ARMOEDE
Armoede betekent tekortkomen op materieel, sociaal en emotioneel gebied.
Het betekent dat je minder aan eten, aan verwarming en aan kleren kan uitgeven dan iemand met een gemiddeld inkomen.
De schuldenproblematiek neemt toe. Het is een trend dat er steeds meer huisuitzettingen plaats vinden. In veel gezinnen is zelfs nauwelijks brood op de plank. De Stedelijke vernieuwing met hogere huren zal het probleem nog groter maken.
Eenderde van de jongeren groeit op in armoede en één op de vijf gezinnen leeft op de armoedegrens en dat is twee keer zoveel als het landelijk gemiddelde. Het aantal arme kinderen groeit. Eén op de tien minderjarigen heeft geen geld omdat het opgroeit in een gezin dat moet rondkomen van een bijstandsuitkering.
Uit geldgebrek kunnen vier van de vijf arme kinderen bijna nooit met vakantie of een dagje uit en worden kinderen in plaats van met de ouders op vakantie steeds vaker op zomerkamp gestuurd. Lid zijn van een sportclub is er meestal niet bij en verjaardagsfeestjes worden jaren overgeslagen. Er kan niet voldoende kleding worden gekocht en warm eten staat ook niet dagelijks op tafel. Dit zijn verontrustende feiten. Armoedebestrijding richt zich vooral op de 75 procent van de minimahuishoudens die langer dan drie jaar op dat minimum leeft. (Dit is 15,3 procent van alle Amsterdammers).
Bijna een kwart van de jongeren onder de achttien groeit in op in zo'n gezin. Jongeren die onder slechte financiële omstandigheden opgroeien, doen het slechter op school, zelfs als hun ouders wel een goede opleiding hadden. Schooluitval komt bij deze kinderen vaker voor dan gemiddeld, wat vaak weer samengaat met andere problemen.
Er zijn natuurlijk diverse voorzieningen Gemeentebreed reeds ontwikkeld voor mensen met een minimuminkomen, zoals de Plusvoorziening en de kwijtscheldingsregeling voor gemeentebelastingen, de Formulierenbrigade, huursubsidie en Woonlastenfonds en de Aanvullende Ziektekostenverzekering.
(De Plusregeling waarbij in de toekomst iedereen die drie jaar of langer op een minimuminkomen leeft ongeveer 500 euro per jaar extra krijgt ontvangen alleen diegenen die geen perspectief op betaald werk hebben.)
Pas de laatste 1,5 jaar wordt het een beetje toegegeven dat er nog zoveel armoede is in ons land. Mensen hangen het niet aan de grote klok en schamen zich vaak. Simpele uitgaven zoals bijvoorbeeld een nieuwe wasmachine kunnen niet betaald worden.
De Bijzondere bijstand voorziet hier vaak niet in en mensen lopen van het kastje naar de muur, door eerst bij de sociale dienst een aanvraagformulier voor financiële bijstand in te vullen, om dan na een poos wachten te horen dat de aanvraag is afgewezen omdat de vrijheid omdat beschikbaar gestelde middelen sterk zijn ingeperkt.
Zo moet de sociale dienst bij een aanvraag controleren of de uitgaven wel noodzakelijk zijn, en of het niet om een aanschaf gaat waarvoor de aanvrager had kunnen sparen. Tien procent van de bijstandsuitkering moet worden gespaard om bijvoorbeeld een wasmachine te kunnen kopen.
Een wasmachine kan dus niet worden vergoed. Een treinkaartje om de kinderen in een andere stad te bezoeken kost bijvoorbeeld al tien procent van een uitkering.
Financiële problemen staan veelal niet op zichzelf. Bij een problematische schuldsituatie spelen niet alleen financiële problemen een rol, maar hebben we vaak ook te maken met psychosociale problemen. Deze psychosociale problemen kunnen bijvoorbeeld veroorzaakt worden door een echtscheiding, ziekte, ontslag, arbeidsongeschiktheid of verslaving. Maar ook het door de maatschappij gestimuleerde consumptiegedrag, het ruime aanbod van kredieten en het meedoen met buren en vrienden zijn belangrijke factoren bij het ontstaan van een problematische schuldsituatie. Door een stagnerende economie, gebrekkig financieel inzicht, gezondheids- en/of relatieproblemen verkeren ook veel ondernemers in een problematische schuldsituatie. Een problematische schuldsituatie beïnvloedt in veel opzichten de kwaliteit van het bestaan. Zij kunnen bijvoorbeeld consequenties hebben voor de gezondheid van leden van het huishouden, het voedingspatroon, de woonomstandigheden, ontspanning en vakantie. Bovendien kan een problematische schuldsituatie juist psychosociale problemen veroorzaken. 53% van de mensen met problematische schulden heeft gezondheidsproblemen, zoals stress, slapeloosheid of depressie.
Door bijvoorbeeld het invoeren van eigen bijdragen en het niet langer volledig vergoeden van allerlei medische kosten komt het beschikbare budget verder onder druk te staan. Naast de normale kredietbehoefte voor de aanschaf of vervanging van duurzame gebruiksgoederen ontstaat er een aanvullende kredietbehoefte voor het financieren van tekorten. Als bezuinigingen niet het gewenste resultaat opleveren, worden de tekorten vaak gefinancierd door het uitstellen van andere betalingen, het kopen op afbetaling en aankopen bij leveranciers die minder strenge eisen stellen. Bij de uitkeringsgerechtigden ligt het probleem vaak bij schulden die te maken hebben met de maandelijkse woonlasten. Een problematische schuldsituatie is vaak niet het gevolg van één oorzaak, maar meestal van meerdere, samenhangende oorzaken.
Uitzetting uit woningen leidt tot toename van het aantal dak- en thuislozen. Onoplosbare schuldsituatie leiden niet zelden tot relatiebreuk en er is een effect op de mate van criminaliteit en veiligheid in wijken.
Voor LSG is zicht op de doelgroep een voorwaarde om te komen tot een plan van aanpak op maat en om preventief te werk te kunnen gaan. Daarnaast is een goede samenwerking tussen de betrokkenen organisaties en het Stadsdeel is van belang om de doelgroep te bereiken. De bewoners van het Stadsdeel worden door LSG als primaire doelgroep aangemerkt, maar daarnaast zijn er ook risicogroepen, zoals:
• De minimahuishoudens
• Jongeren
• Uitkeringgerechtigden ( WW- WAO-ANW etc.)
• Niet westerse -allochtonen
De minimahuishoudens
Een minimahuishouden is een huishouden met een inkomen tot 105 % van de geldende bijstandsnorm (Wettelijk Sociaal Minimum) . De bijstandsnormen voor 2005 zijn als volgt:
Normen 21-65 jaar :
a) een alleenstaande: € 574.92 per maand
b) een alleenstaande ouder: € 804.88 per maand
c) gehuwden waarvan beide echtgenoten jonger zijn dan 65 jaar: € 1149.83 per maand
De minimumhuishoudens staan in het algemeen bekend om de vatbaarheid voor schulden Zoals hierboven aangegeven, moeten deze huishoudens gezamenlijk zien rond te komen van een minimuminkomen. En om het hoofd boven water te kunnen houden in een materialistische samenleving als de onze, is schulden maken soms onvermijdelijk.
Jongeren (en schoolverlaters )
Aan jongeren wordt tegenwoordig geen spaarzin bij gebracht. Banken stimuleren juist het rood staan. Veel jongeren met problematisch schulden zijn vaak laag opgeleid en voortijdig van schoolgegaan. De meeste jongeren hebben een problematische achtergrond. Bovendien hebben zij bijna nooit ouders die hen financieel bijstaan. Vaak gaan schulden gepaard met andere problemen en is een aanzienlijke percentage verslaafd of verslaafd geweest aan gokken of drugs.
Uitkeringgerechtigden
Veel mensen die van een uitkering genieten moeten net als de minimahuishoudens vaak van het minimuminkomen zien rond te komen. Mensen met een WW-/ WAO - uitkering zijn ook een
belangrijke doelgroep. Zij hebben meestal te maken met aanpassingsschulden of overlevingsschulden.
Doordat hun inkomen plotseling achteruit is gegaan, moeten zij hun gedrag aanpassen en hun uitbestedingspatroon veranderen. Maar meestal gaat dat niet zo snel en kampen zij alsnog met problematische schulden.
Niet- westerse allochtonen
Een derde van de niet-westerse allochtone huishoudens heeft een laag inkomen, tegen 11% van de autochtone huishoudens.
Armoede komt het vaakst voor bij de overige niet-westerse allochtone huishoudens (40%), op de voet gevolgd door Marokkaanse huishoudens (38%). Antilliaanse (32%) en Turkse (30%) huishoudens. Surinaamse huishoudens hebben van de minderheden het minst vaak een laag inkomen (27%). Van een gunstige positie is ook bij de Surinamers echter nauwelijks sprake. Het aandeel met een laag inkomen is fors hoger dan bij autochtone huishoudens, waarvan 11% een laag inkomen heeft.
Na 2005 worden de gemeenten verantwoordelijk voor de budgettering van de bijstand. Zij zullen met andere woorden de bijstand zelf moeten financieren.
Het wel of niet door eigen schuld in een schuldpositie verkeren van ouders kan en mag geen consequenties hebben of krijgen voor kinderen. Zij dienen te allen tijde beschermd te worden. Het is onze gemeenschappelijke taak om toe te zien dat kinderen geen honger hoeven te lijden of te koud gekleed over straat moeten.
*uit een onderzoek dat de Erasmus Universiteit uitvoerde voor de interdepartementale Commissie Jeugdonderzoek (CJO) van de Rijksoverheid blijkt dat sinds 1990 het aantal kinderen in bijstandsgezinnen gegroeid met 15 procent.
*Armoede is een situatie waarin middelen (materieel, cultureel en sociaal) voor mensen zo beperkt zijn, dat zij zijn uitgesloten van deelname aan het minimaal aanvaardbare levenspatroon dat gangbaar is en de toestand waarin iemand verkeert die bijna niets heeft om van te leven
HANDREIKINGEN EN VOORSTELLEN
1. Een effectieve aanpak van problematische schulden en de preventie ervan wordt niet alleen bereikt met de beschikbaarheid van schuldhulpverlening, maar ook door organisaties van de hulpverlening.
Het stadsdeel moet de afstemming tussen de verschillende organisaties die zich met armoedeproblematiek bezighouden verbeteren en het voorzieningenaanbod inventariseren.
Voor de aanpak van de armoede moeten politie, sociale dienst, GGZ, GG&GD, lokale overheden, woningcorporaties en huisartsen meer samenwerken om problemen te signaleren en aan te pakken.
Het Stadsdeel moet de toegang stimuleren tot voorzieningen onder andere via de sociaal raadslieden, de schuldhulpverlening, de 1e lijns zorg en middels publicaties.
Sportclubs moeten een aanvraag kunnen doen voor de gevallen waarin leden de contributie niet kunnen betalen.
Om het armoedeprobleem aan te pakken moet daarnaast zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van bestaande netwerken op het gebied van sociaal isolement en sociale activering.
