanvragen bij de VROM-inspectie. 

Volgens internationale burgerluchtvaartcriteria dient rond luchthavens het luchtruim vrij gehouden te worden van obstakels voor startende en landende vliegtuigen en van obstakels die elektromagnetische straling zoals radar- en radiostraling ten behoeve van de begeleiding van het luchtverkeer belemmeren. De restricties bestaan uit beperkingen ten aanzien van de bouwhoogten. 
Hoe dichter bij Schiphol, hoe lager de maximaal toelaatbare bouwhoogten. Het plangebied ligt onder een zogenaamd “hellend vlak” dat oploopt van zuid naar noord met een hellingshoek van 0.9o. De hoogtebeperking ligt tussen de 68,5 en 87,5 meter + NAP. Het bestemmingsplan voorziet niet in bebouwing die deze hoogtebeperking overschrijdt. 
Gebieden met een sterke vogelconcentratie zijn een gevaar voor die delen van aan- en uitvliegroutes waar vliegtuigen zich op lagere hoogte bevinden. Daarom zijn in het 
Luchthavenindelingbesluit beperkingen opgenomen ten aanzien van vogelaantrekkende bestemmingen (artikel 2.2.3, lid 1 LIB). Het plangebied ligt in geheel binnen het 
“vogelvrijwaringsgebied”. Binnen het plangebied zijn geen bestemmingen met vogelaantrekkende bestemmingen voorzien. 

Bezonningsaspecten 

Er heeft, met uitzondering van voor de patiowoningen (W4), geen bezonningsstudie plaatsgevonden voor de uitbreidingsmogelijkheden in het bestemmingsplangebied. In verband met de ruime opzet en de geringe bouwhoogte in de buurt worden geen problemen met schaduwwerking of verminderde daglichttoetreding verwacht. Bovenal hebben vrijwel alle volgens het bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden zich reeds in de praktijk bewezen. 
Voor W4 is wel een bezonningsstudie uitgevoerd om de gevolgen van een eventuele extra bouwlaag te onderzoeken. Voor de conclusies van dit onderzoek wordt verwezen naar hoofdstuk 7 van deze toelichting (zie onder W4). 

Watertoets 
Van het totale oppervlak van het plangebied bestaat momenteel 6% uit oppervlaktewater. In verband met de waterhuishouding is het noodzakelijk dat de huidige hoeveelheid oppervlaktewater minimaal gehandhaafd blijft. Het bestemmingsplan voorziet niet in de mogelijkheid om de wateroppervlakte te beperken en heeft daarmee geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding in het plangebied. 
Aan de oostzijde van het plangebied is een pompgemaal geïnstalleerd dat het overtollige water uit kan slaan in de waterloop langs de Cort van der Lindenkade. Daar geen garanties kunnen worden gegeven dat de ontwateringsdiepte wordt bereikt, zal kruipruimteloos gebouwd moeten worden. 
In het gehele gebied geldt dat bij de realisatie van aan-, op-, en uitbouwen geen gebruik mag worden gemaakt van uitlogende materialen (lood, koper, PAK-houdende dakbedekking, onbehandeld zink). Dit geldt ook voor de inrichting van de openbare ruimte. 

Waterkering 
Aan de oostkant van het plangebied ligt een dijk die de diep gelegen Eendrachtpolder (Osdorper Binnenpolder Noord) beschermt tegen inundatie vanuit de Sloterbinnenpolder (het huidige Slotermeer en Geuzenveld). Aan de noord- en (gedeeltelijk) de zuidkant van het plangebied ligt een dijk die de Eendrachtpolder beschermt tegen inundatie vanuit het hoger gelegen deel van de Osdorperbinnenpolder. Op de plankaart zijn deze waterkeringen aangegeven. Binnen de zones waarin deze waterkeringen liggen, mogen zonder toestemming van het waterschap geen werkzaamheden in de grond plaatsvinden. 

Bodem 
Voor het huidige Geuzenveld-West is een historisch bodemonderzoek gedaan. De resultaten hiervan zijn verwerkt in een bodemkwaliteitskaart (rapport van Omegam nr. 1101227 d.d. 16 oktober 2001). Voor Geuzenveld-West geldt dat de grond schoon is, met uitzondering van minerale olie- en EOX-gehalten door bestanddelen van natuurlijke herkomst. Dit houdt in dat er geen beperkingen zijn voor de in dit bestemmingsplan voorgestane ontwikkelingen. 

6 De systematiek van het bestemmingsplan 

De onderdelen 
Het bestemmingsplan bestaat uit twee onderdelen: onderdeel I is de plankaart waarop de in het plan vervatte bestemmingen staan aangegeven; onderdeel II wordt gevormd door de planvoorschriften. Deze beide onderdelen worden vergezeld door de toelichting. De plankaart en de voorschriften zijn juridisch bindend voor burgers en gemeente. De toelichting heeft geen juridische status, maar heeft (onder meer) tot doel de andere twee onderdelen nader te verklaren. 

De planvorm 
Het betreft een gedetailleerd, grotendeels conserverend, bestemmingsplan. Het doel hiervan is toetsing van bouwaanvragen aan het bestemmingsplan helder en inzichtelijk te maken. Door de gemeente Amsterdam is een handboek opgesteld voor het standaardiseren van bestemmingsplannen. Dit bestemmingsplan is zoveel mogelijk in overeenstemming met deze standaard opgesteld. 

7. Toelichting per bestemming 
Het bestemmingsplan kent vijf hoofdbestemmingen: wonen, tuinen, verkeersareaal, groen en water. 

De regelingen betreffende het vergroten van de woningen zijn opgenomen onder de bestemmingen ‘Wonen’, ‘Tuinen 1’ en ‘Tuinen 2’. 

• De regeling voor verticale uitbreiding van een woning (bijvoorbeeld een (grotere) dakopbouw) is te vinden in artikel 3 van de planvoorschriften (de bestemming “Wonen”); 
• De regeling voor horizontale uitbreiding van een woning (een aanbouw, uitbouw of bijgebouw) is opgenomen in de artikelen 5 en 6 (“Tuinen 1” en “Tuinen 2”). 
De hier aangegeven bebouwingsregelingen betreffen de mogelijkheden tot uitbreiding inclusief de vergunningvrije bouwmogelijkheden die reeds door het ‘Besluit bouwvergunningvrije en lichtbouwvergunningplichtige bouwwerken’ geboden worden. Op de plankaart is met de bestemming “Wonen” de oorspronkelijke situatie, als bedoeld in het Besluit weergegeven. Waar op grond van dit bestemmingsplan geen aanvullende aan- en uitbouwregeling of bijgebouwenregeling wordt getroffen is uitsluitend het ‘Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken’ van kracht. 

Wonen (W 1- W 13) jo. Tuinen 1 en Tuinen 2. 
Op grond van het ‘Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken’ is het toegestaan uitbreidingen van de woning binnen de daarin vastgelegde marges vergunningsvrij te realiseren. Bewoners en stadsdeel zijn van mening dat in sommige gevallen een grotere woninguitbreiding mogelijk gemaakt moet worden dan op grond van het ‘Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken’ vergunningvrij is toegestaan. 

Binnen de woonbestemming worden de typeringen W 1 tot en met W 12 onderscheiden. W13 (“Wonen woonwagenstandplaatsen”) betreft de woonwagenlocatie waarvoor een apart artikel in de voorschriften is opgenomen (artikel 4). Voor elke typering zijn andere regelingen voor uitbreidingen, voor aan-, uit- en opbouw en voor bijgebouwen van toepassing die nader worden geregeld in hetzij de voorschriften bij de bestemming “Wonen” c.q. “Wonen woonwagenstandplaatsen” (artikelen 3 en 4), hetzij die bij bestemmingen “Tuinen 1” en/of “Tuinen 2” (artikel 5 en 6). 