2. Vaak hebben bewoners ondanks de bestaande regelingen moeite om rond te komen. Dat zijn vooral bewoners die een grote achterstand hebben op de arbeidsmarkt of waarvan de financiële situatie door opgelopen schulden bijzonder moeilijk is. Vooral huishoudens met een langdurig laag inkomen en bijstandsgerechtigden verdienen aandacht., maar ook bewoners met achterstanden op sociaal- economisch gebied waaronder alleenstaande vrouwen met kinderen en Nederlanders van buitenlandse komaf. Omdat het overzichtelijker en toegankelijk te maken voor bewoners met schulden moet er één centraal loket komen.
3. extra aandacht voor preventie.
Wanneer we spreken over preventie, kan onderscheid gemaakt worden naar het moment waarop de preventieve activiteiten plaatsvinden:
a. Primaire preventie heeft tot doel te voorkomen dat mensen ooit in de problematische schulden raken c.q. het voorkomen van nieuwe gevallen.
b. Secundaire preventie gaat om vroegtijdige onderkenning, opsporing en behandeling, meestal bij specifieke risicogroepen. Ook het opsporen van risicofactoren behoort tot de secundaire preventie.
c. Tertiaire preventie richt zich op situaties waarbij al sprake is van problematische schulden. De curatieve hulp, begeleiding en andere maatregelen zijn hier bedoeld om de bestaande problemen op te lossen.
Bewoners met betaalachterstanden of schulden kunnen doorverwezen worden naar de schuldhulpverlening, maar ook rechtstreeks naar hiertoe gespecialiseerde organisaties. Dit is een belangrijke secundaire preventie, omdat als een bewoner in een vroeg stadium doorverwezen wordt de betalingsachterstand nog gering is. Op dat moment is het wellicht nog redelijk eenvoudig om de problemen op te lossen. Er kan ook verwezen worden naar bijvoorbeeld het maatschappelijk werk of zelfs het RIAGG. Door middel van een dergelijke verwijzing kan psychische ondersteuning gegeven worden of psychosociale hulp aangeboden worden.
Het Stadsdeel moet hierbij samenwerken met verschillende instanties en organisaties zoals verzorgingstehuizen, huisartsen, Impuls, SBB, Dock, moskeeën en kerken.
Om de drempel laag te houden moeten er telefonische spreekuren worden ingesteld en moet er gebruikt worden gemaakt van de lokale kranten, folders en het internet. Ook hiermee is het mogelijk de eventueel hulpbehoevende mensen te bereiken en informeren.
In juli 2006 is de Voedselbox een stichting geworden, met als officiële naam
Stichting Voedselbox Geuzenveld/Slotermeer.
Zij hebben dankzij de corporatie een eigen pandje betrokken in de Tobias M.C. Asserstraat
24 op donderdag 7 september 2006
Meer Amsterdamse huishoudens met een inkomen op of onder het wettelijk sociaal minimum blijven langer arm. In 2003 leefde 65 procent van de minima's drie jaar of langer in armoede. Dit is
in 2006 gestegen tot 72 procent van alle minimahuishoudens.
Dat blijkt uit de Armoedemonitor 2005 van de gemeente Amsterdam. Het aantal huishoudens dat schulden heeft is verder toegenomen. Was het aantal huishoudens met schulden in 2002 nog 12 procent, in 2004 was dit 16 procent. In 2005 is had bijna een op de vijf huishoudens schulden (negentien procent).
Veelal zijn het eenoudergezinnen (39 procent) die weinig geld te besteden hebben, maar het aantal 65-plussers dat rond de armoedegrens leeft, stijgt.
De meeste minimahuishoudens staan in stadsdeel Bos en Lommer, Geuzenveld-Slotermeer en Zuidoost. In deze stadsdelen leeft een kwart van de huishoudens op de minimumgrens. In Westerpark en Amsterdam-Noord is ongeveer een op de vijf huishoudens arm.
In Amsterdam moeten 74.554 huishoudens van een minimuminkomen rondkomen. Dat zijn ongeveer 141.612 personen. Van hen zijn 39.000 onder de achtien jaar. In deze groep zijn het met name Marokkaanse jongeren die rond de armoedegrens leven.
Maar ook in de leeftijdsgroep boven de achtien jaar leven meer Marokkanen onder de minimumgrens ten opzichte van andere etniciteiten. 36 Procent van alle Marokkaanse huishoudens leeft van een minimuminkomen. Onder Surinamers is dit percentage dertig. Het gemiddelde in Amsterdam ligt op
achttien procent.
Staatsecretaris
Van Hoof opent www.grijpjekansen.nl
Niet kunnen sporten, thuis geen computer hebben en niet mee op schoolreisje
kunnen omdat je ouders weinig geld hebben. Gemiddeld zitten er in een klas van
20 leerlingen twee kinderen die thuis met dit soort geldproblemen te maken
hebben. De ouders van deze kinderen kunnen het lidmaatschap voor de sportclub
niet betalen. Wel zouden veel ouders hier een bijdrage voor kunnen krijgen van
hun gemeente of een sportfonds. Maar helaas kennen veel ouders dit soort
inkomensondersteunde maatregelen niet. Dat is de reden dat het NIBUD op verzoek
van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de website grijpjekansen.nl
heeft ontwikkeld. Een site waar op een overzichtelijke manier alle financiële
tegemoetkomingsregelingen op een rij zijn gezet. Staatssecretaris Van Hoof van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid opende grijpjekansen.nl
officieel tijdens zijn werkbezoek aan het NIBUD op maandag 13 februari 2006.
Grijpjekansen.nl
De site is gemaakt op aanbeveling van de Denktank Armoedebestrijding, die in
opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft nagedacht
over de bestrijding van armoede onder jeugd en jongeren. Ruim 430.000 kinderen
onder de 18 jaar groeien op in een gezin dat minder dan 1150 euro netto per
maand te besteden heeft. Hoeveel gezinnen geen gebruik maken van
inkomensondersteunde maatregelen is niet exact bekend. Geschat wordt dat 40% van
de gezinnen die er wél recht op hebben, er geen gebruik van maken. Het NIBUD
hoopt dat door het bestaan van grijpjekansen.nl
meer ouders gebruik gaan maken van dit soort regelingen. Op de site staat
precies beschreven bij welke instanties een gezin kan aankloppen voor financiele
ondersteuning op het gebied van school (schoolreisjes / computergebruik) en
vrije tijd (sport/hobby). Zo kan bijvoorbeeld de Stichting Leergeld ouders
helpen bij het betalen van het schoolgeld.
Scholieren zoeken zelf
Grijpjekansen.nl laat
scholieren zien dat ook als je ouders weinig geld hebben, het niet zo is dat je
helemaal nergens aan mee kunt doen. Scholieren kunnen op de site zelf opzoeken
of er in de stad waar zij wonen wellicht een sportfonds bestaat dat wil
meebetalen aan de sportcontributie. Het NIBUD hoopt dat de scholier zijn ouders
gaat stimuleren tot het doen van een aanvraag. Naast het vinden van
inkomensondersteuning voor de ouders is ook vinden van bijbaan voor de scholier
zelf een goede manier om wat extra geld te krijgen. Op de site staat precies
uitgelegd wat de regels zijn omtrent werken en wat goed betaalde bijbaantjes
zijn.
VanHarteResto
‘VanHarte’ is een initiatief dat wil bijdragen aan het doorbreken van de cirkel van stille armoede en sociale uitsluiting van mensen. De organisatie probeert een keten van buurtrestaurants op te zetten onder het motto: eten, ontmoeten en activeren. Staatssecretaris Clémence Ross (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft op 16 december 2004 in Den Haag het eerste VanHarte-restaurant officieel geopend. Voor een paar euro kan iedereen hier terecht voor een gezonde 3-gangenmaaltijd in een gezellige omgeving. Onlangs schoof CDA-parlementariër Niny van Oerle aan om de sfeer en het eten te proeven. “Een erg leuke gelegenheid om elkaar te ontmoeten”, zegt ze. “Het spreekt ook ouderen aan. VanHarte helpt hen om zo lang mogelijk zelfstandig te blijven wonen en om sociale contacten te onderhouden.” VanHarte is opgezet door o.a. een CDA-raadslid uit Rotterdam en een medewerker van de CDA-Tweede-Kamerfractie. Voor meer informatie www.vanharteresto.nl of
f.beekers@vanharteresto.nl.
Recordschuld bij Nederlandse huishoudens
Nederlandse huishoudens stonden eind september 2005 voor 7,3 miljard euro rood op hun betaalrekeningen. Dat is 6 procent meer dan in september 2004 en het hoogste bedrag dat ooit door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is gemeten.
Het gemiddelde bedrag is 2400 euro in de min. Dat is 14 procent meer dan een jaar eerder.
BESTAANDE Voorzieningen in Amsterdam
Als een persoon langere tijd een laag inkomen ontvangt, dan heeft deze misschien recht op de een Langdurigheidstoeslag of een Plusvoorziening. Meer informatie hierover: Telefonisch Informatiecentrum van de Sociale Dienst/Dienst Werk en Inkomen, telefoon 020-3463636
Als een persoon een hoge huur heeft en een laag inkomen, heeft deze misschien recht op Huursubsidie. Die subsidie kan oplopen tot honderden euro’s per maand. Krijgt iemand geen huursubsidie omdat het inkomen vorig jaar te hoog was, maar is het inkomen dit jaar gedaald, dan komt de persoon in kwestie wellicht in aanmerking voor de Vangnetregeling. Verder zijn er nog andere mogelijkheden voor woonsubsidies. Meer informatie? De Dienst Wonen, telefoon 680 68 06 (alle werkdagen van 9.00 tot 16.00 uur).
Als de huur erg hoog is en ook de Huursubsidie geen uitkomst biedt, kan de persoon in kwestie waarschijnlijk een bijdrage krijgen uit het Woonlastenfonds. Deze bijdrage is maximaal € 35,- per maand.
Scholing, kinderopvang, een nieuwe koelkast... Plotselinge kosten, die noodzakelijk zijn, die niet uit het gewone inkomen zijn te betalen. In dat geval kan de Bijzondere Bijstand bijspringen.
Als iemand een laag inkomen heeft, hoeft de persoon in kwestie misschien geen gemeentebelastingen te betalen. Kwijtschelding van deze lasten kan honderden euro’s per jaar schelen. Kwijtschelding wordt verkregen als de persoon een inkomen ontvangt op bijstandsniveau en als de persoon geen eigen vermogen hebt. Eigen vermogen kan spaargeld boven een bepaald bedrag zijn, of de overwaarde van een eigen huis. Meer informatie over kwijtschelding en betalingsregelingen bij de Dienst Belastingen: telefoon 652 48 02
Mensen kunnen door allerlei oorzaken in de schulden raken. Soms zijn de schulden zo groot, dat je ze niet meer alleen kunt oplossen. Speciaal voor die mensen zijn er schuldhulpbureaus. Zij onderhandelen bijvoorbeeld met schuldeisers over een afbetaling die past bij het inkomen. Daarbij werken ze samen met Crediam Kredietbank Amsterdam en met de sociale dienst. Het gaat hier om hulp bij het aflossen van schuld, niet om kwijtschelding van schuld. In Geuzenveld-Slotermeer is bijvoorbeeld een schuldhulpbureau te vinden op: Sam van Houtenstraat 74, tel: 020 – 6135027 (bellen tussen 13.00 – 14.00)
De Stadspas biedt korting op heel veel activiteiten in de stad. Van muziekles tot een avondje naar de bioscoop, van een duik in het zwembad tot een rondvaart door de Amsterdamse grachten. De Stadspas is bestemd voor alle AOW’ers, mensen met een bijstandsuitkering en voor mensen die een uitkering met toeslag (uit de ToeslagenWet) ontvangen van één van de uitvoeringsorganisaties. De pas geldt ook voor de gezinsleden (kinderen tot 18 jaar). Ieder gezinslid krijgt een eigen Stadspas. Ook Amsterdammers die kwijtschelding van gemeentebelastingen krijgen, hebben recht op de pas. De stadspas is een jaar geldig. Meer informatie: Stadspas, telefoon 552 38 10 (elke werkdag tussen 10.00 en 12.00 uur)
Een nieuwe bril of een bezoek aan de tandarts. Vaak vallen deze kosten buiten het ziekenfonds of een ziektekostenverzekering. Deze (medische) kosten kunnen toch worden betaald, wanneer hier een aanvullende verzekering voor is afgesloten. Speciaal voor Amsterdammers met een laag inkomen is de AV-Amsterdam ontwikkeld: een betaalbare, aanvullende ziektekostenverzekering die extra zekerheid geeft. Deze AV Amsterdam vergoedt bijvoorbeeld elke drie jaar een bedrag voor een bril of lenzen. Ook zijn alle tandartskosten gedekt tot een vastgesteld maximum. De aanvullende verzekering wordt bij ziektekostenverzekeraar Agis afgesloten. Voor meer informatie over het project AV Amsterdam, telefoon 346 36 84, of met de klantenservice van Agis Zorgverzekeringen, telefoon 0900 86 85 (4 eurocent per minuut).
De medewerkers van de Formulierenbrigade helpen bij het invullen van formulieren en het uitzoeken welke voorzieningen er voor de persoon in kwestie bedoeld zijn.
Wanneer iemand twaalf jaar is en hij/zij maakt de overstap naar het middelbaar onderwijs maakt en de ouders hebben een inkomen op bijstandsniveau, dan komt het kind mogelijk in aanmerking voor een gratis personal computer.
Armoede in Amsterdam toegenomen
Bureau O+S:
Het aantal Amsterdamse huishoudens dat moet rondkomen van een minimuminkomen is in 2004
verder gestegen met ruim 3700 gezinnen. Was er in 2003 nog 17,7% van de huishoudens afhankelijk
van een inkomen tot 105% van het wettelijk sociaal minimum, in 2004 ging het om 18,5% van de
huishoudens. Dit blijkt uit de Amsterdamse Armoedemonitor over 2004.
Uit de monitor blijkt dat steeds meer Amsterdammers te maken krijgen met armoede. Het gaat om
mensen die moeten rondkomen van een inkomen tot 105% van het wettelijk sociaal minimum. In 2004
kwam dit neer op een inkomen van ? 10.042,43 netto per jaar voor een alleenstaande en ? 14.346,34
voor huishoudens die bestaan uit meer volwassenen en/of kinderen. Gericht armoedebeleid blijft dan
ook bittere noodzaak. Wethouder Ahmed Aboutaleb: “Werk blijft het middel om aan armoede te
ontkomen. Daarom zal het college in het beleidskader Werk voor 2006 met nieuwe voorstellen komen.
Om armoede niet van generatie op generatie over te laten gaan is blijvende aandacht nodig voor
kinderen die opgroeien in een huishouden met een minimuminkomen. Zo wordt er in 2005 voor het
eerst een gemeentelijke regeling uitgevoerd om kinderen uit minimahuishoudens een tegemoetkoming
te geven voor school- en reiskosten. Het college van B&W zal zich sterk blijven maken om met dit
soort maatregelen kinderen een eerlijke kans te geven.”
Belangrijke punten uit de monitor zijn:
Het aantal kinderen dat opgroeit in een huishouden met een minimuminkomen in Amsterdam
is in 2004 verder gestegen tot boven de 40.000. Dit is een toename van 1481 ten opzichte
van 2003.
Meer dan een kwart van de minimajongeren (27,5%) is van Marokkaanse afkomst. Het aantal
Marokkaanse kinderen dat opgroeit in minimahuishoudens is twee keer sneller gestegen dan
gemiddeld: 46% van hen zijn minimakinderen. Het aantal Surinaamse en Antilliaanse/Arubaanse minimakinderen is licht gedaald. 13% van de kinderen van autochtone
afkomst groeit op een minimumhuishouden.
Er zijn steeds meer langdurige minima. Bijna zeven van de tien minimahuishoudens (68,5%)
leefden in 2004 drie jaar of langer van het sociaal minimum, terwijl dat in 2003 65% was.
Het aantal buurtcombinaties waar meer dan 40% van de kinderen tot de minima behoort, is
ten opzichte van 2003 verdubbeld van acht naar zestien. Het aantal huishoudens met een
minimuminkomen is in 2004, vergeleken met 2003, in alle stadsdelen toegenomen. Deze
toename is met 10,6% het sterkst in Geuzenveld-Slotermeer. Een kwart van de minimahuishoudens woont in Amsterdam-Noord of Zuidoost.
Het aantal huishoudens dat in 2004 kwijtschelding van de gemeentebelasting heeft gekregen
is met 23% gestegen tot 52.811 huishoudens.
In 2004 hebben 6986 huishoudens gebruik gemaakt van de Amsterdamse regeling Plusvoorziening 65+.
Het aantal aanmeldingen voor schuldhulpverlening is in 2004 met 8% gestegen. Deze stijging
is lager dan in 2003. Door extra capaciteitsinzet zijn de wachtlijsten voor de schuldhulpverlening teruggelopen van 16,7% in 2003 naar 3,6% in 2004.
In 2004 heeft Amsterdam een aantal maatregelen getroffen om de armoede vooral bij jongeren en
ouderen tegen te gaan. Zo is er voor Amsterdamse minimajongeren een schoolkostenvergoeding (?
250,-), een OV-vergoeding (? 150,-) en de PC-regeling. Voor ouderen (65+) die langer dan drie jaar
van een minimuminkomen leven is er de Plusregeling. Zij krijgen een extra bijdrage van ? 162,- voor
een alleenstaande en ? 231,- voor (on)gehuwd samenwonenden. Ook compenseert de gemeente de
kosten van de gestegen eigen bijdrage voor de aanvullende ziektekostenverzekering, zodat een
goede ziektekostenverzekering ook voor de Amsterdamse minima bereikbaar blijft.
Zie ook: http://www.omarm.amsterdam.nl/Armoede_in_Amsterdam.pdf
In het Stadsdeel gaan plannen op om voedselhulp te organiseren voor gezinnen die het moeilijk hebben. Enkele vrijwilligers hebben aan Stichting Buurtbelangen gevraagd om de organisatie te regelen. Er zal door SBB een stichting worden opgezet. De vrijwilligers hebben een kijkje genomen bij de voedselbank Zuid Oost en gesprekken gevoerd met Voedselbank Amsterdam. Beide werkvormen spraken de vrijwilligers niet aan en zij kiezen dan ook voor een geheel eigen opzet. Diverse politieke partijen in het Stadsdeel hebben al aangegeven het initiatief te willen steunen door structureel geld beschikbaar te maken voor de organisatorische kant. De vrijwilligers zijn: Martha Sijmons, Anita van der Kleij, Ans Schagen, Mehmet Arslan en Fonsa Hoogeveen. De laatste 2 maken deel uit van SBB.
STADSDEEL NOTITIE November 2005
1 Armoede: een oriëntatie
Dit hoofdstuk biedt een oriëntatie op armoede. Wanneer is er sprake van armoede, en hoe kun je armoede bestrijden? Armoede wordt vaak geassocieerd met geld en benaderd als een financieel probleem. Daarom worden diverse financiële aspecten verkend. Hoe zit het met inkomen en uitgaven? Kunnen mensen rondkomen van hun inkomen? Sparen ze of gaan ze schulden aan?
De cijfers over de Amsterdamse situatie zijn afkomstig uit De Staat van de Stad Amsterdam III en de Amsterdamse Armoedemonitor nummer 8.
Benaderingen van armoede
Het begrip ‘armoede’ kent talloze definities. Globaal zijn deze definities in twee categorieën te verdelen: armoede in enge zin en armoede in brede zin.
Armoede in enge zin gaat ervan uit dat alle mensen met een inkomen tot 105% van het wettelijk sociaal minimum arm zijn en alle mensen met een hoger inkomen niet. Deze benadering maakt dat armoede gemakkelijk te meten is en dat de doelgroep van armoedebeleid eenvoudig kan worden afgebakend. Ook het beleid ter bestrijding van armoede is eenvoudig: het hoeft slechts te bestaan uit maatregelen waardoor het inkomen stijgt. Nadelen zijn dat deze benadering niet aan-sluit bij de ervaring van betrokkenen (niet alle mensen met een inkomen onder de armoedegrens voelen zich arm en niet alle mensen met een inkomen boven die grens voelen zich niet-arm) en dat deze niets zegt over het daadwerkelijke budget waarover mensen kunnen beschikken. Dankzij inkomensondersteunende maatregelen is het inkomen in de praktijk immers hoger dan uit de kale inkomensgegevens blijkt (zie ook de bijlage).
Armoede in brede zin stelt een tekortkomen op materieel, sociaal en emotioneel gebied centraal. Niet geld is het criterium, maar kansen. Deze benadering van armoede is niet aan de hoogte van het inkomen gekoppeld. Mensen met een laag inkomen kunnen een opleiding volgen, zich persoonlijk ontwikkelen, vrijwilligerswerk doen of mantelzorg verrichten, gezond eten, kortom alle kansen grijpen die zij krijgen of zelf creëren en volwaardig participeren in de maatschappij. Omgekeerd kunnen mensen met een hoog inkomen ervaren dan zij tekortkomen op materieel gebied omdat hun wensen hun inkomen overstijgen en biedt een hoog inkomen geen garantie op sociaal en emotioneel welzijn. Voordeel is dat deze benadering op meer aspecten let dan alleen geld waardoor in het armoedebeleid kansen en maatschappelijke participatie voorop staan. Nadelen zijn dat armoede op deze wijze moeilijker te meten is en daarmee ook de effecten van beleid.
In Amsterdam zien we beide benaderingen terug in het beleid: naast inkomensondersteunende maatregelen zetten de centrale stad en de stadsdelen zich in voor het bestrijden van achterstanden en het bevorderen van maatschappelijke participatie.
Bestrijding van armoede
‘Het al dan niet hebben van een baan is één van de sterkste indicatoren voor iemands positie in de samenleving en het bijbehorende welzijnsniveau. Daarnaast bevordert deelname aan de arbeidsmarkt andere vormen van participatie. Het bevorderen van de werkgelegenheid is dan ook een van de krachtigste middelen om integratie en participatie van mensen in de samenleving te bevorderen’ (De Staat van de Stad Amsterdam III, p. 65). Mede om deze redenen beschouwt de gemeente Amsterdam werk als de beste vorm van armoedebestrijding.
‘Een goede opleiding verhoogt de kansen op de arbeidsmarkt en dat bevordert de verdere participatie in de samenleving’ (De Staat van de Stad Amsterdam III, p. 49). Onderwijs is daarom een essentieel onderdeel van een goed armoedebeleid.