Vier ruimten aan de J.M. den Uylstraat zijn uitsluitend voor wat betreft de eerste bouwlaag mede bestemd voor winkels, kantoren, maatschappelijke voorzieningen en horeca. Deze ruimten zijn op de plankaart voorzien van de aanduiding “voorzieningen” (zie artikel 3, lid 1). Artikel 3 (“Wonen”) 
voorziet ook in de mogelijkheid van de uitoefening van een aan huis gebonden beroep tot ten hoogste 40% van het vloeroppervlak (artikel 3, lid 2, onder c). 

De onderstaande opsomming geeft in globale zin weer welke uitbreidingsmogelijkheden voor de onderscheiden woningtypes van toepassing zijn. 

W 1 

• een uitbouw of aanbouw (in de vorm van een serre) aan de achterzijde van de woning met een diepte van 3,00 meter; 
• een dakkapel aan de voorzijde van de woning met een breedte van ten hoogste 5,00 meter; 
Deze twee vormen van uitbreiding hebben zich in de praktijk meerdere malen bewezen; de reeds ingezette lijn wordt hiermee voortgezet. Andersoortige uitbreidingsmogelijkheden behoren, voortkomend uit de plattegrond van deze woningen, niet tot de mogelijkheden. 

W 2 
• een uitbreiding van de bovenste verdieping over een groot deel van het bestaande dakvlak tot 0,75 meter vanaf de achtergevelrooilijn; 
• een aanbouw (in de vorm van een serre) aan de zijkant van de woning met een maximale hoogte van 3 meter en een maximale diepte van 3 meter (en 3 meter achter 
de voorgevelrooilijn); 
• tevens is hier per woning één bijgebouw toegestaan in een ruimte tussen de twee woningblokken tegen de erfgrens met de naastgelegen woning en tegen de erfgrens 
aan de voorzijde; voor dit bijgebouw zijn de volgende maximale afmetingen toegestaan: breedte maximaal 3,50 meter, diepte maximaal 2,50 meter en hoogte 
maximaal 2,50 meter; 
• tevens is in de voorschriften bij de bestemming “Tuinen 2” een regeling opgenomen voor de reeds bestaande uitbouwen aan de voorzijde; 
De eerste drie vormen van uitbreiding hebben zich in de praktijk meerdere malen bewezen; de reeds ingezette lijn wordt hiermee voortgezet. Een uitbouw aan de achterzijde is stedenbouwkundig niet verantwoord gezien de diepte van de achtertuin en met de plattegrond in ogenschouw nemend, moeilijk inpasbaar. 

W 3 

• een dakkapel aan de voorzijde van de woning met een breedte van 3,20 meter; 
• een aan-/uitbouw aan de achterzijde van de woning met een diepte van 2,50 meter; 
• tevens is hier per woning één bijgebouw toegestaan; voor dit bijgebouw zijn de volgende maximale afmetingen toegestaan: breedte maximaal 3,00 meter, diepte 
maximaal 2,00 meter en hoogte maximaal 2,50 meter; 
• tevens is in de voorschriften bij de bestemming “Tuinen 2” een regeling opgenomen voor de reeds bestaande uitbouwen aan de voorzijde; 
De eerste drie vormen van uitbreiding hebben zich in de praktijk meerdere malen bewezen; 
de reeds ingezette lijn wordt hiermee voortgezet. Andersoortige uitbreidingsmogelijkheden behoren, voortkomend uit de plattegrond van deze woningen, niet tot de mogelijkheden. 

W 4 
Binnen W4 worden drie typen patiowoningen onderscheiden, namelijk type A, type B en type C. Op de bestemmingsplankaart staat met een nadere aanduiding aangegeven waar de onderscheiden types zich bevinden. De volgende uitbreidingen worden toegestaan: 