Voor groepen mensen voor wie werk geen reële optie is, zoals volledig en duurzaam
arbeidsongeschikten en AOW-ers, dienen passende voorzieningen beschikbaar te zijn die erop gericht zijn voor de rechthebbenden een volwaardige deelname aan de maatschappij mogelijk te maken en daarmee sociaal isolement te voorkomen.
Voor huishoudens met een inkomen rond het bestaansminimum treft de gemeente inkomensondersteunende
maatregelen om hun bestedingsruimte te vergroten.
Een volwaardig armoedebeleid bestaat daarom uit een geheel van maatregelen, gericht op:
* Betaald werk.
* Onderwijs.
* Maatschappelijke participatie.
* Inkomen.
Inkomen
‘Eenieder heeft recht op een levensstandaard die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waaronder begrepen voeding, kleding, huisvesting en
geneeskundige verzorging en de noodzakelijke sociale diensten, alsmede het recht op voorzieningen in geval van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, overlijden van de echtgenoot, ouderdom of een ander gemis aan bestaansmiddelen, ontstaan tengevolge van omstandigheden onafhankelijk van zijn wil’ (Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 25).
Het rijk stelt elk jaar de levensstandaard vast waarop burgers minimaal recht hebben. Deze standaard varieert naar de bron van inkomen (uit werk of een uitkering) en naar de huishoudens-situatie. Huishoudens met kinderen kunnen bijvoorbeeld rekenen op vaste toeslagen zoals de kinderbijslag, de fiscale kinderkorting en (vanaf 2006) het gratis meeverzekerd zijn voor ziekte-kosten van kinderen tot 18 jaar.
In standaardsituaties wordt dit minimum geacht hoog genoeg te zijn voor de gezondheid en het welzijn van burgers en hun gezin. Voor niet-standaardsituaties waarin burgers dus hogere kosten hebben dan gemiddeld treft het rijk directe (toeslagen) en indirecte (belastingaftrek) maatregelen. Voorbeelden hiervan zijn huursubsidie, tegemoetkoming in de schoolkosten, belastingaftrek voor buitengewone ziektekosten en (vanaf 2006) de zorgtoeslag.
Gemeenten hebben (binnen wettelijke kaders) de bevoegdheid om inkomensondersteunende maatregelen voor hun bewoners te treffen. De gemeente Amsterdam maakt hiervan gebruik via o.a. bijzondere bijstand, langdurigheidtoeslag, schoolkosten- en pc-regeling en twee aanvullende ziektekostenverzekeringen voor minima (zie ook de bijlage).
Stadsdelen hebben geen bevoegdheid in het treffen van inkomensondersteunende maatregelen op het niveau van individuele huishoudens. Decentralisatie van deze taak naar de stadsdelen zou immers leiden tot een situatie waarin het daadwerkelijke inkomen van burgers per stadsdeel varieert en daarmee tot inkomens- en rechtsongelijkheid voor Amsterdammers.
Dankzij de minimumlevensstandaard die het rijk vaststelt en de inkomensondersteunende
maatregelen van het rijk en de gemeente kunnen Amsterdamse burgers beschikken over een inkomen dat afdoende zou moeten zijn om in de noodzakelijke kosten van bestaan te kunnen voorzien.
Een lager inkomen dan de minimumlevenstandaard plus inkomensondersteunende maatregelen is het gevolg van niet-gebruik van de inkomensondersteunde maatregelen, het niet-voldoen aan de plichten die een uitkering met zich meebrengt waardoor financiële sancties worden opgelegd en/of het aflossen van schulden. Hierbij spelen ook onbekendheid en ingewikkeldheid een (grote) rol. Daarom zijn informatie, advies en preventie van belang.
Uitgaven
Elke burger die niet onder bewind of curatele is gesteld en die geen gebruik maakt van
schuldhulpverlening kan in beginsel zelf beschikken over zijn uitgaven. Hoevéél mensen uitgeven, ook als ze van te voren al weten dat zij de aangegane verplichtingen nooit kunnen nakomen, staat hen vrij. En waaráán mensen hun inkomen besteden, dus wat zij prioriteit geven, mogen zij ook zelf bepalen.
Zolang de consequenties van het bestedingspatroon alleen de veroorzaker en eventueel zijn volwassen partner raken en er geen sprake is van psychiatrische of ernstige en langdurige
psychosociale problematiek, heeft de overheid geen reden tot ingrijpen. Wel heeft de overheid de taak in deze gevallen schuldhulpverlening aan te bieden. Maar zodra er kinderen in het spel zijn die serieus in hun bestaan worden bedreigd, is het een andere zaak. In die gevallen dienen ouders via de weg van verleiding en, als dat niet lukt, via drang en eventueel dwang weer in staat te worden gesteld de zorg voor hun kinderen op zich te nemen.
Rondkomen
Het aantal mensen dat moeite heeft met rondkomen van hun huishoudinkomen stijgt. In 2004 kon 45% van de Amsterdammers ‘eerder moeilijk’ tot ‘zeer moeilijk’ rondkomen tegen 37% in 2002. Het aantal mensen dat moeite heeft met rondkomen neemt af naarmate het inkomen stijgt. Toch zegt 17% van de mensen met een huishoudinkomen boven de € 3.200 per maand moeite te hebben met rondkomen, terwijl 24% van de mensen met een inkomen onder de € 700 per maand aangeeft geen moeite met rondkomen te hebben. Of mensen wel of niet kunnen rondkomen van hun huishoudinkomen hangt dus niet alleen af van de hoogte van het inkomen, maar ook van de uitgaven die men moet en wenst te doen.
Sparen
Van alle minimahuishoudens in Amsterdam heeft 84% een positief banksaldo. Van hen heeft 65% een spaartegoed tot € 2.269, 9% een spaartegoed tussen € 2.270 en € 9.639 en 10% een spaartegoed van € 9.640 of meer. De groep met het laagste spaartegoed is ten opzichte van 2003 met 7% gestegen ten koste van de huishoudens met hogere vermogens.
Een spaartegoed tot € 2.269 komt het vaakst (69%) voor onder eenoudergezinnen. Een spaar-tegoed van tussen € 2.270 en € 9.639 treffen we vooral aan onder alleenstaanden (12%).
Een spaartegoed van boven de € 9.640 komt met name voor onder meerpersoonshuishoudens zonder kinderen (16%) en meerpersoonshuishoudens met kinderen (12%).
Schulden
Van alle minimahuishoudens in Amsterdam heeft 16% schulden. Schulden ontstaan wanneer mensen geld lenen om uitgaven te doen. Het hebben van schulden is op zich geen probleem. Het merendeel van de bezitters van een koopwoning bijvoorbeeld heeft de aanschaf daarvan via een lening (een hypotheek) gefinancierd en lost deze over een termijn van 30 jaar af. En het lenen van geld voor het volgen van een opleiding is nog altijd een goede investering in de toekomst. Schulden worden pas een probleem als ze niet langer afbetaald kunnen worden en leiden tot een regelrechte crisissituatie als huisuitzetting, afsluiting van energie, boedelverkoop of beëindiging van de ziektekostenverzekering dreigt.
Het aantal mensen dat zich aanmeldt voor schuldhulpverlening is de laatste jaren flink gestegen terwijl het aantal crisiszaken relatief is gedaald. Aanmelding bij de schuldhulpverlening betekent niet dat mensen bereid zijn hun problematische schulden aan te pakken. Wil de hulpverlening tot resultaat leiden dan moet de cliënt o.a. bereid zijn geen nieuwe schulden te maken, vaste lasten op tijd te betalen, maximaal af te lossen, zich te houden aan afspraken en in principe bereid zijn de auto te verkopen. Houden mensen zich niet aan de voorwaarden, dan is het niet mogelijk de schulden te saneren en heeft een schuldhulpverleningstraject geen zin.
Van elke 100 Amsterdamse aanmelders vallen er 73 na een eerste gesprek af vanwege demotivatie als ze ontdekken wat zij allemaal moeten doen en laten om van hun schulden af te komen, en vanwege weerstand om het uitgavenpatroon te veranderen. Van de 27 aanmelders die
doorstromen naar een schuldhulpverleningstraject gaan 20 mensen naar een minnelijk en 7 mensen naar een wettelijk traject. Van de 20 minnelijke trajecten (vrijwillig maar wel met bindende afspraken) worden uiteindelijk 4 trajecten succesvol afgesloten, van de 7 wettelijke trajecten 4,5 trajecten. Succesvolle afsluiting betekent overigens niet dat de schulden zijn verdwenen; na afsluiting van het traject tot een schuldregeling moet de aanmelder gemiddeld drie jaar aflossen om kwijtschelding van de restschuld te krijgen. Van degenen die een wettelijk traject volgen slaagt landelijk 65 tot 70% erin schuldenvrij te zijn na drie jaar. Van de degenen die een minnelijk traject volgen zijn geen cijfers bekend.
Van de circa 70% van de cliënten die een minnelijk of wettelijk traject ingaan maar dit traject voortijdig beëindigen, meldt ongeveer 25% zich na enkele maanden opnieuw aan met dikwijls nog grotere schulden. Om het afbreken van een schuldhulpverleningstraject minder vrijblijvend te maken en meer voorrang te geven aan mensen die werkelijk gemotiveerd zijn om het hulp-verleningstraject succesvol te doorlopen, is in 2005 een stedelijk sanctiebeleid ingevoerd. Kern daarvan is dat naast het recht op hulpverlening ook plichten zijn ingevoerd. Globaal gesteld worden mensen die zich binnen een bepaalde termijn opnieuw aanmelden alleen tot de schuld-hulpverlening toegelaten als zij akkoord gaan met inkomensbeheer en een budgetcursus volgen.
Het moeten aflossen van schulden is een belangrijke oorzaak van een langdurig inkomen onder het niveau van het wettelijk sociaal minimum. Preventie van problematische schulden is daarom voor armoedebestrijding van belang. Hiervoor is een wijziging in het uitgavenpatroon nodig die zelfs voor het merendeel van de mensen met problematische schulden dermate onaantrekkelijk is dat zij hun schulden liever laten oplopen dan aanpakken. Van een preventief schuldenbeleid mag daarom niet al te veel effect worden verwacht.
Samenvatting
Armoede kan worden benaderd als een financieel probleem en als een tekort aan kansen. In de Amsterdamse aanpak komen beide benaderingen samen. Het armoedebeleid omvat een integrale aanpak op het gebied van werk, onderwijs, maatschappelijke participatie en inkomen.
Amsterdamse burgers kunnen dankzij de minimumlevensstandaard en inkomensondersteunende maatregelen beschikken over een inkomen dat afdoende is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. Een inkomen op een lager niveau ontstaat door niet-gebruik van inkomensondersteunde maatregelen, het niet-voldoen aan de plichten die aan een uitkering zijn verbonden en/of aflossing van schulden.
Het kunnen rondkomen van het inkomen, sparen en geen problematische schulden aangaan hangt niet lineair samen met de hoogte van het inkomen. Maar dat deze zaken gemakkelijker zijn naarmate het inkomen hoger is, staat buiten kijf.
2 Armoede: de situatie in ons stadsdeel
In dit hoofdstuk staat de situatie in ons stadsdeel centraal. De beschrijving van die situatie sluit aan op de aanpak van armoede en omvat werk, onderwijs, maatschappelijke participatie en inkomen. De informatie is afkomstig uit de Amsterdamse Armoedemonitor nummer 8 en De Staat van de Stad Amsterdam III. Omdat deze verschillende bronnen hanteren treden soms lichte afwijkingen in de cijfers op.
Werk
Ruim 67% van de Amsterdammers van 15 tot 65 jaar heeft een inkomen uit werk. Begin 2005 staat 9,6% van de bevolking tussen 15 en 65 jaar als niet werkende werkzoekende ingeschreven bij het Centrum voor Werk en Inkomen. In ons stadsdeel is de werkloosheid onder de inwoners met 13,8% fors hoger dan het Amsterdamse gemiddelde en het hoogste van de hele stad. Sinds 2001 is de werkloosheid onder inwoners van ons stadsdeel bovendien met 1,8% gestegen terwijl de werkloosheid in acht van de veertien stadsdelen juist daalde.
De werkloosheid onder autochtonen is over het algemeen lager dan onder allochtonen. De laatste twee jaar is de werkloosheid onder Nederlanders echter het sterkst toegenomen en onder alle allochtone groepen juist iets gedaald, deels door afname van de werkloosheid onder allochtone jongeren. Het verschil in werkloosheid tussen allochtonen en autochtonen is de afgelopen vier jaar meer dan gehalveerd. In 2001 was 14% van de allochtonen en 8% van de autochtonen werk-loos, tegen respectievelijk 11% en 9% in 2005.
Het aantal Amsterdammers dat beschikbaar is voor betaald werk daalt ofschoon de potentiële beroepsbevolking (= alle inwoners van 15 tot 65 jaar) is toegenomen. Dit komt deels door de demotiverende werking van de economische recessie en door demografische verschuivingen. Ook de toename van het aantal niet-geïndustrialiseerde allochtonen leidt tot een daling van de arbeidsparticipatie, voornamelijk door het grote aantal jongeren en laag opgeleiden die minder participeren op de arbeidsmarkt. De arbeidsparticipatie is het laagst onder Amsterdammers met een Turkse (53%) en Marokkaanse (46%) achtergrond.
Het aantal arbeidplaatsen in ons stadsdeel is samen met dat van De Baarsjes het laagste van de hele stad en neemt bovendien sinds 2001 licht af. Ons stadsdeel kent circa 6.500 arbeidsplaatsen.
Onderwijs
Het opleidingsniveau is van invloed op de arbeidsparticipatie. Mensen met een hoge opleiding zijn vaker 12 uur per week of meer beschikbaar om te werken en horen dus vaker bij de beroeps-bevolking dan mensen met een lage opleiding. Met name vrouwen met alleen lagere school gaan vaak niet de arbeidsmarkt op, maar ook onder laagopgeleide mannen is de arbeidsparticipatie lager dan bij de andere opleidingsniveaus.
Het opleidingsniveau van de beroepsbevolking is in ons stadsdeel het laagste van Amsterdam. Het aandeel hoogopgeleiden in de leeftijdscategorie van 15 tot 64 jaar is in ons stadsdeel 14% en het aandeel laagopgeleiden 60%.
Het opleidingsniveau is tevens van invloed op de werkloosheid. Onder laagopgeleiden komen relatief veel meer werklozen voor dan onder hoogopgeleiden. De laatste jaren vertoonde de arbeidsmarkt een ander patroon. Omdat vooral banen in de zakelijke dienstverlening en het onderwijs verloren gingen, is sinds 2001 de werkloosheid onder hoogopgeleiden met 19% toegenomen terwijl het aantal werkzoekenden met alleen basisschool juist een kwart afnam.
Voor het toekomstperspectief van jongeren is een schoolcarrière die resulteert in minimaal een startkwalificatie (= minimaal een diploma van HAVO, VWO of MBO-niveau 2) essentieel. De resultaten van onderzoek naar het Amsterdamse onderwijs stemmen weinig vrolijk.
Het VMBO in Amsterdam is in elk studiejaar relatief minder succesvol in vergelijking met Neder-land. In Amsterdam verlaat 62% de school met een diploma tegen landelijk 74%. Het aandeel voortijdig schoolverlaters bedraagt in Amsterdam 16% tegen 10% in Nederland.
Ook de voortgangsresultaten van HAVO/VWO tonen dat Amsterdam in alle studiejaren achter-blijft bij Nederland, variërend van 2% tot 7% minder succesvol, en het zelfs nog slechter doet dan het VMBO. Na vier jaar is 57% van de leerlingen die vanaf de 1e klas worden gevolgd nog succesvol (landelijk 67%) en heeft ruim 17% (landelijk 12%) de school verlaten.
Maatschappelijke participatie
Actieve deelname aan de samenleving gaat vaak samen met maatschappelijke betrokkenheid en levert sociale contacten op. Mensen die niet of nauwelijks betrokken zijn bij dit soort activiteiten lopen het risico op sociaal isolement.
De mate waarin men deel uitmaakt van een sociaal netwerk hangt vaak samen met de sociaal-economische positie van de betrokkene. Het al dan niet hebben van werk blijkt een bepalende factor te zijn. Werkenden ervaren relatief weinig sociaal isolement en draaien gemiddeld mee in het sociale circuit. Hiermee samenhangend participeren laag- en ongeschoolden veel minder dan mensen met een middelbare of hogere opleiding.
Autochtone Amsterdammers zijn actiever in het verenigingsleven en vrijwilligerswerk terwijl allochtone Amsterdammers vaker deel uitmaken van een geloofsgemeenschap. Qua deelname aan het verenigingsleven, het verrichten van vrijwilligerswerk en het bieden van informele hulp scoort ons stadsdeel rond het Amsterdamse gemiddelde. Toch voelt een recordaantal bewoners van ons stadsdeel zich sociaal geïsoleerd: 1 op de 5 bewoners van ons stadsdeel ervaart sociaal isolement.
Naast werk en opleiding spelen leeftijd en het al dan niet hebben van een partner een rol. Met name 75-plussers (stedelijk 27%) en ouders zonder partner voelen zich geïsoleerd.
Inkomen
Het gemiddeld besteedbaar inkomen is in ons stadsdeel samen met dat in Bos en Lommer, Westerpark en De Baarsjes het laagste van Amsterdam. In 2004 nam het aantal minima in ons stadsdeel met 11% toe als gevolg van een relatief hoog aantal geboortes van minimakinderen en toestroom van minima uit andere stadsdelen. Tegelijkertijd was het vertrek naar andere stadsdelen juist laag. De uitstroompercentages door inkomensverbetering, verhuizing en overlijden behoren in ons stadsdeel tot de laagste van de stad. In 2004 hadden 4.763 huishoudens ofwel 24% van het totale aantal huishoudens in ons stadsdeel een inkomen op het minimumniveau.
Lage inkomens komen vooral voor onder groepen met een lage opleiding, een hoge leeftijd en een allochtone herkomst en onder eenoudergezinnen.
Van de mensen met een inkomen van meer dan € 2.050 netto per maand is 47% hoog opgeleid tegen 15% van de mensen met een inkomen onder de € 2.050 netto per maand.
Met de stijging van de leeftijd daalt het inkomen. Van de huishoudens waarvan het oudste lid ouder is dan 65 behoort 26% tot de minima; 90% van hen leeft al langer dan drie jaar op het minimumniveau. Van de huishoudens waarvan het oudste lid tussen de 18 en 65 jaar is, heeft 17% een inkomen tot 105% van het wettelijk sociaal minimum.
Mensen met een allochtone achtergrond vormen 49% van de Amsterdamse bevolking en 60% van de mensen met een minimuminkomen. 36,5% van de Marokkaanse huishoudens, 32% van de Turkse huishoudens, 31% van de Surinaamse huishoudens en 30% van de Antilliaanse/-Arubaanse huishoudens leeft op het minimum terwijl het Amsterdamse gemiddelde 18,5% is.
Het verschil naar generatie is groot: van de eerste generatie allochtonen heeft 19% een inkomen van € 2.050 netto per maand of meer, van de tweede generatie is dat met 33% bijna net zoveel als onder autochtonen.
Qua huishoudtypen vallen de eenoudergezinnen op; 40% van hen heeft een minimuminkomen tegen 19% van de alleenstaanden, 17% van de gezinnen met kinderen en 10% van de meer-persoonshuishoudens zonder kinderen.
Van de Amsterdamse jongeren tot 18 jaar groeit 29% op in een minimumhuishouden. Van hen is 28% van Marokkaanse afkomst, en hun aantal en aandeel is stijgende. Het aandeel onder de minimajongeren met een Surinaamse, Antilliaanse en Nederlandse achtergrond is de laatste twee jaar gedaald.
Anno 2004 groeit 46% van alle Marokkaanse jongeren op in een minimumhuishouden, 43% van de Antilliaanse/Arubaanse jongeren, 38% van de Turkse jongeren, 36% van de Surinaamse jongeren en 32% van de ‘overige buitenlandse jongeren’. Onder Nederlandse jongeren ligt dit percentage op 13%.
Samenvatting
Qua werk scoort ons stadsdeel ronduit slecht. Ons stadsdeel kent de hoogste werkloosheid van Amsterdam die sinds 2001 ook nog met bijna 2% gestegen is. Tegelijkertijd telt ons stadsdeel samen met De Baarsjes het laagste aantal arbeidplaatsen, een aantal dat de laatste jaren ook nog enigszins is gedaald.
Op het gebied van opleiding is het beeld niet rooskleuriger: het opleidingsniveau van de beroeps-bevolking in ons stadsdeel is het laagste van Amsterdam. Slechts 14% van de bewoners in de leeftijdsgroep van 15 tot 65 jaar is hoogopgeleid terwijl 60% van hen laagopgeleid is.
Op het gebied van maatschappelijke participatie via deelname aan het verenigingsleven, het verrichten van vrijwilligerswerk en het bieden van informele hulp scoort ons stadsdeel rond het Amsterdamse gemiddelde. Mede samenhangend met o.a. de geringe arbeidsparticipatie en het lage opleidingsniveau voelt een recordaantal bewoners van ons stadsdeel zich sociaal geïsoleerd: 1 op de 5 bewoners voelt zich buitengesloten.
Het gemiddeld besteedbaar inkomen van de bewoners in ons stadsdeel is samen met dat in Bos en Lommer, Westerpark en De Baarsjes het laagste van Amsterdam. Het aantal minima in ons stadsdeel nam in 2004 toe met 11%. Daarmee heeft 24% van het totale aantal huishoudens in ons stadsdeel een inkomen op het minimumniveau.
3 Armoede: het beleid en de stadsdeelmaatregelen
Dit hoofdstuk bevat een beknopte beschrijving van het Amsterdamse beleid ter bestrijding van armoede en een gespecificeerd overzicht van de maatregelen die het stadsdeel treft.
Het Amsterdamse armoedebeleid is een coproductie van de centrale stad en de stadsdelen. Deze notitie is geen uitputtende beschrijving per pijler en per partij van het beleid en alle beleidsdoelen. Het accent ligt op de kern van het beleid, en het overzicht van maatregelen is vanwege de aard van deze notitie beperkt tot de maatregelen die het stadsdeel treft.
Beleid
Het armoedebeleid kent vier pijlers: werk, onderwijs, maatschappelijke participatie en inkomen. Op al deze terreinen werken de centrale stad en de stadsdelen samen. De volgorde van de pijlers is niet willekeurig gekozen.