• type B: uitbreiding van de tweede bouwlaag door het gedeeltelijk bebouwen van het dak (tot een diepte van 1,20 meter vanaf de voorgevel); 
• type C: een dakopbouw van 5,20 x 6,00 meter gesitueerd op de hoek van de woning (aan de dwarsstraat) in de richting van de centrale noord-zuidas van 
Geuzenveld-West; 
Voor woningtype A is een dergelijke uitbreiding niet mogelijk daar deze woningen al beschikken over een min of meer volledig benutte tweede bouwlaag. 
Een derde bouwlaag voor de types A en B is onderzocht. Door het stadsdeel uitgevoerde bezonningsstudies hebben aangetoond dat een derde bouwlaag een substantiële toename van de schaduwwerking zou betekenen in de tuinen behorend bij de naastgelegen woningen in de periode mei-september in de ochtend en in de middag. Vergroting van het woongenot voor de ene woning (meer woonoppervlak) leidt dan ook tot vermindering van het woongenot voor de andere woning (minder bezonning). Ook bij een relatief kleine dakopbouw doet dit probleem zich voor. 

Daarnaast wordt een derde bouwlaag vanuit stedenbouwkundige overwegingen niet mogelijk geacht. De patiowoningen vormen gezamenlijk een sterke eenheid. Deze eenheid komt tot uitdrukking in de doorlopende lichte wand op de begane grond, de eerste verdieping als een soort donkere doos daarboven en de zeer dominante, zware daklijst. 
Deze daklijst vormt door zijn kleur en dimensionering een definitieve beëindiging van de woningen. Daarnaast komt deze eenheid tot uitdrukking in het stratenpatroon dat in nauwe samenhang met de woningen is ontworpen. De sterke gelaagdheid van de architectuur, alsmede de wisselwerking tussen stratenpatroon en bebouwing maakt dat de samenhang bij de patiowoningen veel sterker is dan elders in Geuzenveld-West. Het toevoegen van een derde bouwlaag bij individuele woningen betekent ontkenning van de samenhang die alle patiowoningen gezamenlijk vormen. Het toevoegen van derde bouwlagen betekent tevens een ontkenning van de architectonische principes waarin de beëindiging zo nadrukkelijk is vormgegeven. Het is samenvattend de architectonische en stedenbouwkundige samenhang alsmede de negatieve gevolgen voor de bezonning die een derde bouwlaag voor de patiowoningen onmogelijk maken. 
Een tweede bouwlaag voor de C-woningen is eveneens onderzocht. De door het stadsdeel uitgevoerde bezonningsstudie heeft uitgewezen dat een dakopbouw van 5,20 x 6,00 meter niet tot substantiële vermindering van de bezonning leidt. Daarnaast speelt ook hier een stedenbouwkundige overweging een belangrijke rol. De eerder genoemde stedenbouwkundige eenheid komt mede tot uitdrukking in de centrale noord-zuidas door het buurtje met patiowoningen (eveneens onderdeel van de centrale as van heel Geuzenveld-West). Deze straat is eveneens de enige noord-zuidverbinding binnen de groep patiowoningen. Aan deze centrale as zijn de C-woningen gelegen, waarmee de bijzondere betekenis van de as, zowel voor Geuzenveld-West als voor de patiowoningen, wordt benadrukt. Dit komt tot uitdrukking in de uit één laag bestaande C-woningen, alsmede in het open karakter van het straatje (in vergelijking met de oost-west georiënteerde straten) als gevolg van de grotendeels op de straat georiënteerde tuin. 
Hoewel incidentele opbouwen het beeld enigszins ontkrachten is een dakopbouw in geval van de C-woningen niet ondenkbaar. Het gaat namelijk om een tweede bouwlaag over een beperkt deel van het dak. Bovendien blijft met de tuinen het samenhangende open karakter gehandhaafd. 

W 5 
Voor alle woningen W5 geldt dat een uitbreiding van de derde bouwlaag is toegestaan van maximaal 36 m2 per woning, onder handhaving van de bestaande dakhelling, mits de derde bouwlaag ten opzichte van de tweede bouwlaag tenminste 1 meter terug ligt. 
Voor de woningen gelegen aan het water, is voorts toegestaan: 

• een aan- of uitbouw in aansluiting op de achtergevelrooilijn van de woning met een diepte van maximaal 4,00 meter (waterzijde); 
• een uitbouw aan de zijkant van de woning met een diepte van maximaal 3,45 meter; 
Voor de woningen gelegen aan de straatkant, is voorts toegestaan: 

• een uitbouw aan de zijkant van de woning met een diepte van maximaal 3,45 meter; 
• een uitbouw in aansluiting op de voorgevelrooilijn van de woning met een diepte van maximaal 2,00 meter (straatkant); 
Er wordt aansluiting gezocht bij de benadering die de rijksoverheid heeft gekozen in het ‘Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken’. Het principe achter de regels in dit besluit is, dat aan de straatzijde van een woning minder mogelijk is dan aan de niet-straatzijde. Het openbare karakter van de straatzijde is hierbij de achterliggende gedachte. 
Een kwadrant van vier woningen beschikt in de gegeven situatie echter over een straatzijde en een waterzijde. Indien de woningen van een kwadrant evenwel afzonderlijk 
worden bezien, dan liggen deze ofwel aan de straatzijde ofwel aan de waterzijde. Er is dus binnen een blok van vier kwadrantwoningen per woning sprake van een verschillende situatie. Deze verschillende situatie leidt, in het verlengde van de vorengenoemde voor- en achterkantbenadering, tot andere mogelijkheden voor woningen die respectievelijk aan de voor- en achterzijde zijn gelegen. 

Aan de voorzijde is een uitbouw mogelijk van maximaal 2,00 meter. In vergelijking met traditionele eengezinswoningen (in rij of 2/1-kap) hebben (deze) kwadrantwoningen, met name als gevolg van de naar binnen gerichte tuinen aan de voorzijde, een tamelijk individueel karakter. Het woningtype (de kwadrantwoning) voorziet voor de woningen aan de straatzijde niet in tuinen die privacy bieden aan de bewoners. Dit heeft ertoe geleid dat vele bewoners de tuinen aan de voorzijde hebben afgesloten, waardoor de ruimtelijke eenheid van de reeks kwadrantwoningen slechts ten dele is te ervaren. Uitbreidingen aan de voorzijde vormen dan ook (als gevolg van de organisatie van dit woningtype) in vergelijking met traditionele situaties, nauwelijks een dissonant in een ruimtelijke eenheid. 

Aan de achterzijde zijn er, door de ligging aan de achterzijde alsmede de hoekligging van de tuinen, minder beperkingen voor wat betreft de mogelijk te realiseren uitbouwen. 
Daarom is aan de achterzijde een uitbouw van maximaal 4,00 meter diep mogelijk. Hoewel de diepte van de tuin beperkt is, is dit mogelijk gezien de hoekligging van de tuin. 

De zijde van de woningen, niet gelegen tegenover het water, zijn de zijkanten van de woningen. Ook indien deze zijde is gelegen aan een straat, dan nog betreft het hier feitelijk de zijkant van de woning, daar de woning in de architectuur niet reageert op de hoekligging. Om deze reden is er dan ook geen reden om in hoeksituaties af te wijken van de voor- achterkantbenadering. 

De voorschriften zijn voor wat betreft W5 bij de vaststelling van het plan (naar aanleiding van een zienswijze) nog in die zin gewijzigd dat een uitbreiding van de derde bouwlaag is toegestaan van maximaal 36 m2 per woning, onder handhaving van de bestaande dakhelling, mits de derde bouwlaag ten opzichte van de tweede bouwlaag tenminste 1 meter terug ligt. Aldus blijft de derde bouwlaag als te onderscheiden element in de bebouwing herkenbaar. 

W 6 

• een derde bouwlaag over het volledige dakvlak van het hoofdvolume; 
• een aan- of uitbouw aan de achterzijde met een diepte van maximaal 2,50 meter; 
De eerste vorm van uitbreiding heeft zich in de praktijk reeds bewezen. De tweede is in de praktijk nog niet gerealiseerd. Gezien de beperkte tuindiepte en de ligging van de tuin op het westen, waardoor een aan- of uitbouw een relatief grote invloed heeft op (de tuinen van) de naastgelegen woning, is een aan- of uitbouw mogelijk van maximaal 2,50 meter diep. 
Andersoortige uitbreidingsmogelijkheden behoren, voortkomend uit de plattegrond van deze woningen, niet tot de mogelijkheden. 