Werk is het belangrijkste middel ter voorkoming en bestrijding van armoede. Gunstig neveneffect van werk is dat het de integratie en participatie van mensen in de samenleving bevordert en een uiterst positief effect heeft op het welzijnsniveau van burgers. Voorop staat daarom dat wie kan werken, moet werken en via werk in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin moet voorzien. Elke uitkeringsgerechtigde tot 65 jaar krijgt een arbeidsplicht opgelegd en dient alles in het werk te stellen om een betaalde baan te verkrijgen en te behouden. Wie deze plicht niet nakomt, wordt in zijn recht beperkt door een tijdelijke verlaging of door het (tijdelijke of definitieve) verlies van zijn recht op uitkering. Uitsluitend in het geval van dringende redenen kan in individuele gevallen tijdelijke ontheffing van deze plicht worden opgelegd. Naast de aanbodzijde richt het beleid zich ook op de vraagzijde van werk. Vergroting van het aantal arbeidsplaatsen is hiervan het centrale doel.
Onderwijs vergroot de kansen op een (goed betaalde) baan. Voor jongeren is het beleid vooral gericht op het minimaal behalen van een startkwalificatie waarmee zij de arbeidsmarkt kunnen betreden. Het volwassenenonderwijs is vooral arbeidsmarktgericht en omvat trajecten ter vergroting van de sociale zelfredzaamheid (o.a. Nederlandse taal, maatschappij- en beroepen-oriëntatie), ter verbetering van de positie op de arbeidsmarkt en ter voorbereiding op een HBO- of universitaire opleiding.
Maatschappelijke participatie is essentieel om te voorkómen dat bepaalde groepen structureel buiten de maatschappij komen te staan. Dit beleid is vooral gericht op mensen voor wie werk geen reële optie is en op mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Het beleid tot maatschap-pelijke participatie omvat een passend aanbod van voorzieningen voor uiteenlopende groepen en daarom een breed scala aan concrete maatregelen.
Inkomen vorm het vangnet van het armoedebeleid. Het inkomensbeleid draagt bij aan de doelen van de voorgaande drie pijlers door ook mensen met een minimuminkomen financieel in staat te stellen tot werk, onderwijs en maatschappelijke participatie. Inkomensbeleid is per definitie het slotstuk van het armoedebeleid en uitsluitend nodig daar waar het beleid op de eerste drie pijlers (nog) onvoldoende effect sorteert.
De prioriteiten in het armoedebeleid liggen dus bij het realiseren van structurele effecten.
Armoedebeleid is in de Amsterdamse situatie geen keuze maar een noodzakelijkheid. Falen van het armoedebeleid is geen optie. Voorkomen moet worden dat er concentratiegebieden van kansenarmoede en uitzichtloosheid ontstaan en dat er een generatie kinderen opgroeit voor wie een opleiding en werk niet vanzelfsprekend zijn en voor wie uitkeringsafhankelijkheid het meest logische toekomstperspectief is.
Stadsdeelmaatregelen
De uitgangspositie waarin het stadsdeel thans verkeert is, zoals uit de verkenning van de huidige situatie in het stadsdeel blijkt, verre van rooskleurig. De lage arbeidsparticipatie, de hoge
werkloosheid, het geringe aantal arbeidsplaatsen, het lage opleidingsniveau van de beroepsbevolking, het hoge aandeel burgers dat zich maatschappelijk buitengesloten voelt en het lage gemiddeld besteedbaar inkomen maken een intensieve en samenhangende aanpak noodzakelijk.
Om die aanpak succesvol te doen zijn, is eenheid van beleid tussen de centrale stad en het
stadsdeel en een intensieve gezamenlijke inzet vereist. Alle partijen dienen consequent uitvoering te geven aan het vastgestelde beleid en zich te onthouden van acties die het effect ervan kunnen ondergraven. Het stadsdeel focust zich daarbij op haar eigen taken en verantwoordelijkheden en zet zo min mogelijk energie en geld in voor zaken die tot de taken en verantwoordelijkheden van derden behoren. Op deze principes zijn de maatregelen die het stadsdeel treft, gebaseerd.
De stadsdeelmaatregelen anno 2005 worden hieronder per pijler beschreven. Maatregelen die bijdragen aan het doelbereik van meerdere pijlers staan opgenomen bij die pijler waarvoor ze primair zijn ontwikkeld. De resultaten betreffen het jaar 2004 tenzij anders vermeld.
Pijler 1 Werk
Kerndoel: Wie kan werken, gaat werken.
Subdoelen: Meer bewoners aan het werk als werknemer of zelfstandige.
Meer arbeidsplaatsen in het stadsdeel.
Maatregelen:
1. Serviceteam
Doel: Toeleiding richting werk.
Inhoud: Uitvoering van verschillende trajecten (op verschillend niveau) op het gebied van groenonderhoud, klussen en toezicht. De trajecten omvatten een werkweek van 32 uur en duren 6 tot 9 maanden.
Partner(s): Implacement, Maatwerk, verschillende sportparken, Sloterparkbad.
Resultaat: 40 beroepsgerichte trajecten toezichtsector, 40 oriëntatie- & disciplineringtrajecten (klussen en groenvoorziening).
Kosten: € 109.650.
Pijler 2 Onderwijs
Kerndoel: Verhoging van het opleidingsniveau van de beroepsbevolking.
Subdoelen: Jongeren verlaten het onderwijs met minimaal een startkwalificatie.
Volwassenen vergroten hun geschiktheid voor de arbeidsmarkt.
Maatregelen:
2. Leerplicht
Doel: Jongeren gaan (langer) naar school waardoor de kans op het behalen van een
startkwalificatie en daarmee de kans op werk wordt vergroot.
Inhoud: Strikt handhaven van de leerplichtwet, en deelname aan de zorgteams op alle scholen voor het basis- en voortgezet onderwijs om eerder op de hoogte te zijn van de zorgen (waaronder verzuim) rondom een leerling en zo mogelijk ouders of verzorgers eerder aan te spreken op het verzuim.
Partner(s): Scholen, zorginstellingen, rechtbank etc.
Resultaat: zie verslag Leerplicht 2004.
Kosten: p.m. (regulier personeelsbudget).
3. Voor- en Vroegschoolse educatie
Doel: Bestrijden van onderwijsachterstanden van peuters en kleuters.
Inhoud: Kinderen in de leeftijd van 3 jaar (Voorschool) en 3,5 jaar (Vroegschool) volgen een programma voor het bevorderen van hun taal-, motorische, sociale en emotionele ontwikkeling. De kinderen worden zelfstandiger en wennen aan het naar school gaan.
Partner(s): Impuls, scholen en peuterspeelzalen.
Resultaat: Vijf Voorscholen met in totaal 14 peutergroepen en 28 kleutergroepen, en een bereik van 201 doelgroeppeuters en 451 doelgroepkleuters.
Twee Vroegscholen met in totaal 2 groepen en een bereik van 30 doelgroep-kinderen.
Kosten: Voorschool: € 1.249.227.
Vroegschool: € 48.750.
4. Themataalaanbod
Doel: Bestrijden van onderwijsachterstanden van peuters en kleuters door hun moeders te betrekken bij de kindontwikkeling en bij school.
Inhoud: Voorlichtingsprogramma met taalcomponent dat ín de school wordt uitgevoerd. Daarnaast moeten de moeders bij toerbeurt meedraaien in de peutergroep en hun kind zelf halen en brengen. Voor het begin van de ‘klas’ kunnen ze koffie- of thee-drinken en met het kind een activiteitje uitvoeren (spelletje, even kijken wat het kind gedaan heeft, boekje inkijken etc.). Themataal is verplicht voor moeders met een kind in de Voor- of Vroegschool.
Partner(s): Impuls, scholen en peuterspeelzalen.
Resultaat: Bereik van 202 vrouwen.
Kosten: € 178.695.
5. Preventieve logopedie
Doel: Tijdig herkennen van problemen met de spraak- en taalontwikkeling zodat passende begeleiding kan worden geboden.
Inhoud: Deskundigheidsbevordering van leerkrachten in het tijdige onderkennen van problemen met de spraak- en taalontwikkeling en in de klassikale aanpak hiervan. Voorlichting geven aan ouders en het screenen van kinderen zodat deze indien nodig kunnen worden doorverwezen, en bijdragen aan de ontwikkeling van het taalbeleid in de school.
Partner(s): GGD en scholen.
Resultaat: -
Kosten: € 158.040.
6. Schoolmaatschappelijk werk (zorgstructuur om scholen)
Doel: Analyse van het probleemgedrag van de leerling: wat is er aan de hand en welke factoren zijn van invloed op het functioneren van de leerling en de ouders. Welke hulp is noodzakelijk.
Het hulpverlening-ontvankelijk maken van ouders.
Het op laagdrempelige wijze hulp bieden aan ouders t.a.v. problemen in de thuis- en opvoedingssituatie en het zonodig en indien mogelijk begeleiden van ouders bij doorverwijzingen naar hulpverlenende instanties.
Het adviezen geven aan intern begeleiders en leerkrachten op consultatieve basis m.b.t. hoe om te gaan met het (probleem)gedrag van de leerlingen en/of hun ouders en hen handelingsbekwamer te maken door handvatten te bieden hoe te handelen in problematische situaties.
Het bieden van ondersteuning aan de school als probleemeigenaar bij het initiëren en coördineren van zorgbreedteoverleggen.
Inhoud: Gesprekken met ouders en kind, leerkracht en IB-er.
Ondersteunen van ouders bij het zoeken naar en aanmelden bij hulpverlenings-instellingen.
Bemiddelen tussen ouders en school.
Verwijzen naar lokale hulpvoorzieningen en Bureau Jeugdzorg.
Het samen met de intern begeleider van de school inhoudelijk voorbereiden en initiëren van zorgbreedteoverleggen.
Het deelnemen aan zorgbreedteoverleggen.
Partner(s): Altra.
Resultaat: Circa 780 oudergesprekken met ouders van 142 leerlingen.
Kosten: € 119.655.
7. Testbudget
Doel: Bepalen wat de juiste vorm van onderwijs is voor leerlingen afkomstig uit het buitenland.
Inhoud: Testen van leerlingen afkomstig uit het buitenland van wie niet duidelijk is welke vorm van onderwijs geschikt is.
Partner(s): ABC en scholen.
Resultaat: Eén leerling is getest.
Kosten: € 10.000.
8. Roefeldagen
Doel: Leerlingen van groep 7 en 8 nemen kennis van wat voor beroepen en bedrijven er zijn, wat er in bedrijven gebeurt en wat voor vaardigheden in diverse beroepen noodzakelijk zijn.
Inhoud: Snuffelstages bieden door mee te doen aan een roefeldag, dat houdt in dat de kinderen ons stadsdeelkantoor bezoeken tijdens een normale werkdag.
Partner(s): Campus Nieuw West en scholen.
Resultaat: Eén roefeldag.
Kosten: p.m. [regulier personeelsbudget].
9. Trajectbegeleiding nieuwkomers
Doel: Deelname aan inburgeringscursussen bevorderen.
Inhoud: Alle nieuwkomers binnen het stadsdeel komen op gesprek en krijgen informatie en hulp.
Partner(s): SEZO.
Resultaat: 152 nieuwkomers zijn begeleid.
Kosten: € 160.000.
10. Oudkomers
Doel: Deelname aan inburgeringcursussen bevorderen.