W 7 

• een opbouw in de vorm van een tweede bouwlaag op een deel van het van oorsprong ondergeschikte deel van de woning (op garage en gedeelte van de woonkamer); 
• een derde bouwlaag over het volledige dakvlak van het hoofdvolume; 
• een aan- of uitbouw met een diepte van maximaal 3,00 meter aan de achterzijde van de woning over de volledige breedte van het van oorsprong uit twee lagen bestaande 
deel van de woning; 
Deze drie vormen van uitbreiding hebben zich in de praktijk reeds bewezen; de ingezette lijn wordt hiermee voortgezet. Andersoortige uitbreidingsmogelijkheden behoren, 
voortkomend uit de plattegrond van deze woningen, niet tot de mogelijkheden. 

W 8 

• een aan-/uitbouw aan de achterzijde van de woning met een diepte van maximaal 3,00 meter; 
• uitbreiding van de bestaande derde bouwlaag tot 0,55 meter vanaf de achtergevel van het hoofdvolume; 
• tevens is hier per woning één bijgebouw in de voortuin toegestaan; zowel de maximale diepte, breedte als hoogte van dit bijgebouw bedraagt 2,50 meter; 
Deze drie vormen van uitbreiding hebben zich in de praktijk reeds bewezen; de ingezette lijn wordt hiermee voortgezet. Andersoortige uitbreidingsmogelijkheden behoren, 
voortkomend uit de plattegrond van deze woningen, niet tot de mogelijkheden. 

W 9 

• een aan- en uitbouw aan de achterzijde van de woning met een diepte van maximaal 3,00 meter is mogelijk; 
• een derde bouwlaag kan worden toegevoegd; 0,60 meter terugliggend vanaf voor- en achtergevel van het hoofdvolume; de aansluiting op de hoekpanden aan de westzijde 
verdient echter bijzondere aandacht; 
• tevens is hier per woning bij het meest zuidelijk gelegen bestemmingsvlak W9 aan de voorzijde één bijgebouw toegestaan; voor dit bijgebouw zijn de volgende maximale 
afmetingen toegestaan: breedte maximaal 2,50 meter, diepte maximaal 3,50 meter en hoogte maximaal 2,50 meter; 
Gezien de grote diepte van de achtertuinen en gezien de zuidelijke ligging van de achtertuinen zullen negatieve consequenties ten gevolge van een aan- en uitbouw niet of 
nauwelijks aan de orde zijn. Een uitbouw van maximaal 3,00 meter diep behoort daar dan ook tot de mogelijkheden. Andersoortige uitbreidingsmogelijkheden behoren, voortkomend uit de plattegrond van deze woningen, niet tot de mogelijkheden. 

W 10 

• een aan-/uitbouw aan de achterzijde van de woning met een maximale diepte van 2,50 meter; 
• tevens is per woning aan de achterzijde tegen de achterste erfgrens één bijgebouw toegestaan; de bijgebouwen hebben maximaal een breedte van 3,50 meter, een 
diepte van maximaal 2,00 meter en een hoogte van maximaal 2,50 meter; 
De bestemming W10 betreft verschillende typen sociale huurwoningen. Indien daar aanleiding toe is (bijvoorbeeld na eventuele verkoop) is het mogelijk deze woningen uit te breiden met een uitbouw van maximaal 2,50 meter diep. Overigens zijn er geen plannen bekend van verkoop door de woningcorporaties. 

W 11 
Voor de aan de zuidzijde van de J.M. den Uylstraat gelegen woningen geldt dat een bijgebouw met de volgende maximale afmetingen kan worden gerealiseerd: breedte 
maximaal 2,00 meter, diepte maximaal 3,50 meter en hoogte maximaal 2,50 meter. Dit bijgebouw moet worden geplaatst tegen erfgrens van de achterzijde van het perceel. 
Deze categorie betreft met name sociale huurwoningen aangevuld met vier niet woonruimten aan de J.M. den Uylstraat. Deze ruimten kunnen worden gebruikt voor 
horeca, kleinschalige kantoor- en winkelbestemmingen. Daarnaast zijn maatschappelijke voorzieningen toegestaan. 

W 12 
Voor de woningen met de bestemming W12 wordt geen aanvullende regelingen getroffen. 
Het desbetreffende type appartementen aan het C.P.M. Rommeplantsoen leent zich niet voor een aan-en uitbouwenregeling of bijgebouwenregeling. 

W 13 

De woonwagenlocatie biedt ruimte aan zes woonwagens. De maximale nokhoogte bedraagt 4,00 meter met een maximale goothoogte van 3,20 meter. De afstand tussen de voorgevelrooilijn en de erfgrens bedraagt tenminste 2,00 meter. Tevens is een regeling getroffen voor één berging per standplaats. 

Er dient ook nog te worden gewezen op het “Besluit bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken” van 13 juli 2002, Stb 410. Dit besluit biedt mogelijkheden om vergunningsvrij uitbreidingen van de woning te realiseren. Indien aan een aantal voorwaarden 
wordt voldaan is een bouwvergunning niet nodig. De uitbreidingsmogelijkheden die in dit bestemmingsplan worden aangegeven zijn ruimer dan hetgeen krachtens het ‘Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken’ vergunningvrij is. Het blijft voor de realisering van bouwmogelijkheden ingevolge het voorliggende bestemmingsplan noodzakelijk een bouwvergunning aan te vragen. Voor woonwagens zijn de mogelijkheden om vergunningvrij veranderingen te realiseren beperkter. Uitbouwen, aanbouwen, bijgebouwen en dakkapellen zijn volgens dit besluit voor woonwagens in geen geval bouwvergunningvrij. 

Tuinen (T 1 en T 2) 

Binnen de bestemming “Tuinen” worden de typeringen T 1 en T 2 onderscheiden. T 1 betreft de achtertuinen van de woningen en T 2 betreft de voortuinen van de woningen. Zoals in het voorgaande reeds is aangegeven zijn de bebouwingsmogelijkheden in de achtertuinen (T1) 
aanmerkelijk ruimer dan die in de voortuinen (T2). Aanvullend geldt voor T1 in alle situaties de mogelijkheid tot het bouwen van erfafscheidingen met een hoogte van 1,80 meter ter afscherming van het achtererf van de openbare ruimte. 
De bestemmingen Tuinen 1 en Tuinen 2 voorzien niet in uitbreiding van de tuinen. 
Een aanzienlijk deel van de voortuinen (T 2) voorziet in parkeren op eigen terrein. Dit geldt voor de tuinen met de bestemmingsvlakken W 1, W 2, W 3, W 5, W 6 en W 7. 

Verkeersareaal (V 1, V 2 en V 3) 

Een onderscheid wordt gemaakt tussen gebiedsontsluitingswegen (V 1), buurtontsluitingswegen (V 2) en het openbaar toegankelijke gebied geen groen zijnde (V 3). 

• De J.M. den Uylstraat is de enige gebiedsontsluitingsweg (V1). De J.M. den Uylstraat is behalve buurtontsluiting voor Geuzenveld-West tevens de ontsluitingsweg voor het Sportpark De Eendracht en de ten zuiden daarvan gelegen volkstuinencomplexen. De J.M. den Uylstraat is uitgevoerd met twee door een groene middenberm gescheiden rijbanen. 
• Alle overige autowegen/straten zijn getypeerd als V 2. 
• Het Freule Wttewaalpad, de paden aan weerszijden van het Willem Dreesplantsoen, het pad tussen H.J. Algrastraat en L.J.M. Beelstraat en het pad ten westen van de J.G. Suurhoffstraat 
en H.J. Algrastraat behoren tot V 3. 
Voor het plangebied is uitgegaan van een gemiddelde parkeercapaciteit van ten minste 1,1 parkeerplaats per woning. Circa 60% van de parkeerbehoefte wordt opgelost op eigen terrein en/of binnen de woonbestemmingen. Voor de resterende parkeerbehoefte zijn voorzieningen getroffen binnen de bestemmingen V 1 en V 2. 