Inhoud: Werving en selectie van deelnemers, inkoop van professionele taallessen in de buurt, begeleiding tijdens taalles en na afloop doorgeleiding naar taalles bij het ROC.
Partner(s): SEZO (werving, selectie, trajectbegeleiding), Instituut Oranje, NCB BV.
Resultaat: 285 deelnemers.
Kosten: € 573.500.
11. Computerwijk (voorheen Dubbelklik)
Doel: Activeren van inwoners door het aanleren van basisvaardigheden op de computer en het stimuleren van vrijwilligerswerk (‘docentencursussen’).
Inhoud: Het organiseren van computercursussen en computerdocentcursussen bij zelforganisaties.
Partner(s): Stichting Eigenwijks, stadsdeel Osdorp, stadsdeel Slotervaart, Microsoft, verschillende zelforganisaties.
Resultaat: Computerbasiscursus 227 deelnemers, computerdocentcursus 15 deelnemers.
Kosten: € 57.633.
Pijler 3 Maatschappelijke participatie
Kerndoel: Iedereen doet mee aan de samenleving.
Subdoelen: Bewoners met afstand tot de arbeidsmarkt activeren tot werk.
Bewoners die nog niet of niet meer kunnen werken zijn maatschappelijk actief.
Maatregelen:
12. Schatkamer
Doel: Vergroten en versterken van de ontwikkelingskansen van kinderen om kinderen met achterstanden meer mogelijkheden te geven tot participatie in de huidige maatschappij.
Inhoud: Elk schooljaar vinden er twee periodes van acht weken met acht activiteiten per school op vijf basisscholen plaats.
Partner(s): Basisscholen en uitvoerders zoals freelancers, Circus Elleboog, Puur Natuur, Sportbuurtwerk etc.
Resultaat: 77 activiteiten waaraan ruim 1.200 leerlingen hebben deelgenomen.
Kosten: € 198.000.
13. Sterproject
Doel: Kinderen kunnen aan spelmateriaal komen zonder dat ouders daarvoor hoeven te betalen.
Inhoud: Kinderen kunnen sterren verdienen door klussen etc. te doen om vervolgens naar gelang het aantal sterren materiaal (rollerskates, ballen, tennisrekken etc.) te lenen dat ze ook mee naar huis mogen nemen.
Partner(s): Sportbuurtwerk, St. Dock
Resultaat: Conform inhoud
Kosten: € 80.000.
14. Zoneparcs
Doel: Toename van sociale integratie van kinderen in een achterstandssituatie, toename van participatie van meisjes in bewegen en sporten, toename van fysieke activiteiten, afname van pesten op school en grotere toegankelijkheid van het schoolplein voor de buurt ná schooltijd.
Inhoud: Activiteiten onder schooltijd en tussen de middag (en in de toekomst ook na schooltijd) gestimuleerd door getrainde Zoneparc Coaches (overblijfkrachten) en Zoneparc Helden (leerlingen uit groep 8) op een schoolplein dat is ingericht in drie zones, en wel een Multi Activiteiten zone, een Chill-out zone en een Sport zone.
Partner(s): Scholen, Zoneparc Foundation Nederland etc.
Resultaat: Nog geen, is op 5 oktober 2005 gestart.
Kosten: € 150.000.
15. Nieuwe Kansen Nieuw West
Doel: Activering van bewoners om deel te nemen aan de maatschappij.
Inhoud: Ondersteunen, organiseren van een aanbod van laagdrempelige activiteiten buiten de deur; het aansluiten van dit aanbod op de vraag van Dienst Werk en Inkomen in het kader van activering van uitkeringsgerechtigden.
Partner(s): Stadsdeel Slotervaart, stadsdeel Osdorp, Dienst Werk en Inkomen, zelforganisaties, SENS, verschillende welzijnsorganisaties.
Resultaat: Conversatieles 24 deelnemers, cursus nisa-fit 12 deelnemers, empowermentcursus 9 deelnemers, cursus sociale activering 21 deelnemers.
Kosten: € 45.000.
16. Vrijwilligersbeleid
Doel: Bevordering van vrijwilligerswerk en ondersteuning van vrijwilligersorganisaties.
Inhoud: Ondersteuning en waardering van vrijwilligers(initiatieven). Continuering van een dependance van de Vrijwilligerscentrale in Nieuw-West om vrijwilligers te bemiddelen, informatie te geven, vrijwilligersplekken te acquireren en vrijwilligersorganisaties te ondersteunen.
Partner(s): Stadsdeel Slotervaart, stadsdeel Osdorp, Vrijwilligerscentrale Amsterdam.
Resultaat: Streefcijfers 2005: 63 bemiddelingen richting vrijwilligerswerk, acquisitie 37 nieuwe vrijwilligersplekken, acquisitie 6 ‘nieuwe’ vrijwilligersorganisaties, 14 organisatie-adviezen en 5 cursussen.
Kosten: € 33.000.
17. Sportcentrum Nieuwe Stijl
Doel: Meer allochtone vrouwen en in de toekomst ook allochtone mannen met een sociale achterstand gaan meer bewegen en komen uit een sociaal isolement.
Inhoud: Nieuwe sportactiviteiten voor een lage prijs aan ‘nieuwe’ doelgroepen van allochtone volwassenen onder wie een enorme vraag is om meer te gaan bewegen maar waarop door organisaties amper tot niet werd ingesprongen.
Partner(s): Nike, Rabobank, Woningbouwvereniging Het Oosten
Resultaat: conform inhoud
Kosten: € 350.000 (voor 3 jaar).
18. Sportbuurtwerk
Doel: Door middel van sportactiviteiten jongeren, volwassenen en ouderen met elkaar in contact brengen.
Inhoud: Organiseren van bewegings- en sportlessen.
Partner(s): -
Resultaat: Bereik van 500 – 1.000 bewoners per jaar.
Kosten: € 90.000.
19. Start to run
Doel: Vrouwen en vanaf november 2005 ook mannen in beweging krijgen om gezondheids- en sociale redenen (uit een isolement halen).
Inhoud: Bieden van cursussen looptraining.
Partner(s): Nike (financieel en initiatief), stichting Start to run en welzijnsorganisaties zoals De Hippe Heks en Impuls.
Resultaat: Gestart in voorjaar 2005 met 30 deelnemers. In november 2005 start een tweede cursus voor dames en heren.
Kosten: p.m. (regulier personeelsbudget).
20. Fietscursussen voor migrantenvrouwen
Doel: Vrouwen in beweging krijgen om gezondheids- en sociale redenen (uit een isolement halen).
Inhoud: Organiseren van fietslessen in cursusvorm.
Partner(s): Welzijnsorganisaties zoals De Hippe Heks en Impuls.
Resultaat: Gestart in 2005, momenteel twee cursussen met 15 deelnemers per cursus.
Kosten: € 4.500.
21. Sociaal-cultureel werk
Doel: Empowerment van jongeren, volwassenen en ouderen en sociale cohesie.
Ihoud: Aanbod van activiteiten op het gebied van beweging/dans, vorming/educatie, cultureel/creatief, recreatie en incidentele activiteiten waaraan bewoners gratis of tegen zeer lage kosten kunnen deelnemen.
Partner(s): Impuls
Resultaat: In Pluspunt 616 deelnemers aan beweging/dans, 70 deelnemers aan vorming/-educatie, 285 deelnemers aan cultureel/recreatief, 564 uren recreatie en 1.380 bezoekers van incidentele activiteiten.
In BC Slotermeer 282 deelnemers aan beweging/dans, 121 deelnemers aan vorming/educatie, 0 deelnemers aan cultureel/recreatief, 642 uren recreatie en 30 bezoekers van incidentele activiteiten.
Kosten: € 728.700.
22. Activiteiten voor volwassenen en ouderen
Doel: Empowerment van volwassenen en ouderen en het bijdragen aan sociale cohesie.
Inhoud: Educatieve en recreatieve activiteiten voor volwassenen en ouderen van diverse etnische herkomst.
Partner(s): Stichting De Brug.
Resultaat: 10.263 deelnemers.
Kosten: € 36.642.
23. Maatschappelijke participatie bij zelforganisaties
Doel: Activering van bewoners om deel te nemen aan de maatschappij.
Inhoud: Subsidiëren van activiteiten georganiseerd door vrijwilligers die bijdragen aan de ontwikkeling van stadsdeelbewoners en deelname aan de maatschappij.
Partner(s): 10 migrantenzelforganisaties, vrouwenontmoetingscentrum de Hippe Heks, NIVON, bibliotheek.
Resultaat: Streefcijfers 2005: 34 voorlichtingsbijeenkomsten, 27 taalgroepen, 23 cursussen varia (sollicitatietraining, politieke participatie, depressie etc.), 7 groepen huiswerk-begeleiding, 5 computercursussen, 13 bewegingsgroepen, 4 educatieve NIVON-cursussen, 55 voorleesuren voor basisschoolkinderen.
Kosten: € 179.272.
24. Maatschappelijke participatie bij zelforganisaties van ouderen
Doel: Activering van ouderen om deel te nemen aan de maatschappij en om sociaal isolement en gevoelens van eenzaamheid tegen te gaan.
Inhoud: Activiteiten voor ouderen, georganiseerd door zelforganisaties van ouderen en door de verzorgingshuizen.
Partner(s): Zelforganisaties ANBO, ARC, FPO, KBO, Leger des Heils, UVV en De Zonne-bloem, en verzorgingshuizen A.H. Gerhardhuis en Nieuw-Geuzenveld.
Resultaat: Zelforganisaties: circa 300 activiteiten met gemiddeld circa 35 deelnemers per activiteit.
Verzorgingshuizen: circa 48 bijeenkomsten met circa 45 deelnemers per activiteit.
Kosten: € 20.340 voor activiteiten van zelforganisaties en € 4.551 voor activiteiten van verzorgingshuizen voor buurtbewoners.
25. Boodschappendienst
Doel: Bewoners van 75 jaar en ouder die geen andere optie tot vervoer hebben in staat stellen boodschappen te doen.
Inhoud: Vervoer naar en van een winkelcentrum en indien nodig ondersteunende hulp zoals het herinneren aan het aandoen van schoenen, het uitzetten van de verwarming, het afsluiten van de voordeur en het in huis dragen van de boodschappen.
Partner(s): Stichting Ouderenvervoer Nieuw-West.
Resultaat: 260 vervoeruren en 1.042 vervoerde ouderen.
Kosten: € 6.875.
26. Sociaal groepsvervoer
Doel: Bewoners van 75 jaar en ouder die geen andere optie tot vervoer hebben in staat stellen sociale activiteiten te bezoeken.
Inhoud: Vervoer naar en van sociale activiteiten en indien nodig ondersteunende hulp.
Partner(s): Stichting Ouderenvervoer Nieuw-West.
Resultaat: 800 vervoeruren en 3.815 vervoerde ouderen.
Kosten: € 23.860.
27. Maaltijdvoorziening
Doel: Bewoners van 55 jaar en ouder in staat stellen gebruik te maken van een maaltijd aan huis of een maaltijd aan een eettafel.
Inhoud: Een financiële bijdrage in de kosten van warme en vriesverse maaltijden aan huis en maaltijden aan een eettafel.
Partner(s): Amsterdam Thuiszorg Maaltijdservice, A.H. Gerhardhuis en Nieuw-Geuzenveld.