Groen (G) 

Een belangrijk deel van de bestemming Groen (G) behoort tot de Hoofdgroenstructuur van Amsterdam zoals vastgelegd in het Structuurplan Amsterdam. Park “De Kuil” behoort tot de Hoofdgroenstructuur (groencluster natuurgebied; groentype natuurpark) en heeft een recreatieve functie en bovendien een ecologische waarde. 
De oevers van de watergang zijn ecologisch ingericht. In het kader van de stedelijke vernieuwingopgave van de aangrenzende Buurt Negen wordt aan de oever van deze watergang een Vogeltoren geplaatst. De Vogeltoren van circa 9,00 meter hoog moet plaats gaan bieden aan nestelgelegenheid voor vele soorten vogels en dient tevens als herkenningspunt langs de Pieter Postsingel. 
Binnen de bestemming Groen (G) is bebouwing ten behoeve van wonen, werken, voorzieningen en recreatie niet toegestaan. Wel toegestaan zijn kleinschalige spel- en speelvoorzieningen (onder anderen in het Willem Dreesplantsoen en in Park “De Kuil”). Onder de bestemming ‘Groen’ vallen verder ook de langzaam verkeersroutes en wandelpaden. 

Water (WA) 

De watergangen in het gebied hebben een belangrijke waterhuishoudkundige functie. Zij regelen de afvoer en berging van hemelwater en hebben een regulerende werking op de grondwaterstanden. De aanwezige watergangen dienen minimaal in hun huidige profiel te worden gehandhaafd. De oevers van de watergangen zijn deels natuurvriendelijk ingericht en vormen een versterking van het ‘Natte Econet’. Dit is een aaneengesloten lint van ecologische oevers in de Westelijke Tuinsteden. 

De oostelijk gesitueerde sloot heeft geen openbare oevers. De oevers van de waterlopen aan de noord-, zuid- en westzijde zijn (deels) openbaar. Hiermee heeft een belangrijk deel van het water en de oevers een recreatieve functie. Het is geschikt voor activiteiten als varen, schaatsen en vissen. De eerder genoemde Vogeltoren komt gedeeltelijk in het water te staan. 

8 Inspraak en overleg 

Algemeen 

In het kader van artikel 6a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is inspraakgelegenheid geboden aan de bewoners en betrokkenen. Hiertoe heeft het concept-ontwerp bestemmingsplan vier weken ter inzage gelegen en heeft er een inspraak- en informatieavond voor bewoners plaatsgevonden. 
Eén en ander heeft geleid tot één schriftelijke inspraakreactie en aantal mondelinge reacties op de inspraak- en informatieavond. In dit hoofdstuk worden achtereenvolgens de schriftelijke en mondelinge reacties behandeld. 

Daarnaast is het concept-ontwerpbestemmingsplan aan een aantal instanties toegezonden (ex artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening). Ook hiervan is de verslaglegging in dit hoofdstuk opgenomen. 


Het concept ontwerpbestemmingsplan heeft vier weken ter inzage gelegen en er is een inspraakavond georganiseerd. Het verslag van de inspraakavond is als bijlage in dit bestemmingsplan opgenomen. Daarnaast is er één schriftelijke inspraakreactie binnengekomen. 
Op een beperkt aantal aspecten is door de insprekers bezwaar gemaakt tegen het bestemmingsplan. De strekking van de mondeling en schriftelijk geuite bezwaren komt voor een belangrijk deel overeen.

Bestemmingsplan Slotermeer
Het bestemmingsplan Slotermeer is nog in 2006 gereed voor overleg en inspraak en zal in 2007 aan de raad ter vaststelling worden aangeboden. Dit betreft een veel groter en complexer plangebied met een veelheid aan functies en met stedelijke vernieuwingsprojecten in verschillende stadia van besluitvorming. De bestemmingsplannen zullen door de Gemeente Amsterdam (DAB) Dienst Advies en Beheer, GEO en Vastgoedinformatie en de Dienst Ruimtelijke Ordening worden geplaatst op de site www. bestemmingsplannen.amsterdam.nl