Resultaat: 13.196 warme en 16.468 vriesverse maaltijden aan huis, en aan de eettafels 16.017 (A.H. Gerhardhuis) en 14.194 maaltijden (Nieuw-Geuzenveld).
Kosten: € 63.629 voor maaltijden aan huis en € 35.603 voor maaltijden aan eettafels.
28. Klussendienst
Doel: Bewoners van 55 jaar en ouder hulp bieden bij kleine klussen in huis die mensen van jongere leeftijd normaliter zelf verrichten.
Inhoud: Het verrichten van kleine klussen aan huis tegen een bijdrage in de uurkosten. Materiaalkosten worden geheel door de bewoner zelf betaald.
Partner(s): Antaris en Impuls.
Resultaat: 354 kleine klussen.
Kosten: € 55.728.
29. Kleine Woningaanpassingen
Doel: Bewoners in staat stellen langer zelfstandig te blijven wonen door aanpassing van hun huis in de vorm van het weghalen van drempels, het aanbrengen van beugels en handgrepen en het plaatsen van een verhoogde toiletpot.
Inhoud: Opmeten en aanbrengen van de vereiste aanpassingen bij bewoners van een eigen huis of een huurhuis van een particuliere verhuurder.
Partner(s): Impuls en Antaris.
Resultaat: 23 woningaanpassingen.
Kosten: p.m. (financiering door Dienst Wonen).
Pijler 4 Inkomen
Kerndoel: Iedereen is vanuit financieel oogpunt in staat tot participeren in werk, onderwijs
en de maatschappij.
Subdoelen: Betrokkenen zijn bekend met de inkomensondersteunende maatregelen.
Bewoners krijgen indien nodig hulp bij het aanvragen ervan.
Maatregelen:
30. Formulierenbrigade
Doel: Vergroten van het bereik van inkomensondersteunde regelingen.
Bieden van werkervaring aan langdurig werkzoekenden.
Inhoud: Het op verzoek invullen van formulieren. Het controleren van de kwaliteit van het werk door het sociaal raadsliedenwerk van Impuls.
Partner(s): Sociale Dienst, Impuls.
Resultaat: Periode 1 augustus 2004 t/m 31 maart 2005: 1.078 cliëntcontacten en 1.215 zaken.
Kosten: € 16.712.
31. Advocatenspreekuur
Doel: Het oplossen van juridische kwesties.
Inhoud: Advies van een advocaat en hulp bij een eventuele juridische procedure. Het stadsdeel stelt een spreekkamer en wachtruimte met bewaking ter beschikking.
Partner(s): Stichting Advocatenspreekuur Amsterdam.
Resultaat: -
Kosten: p.m. (ruimte en bewaking uit regulier budget).
32. Sociaal raadsliedenwerk
Doel: Het oplossen van sociaaljuridische kwesties en alle overige zaken waarbij bewoners hulp vragen.
Inhoud: Informatie, advies en praktische hulp en ondersteuning zoals het verklaren van de inhoud en het schrijven van brieven en het invullen van formulieren.
Partner(s): Impuls.
Resultaat: 4.323 cliënteenheden met 6.325 onderwerpen.
Kosten: € 208.101.
33. Budgetgesprekken
Doel: Informeren over de aanpak van schulden en het schuldhulpverleningstraject.
Toetsen van de motivatie om schulden aan te pakken.
Inhoud: Informatie en advies over financiële zaken in het algemeen en het voorkomen en aanpakken van schulden in het bijzonder, en het inschatten van de motivatie van potentiële schuldhulpverleningscliënten.
Partner(s): Sociale Dienst en Impuls.
Resultaat: Geen gegevens over 2004; het stedelijke registratiesysteem is inmiddels aangepast.
Kosten: € 21.667.
34. Schuldhulpverlening
Doel: Saneren van problematische schulden en oplossen van schuld-crisissituaties.
Inhoud: Reguliere hulpverlening voor schuldsanering via een minnelijk of wettelijk traject.
Crisishulpverlening bij acute dreiging van huisuitzetting, afsluiting van energie, boedelverkoop en beëindiging ziektekostenverzekering.
Partner(s): Sociale Dienst en Impuls.
Resultaat: Instroom van 427 cliënten en uitstroom van 526 cliënten waarvan 69 crisistraject, 7 schuldbemiddelingen, 38 kredietaanvragen en 23 toeleidingen WSNP.
Kosten: € 275.451.
35. Preventieve huisbezoeken 75+
Doel: Mensen van 75 jaar en ouder zijn op de hoogte van voorzieningen op het gebied van o.a. wonen, zorg en inkomen en weten waar en hoe ze die kunnen regelen.
Inhoud: Huisbezoeken en (sinds 2005) collectieve bijeenkomsten.
Partner(s): Impuls.
Resultaat: 593 huisbezoeken.
Kosten: € 20.440.
36. Thuisadministratie
Doel: Het op orde brengen en houden van de privé-administratie van ouderen.
Inhoud: Het uitzoeken en ordenen van de administratie en deze daarna bijhouden.
Partner(s): Impuls.
Resultaat: Caseload van gemiddeld 49 personen.
Kosten: € 60.590.
37. Infomateriaal stadsdeel ten behoeve van jongeren
Doel: Adviseren en eventueel ondersteunen bij armoedeproblematiek.
Inhoud: Een folder met regelingen die van belang zijn voor (de ouders van) kinderen.
Partner(s): -
Resultaat: Folder is verspreid onder beroepsopvoeders die met jongeren tot 12 jaar te maken hebben.
Kosten: p.m. (regulier personeelsbudget).
38. Infomateriaal van derden
Doel: Informeren over inkomensondersteunende maatregelen en andere zaken die van belang zijn in verband met de armoedeproblematiek.
Inhoud: Het beschikbaar stellen van folders en brochures van derden via de Steunpunten Leefbaarheid & Veiligheid en de balie van het tuinstadhuis.
Partner(s): -
Resultaat: Diverse folders zijn beschikbaar.
Kosten: p.m. (regulier personeelsbudget).
4 Armoede: een voorstel tot nieuwe maatregelen
In dit hoofdstuk staan nieuwe maatregelen centraal. Deze maatregelen zijn ontwikkeld op basis van een vergelijk van hoofdstuk 2 (wat is de huidige situatie in ons stadsdeel?) met hoofdstuk 3 (hoe pakken we die situatie aan?). Sommige maatregelen zijn echt nieuw, andere betreffen een aanpassing of extra intensivering van de bestaande praktijk.
Oud beleid, nieuwe maatregelen en politieke/bestuurlijke coalitievorming
Het huidige Amsterdamse beleid ter bestrijding van armoede voldoet naar de letter bezien aan de voorwaarden voor een effectief beleid, maar de praktijk blijkt weerbarstiger. Wijziging van het stedelijk beleid is in die zin dan ook zeer gewenst dat het ook daar z’n effect krijgt waar het ’t hardst nodig is (“geld volgt problemen”), waarbij in onze regio grote groei van de problematiek waarneembaar is en ook effecten voelbaar van (stedelijke) bezuinigingen (bijvoorbeeld Emile Blauwfonds: juridische bijstand bij huurproblemen). Daarvoor is (verdergaand) bestuurlijk en politiek overleg en druk richting de Centrale Stad noodzakelijk, bij voorkeur in coalities met stadsdelen en/of andere partners met vergelijkbare problematiek.
Dat het beleid in ons stadsdeel nog niet tot het gewenste effect heeft geleid, is helder. Onvermoeid doorgaan met de huidige aanpak maar ook inzet van nieuwe maatregelen is daarom gewenst.
Alle maatregelen moeten voldoen aan de basisprincipes die het stadsdeel hanteert:
* Eenheid van beleid. Past de maatregel binnen het Amsterdamse armoedebeleid?
* Consequente uitvoering. Draagt de maatregel bij aan het te bereiken effect van het beleid?
* Doen wat je moet doen. Is het onze taak en verantwoordelijkheid om dit probleem op te lossen?
Op basis van deze principes zijn onderstaande maatregelen genomen. Vanwege de korte tijdsspanne was het niet mogelijk elke maatregel al op inhoudelijke en financiële haalbaarheid te toetsen en te overleggen met alle betrokkenen. Per maatregel wordt daarom aangegeven welke acties nodig zijn om deze te realiseren.
Pijler 1 Werk
1. Intensivering van de toeleiding naar de arbeidsmarkt & werving bij bedrijven
Doel: Vergroten van de arbeidsparticipatie van niet-werkende werkzoekenden in het algemeen en jongeren in het bijzonder & actieve benadering van bedrijven binnen én buiten het stadsdeel voor stage- en/of werkplekken
Inhoud: Intensiveren van de inzet om niet-werkende werkzoekenden aan het werk te krijgen.
Partner(s): Centrale stad, reïntegratiebedrijven, lokaal MKB, VO (bijv. NOVA-college) etc.
Resultaat: Afname van de werkloosheid tot het stedelijke gemiddelde in 2008.
Kosten: Afhankelijk van de wijze van inzet.
Actie: Overleg van het stadsdeel en de centrale stad teneinde een ieders inzet te bepalen en afspraken te maken. Eventueel het vrijmaken van stadsdeelmiddelen.
2. Werkervaringsproject detailhandel (kringloopwinkel-plus)
Doel: Werkervaring voor leerlingen van het praktijkonderwijs en bewoners met een afstand tot de arbeidsmarkt.
Hergebruik van kleding, speelgoed en huishoudelijke artikelen en vermindering van de hoeveelheid aangeboden afval.
Beschikbaar stellen van bovenstaande waren tegen een geringe prijs.
Verstrekken van gratis kleding aan mensen met een minimuminkomen die op sollicitatiegesprek gaan.
Inhoud: Inzamelen, eventueel opknappen en verkopen van nog bruikbare spullen die bewoners en winkels kwijt willen, en het faciliteren van sollicitanten met een minimuminkomen.
Partner(s): Centrale stad en scholen.
Resultaat: Nader te bepalen.
Kosten: Nader te bepalen.
Actie: Overleg van het stadsdeel, de centrale stad en scholen teneinde de haalbaarheid hiervan te onderzoeken.
3. Starterscursus
Doel: Vergroten van het aantal zelfstandige ondernemers.
Vergroten van de succeskans van jonge ondernemingen.
Inhoud: Cursus waarin alle ins en outs van het starten en het in stand houden van een eigen bedrijf aan de orde komen.
Partner(s): Centrale stad en Kamer van Koophandel.
Resultaat: Aanbod van een cursus in 2006.
Kosten: Budgettair neutraal.
Actie: Overleg van het stadsdeel, de centrale stad en de Kamer van Koophandel teneinde hierover afspraken te maken.
4. Cursus website bouwen voor ondernemers
Doel: Vergroten van de bekendheid en omzet van ondernemers door pr via een eigen website.
Inhoud: Cursus waarin alle ins en outs van het bouwen van een website aan de orde komen.
Partner(s): Computerclubhuis.
Resultaat: Aanbod van een cursus in 2006.
Kosten: Budgettair neutraal.
Actie: Overleg van het stadsdeel en het Computerclubhuis teneinde hierover afspraken te maken.
Pijler 2 Onderwijs
5. Aanpassing toelatingscriteria Voor- en Vroegschool en Themataalaanbod
Doel: Prioriteit voor kinderen uit eenoudergezinnen van moeders.
Inhoud: Bij gelijke achterstanden en wachtlijsten krijgen kinderen uit eenoudergezinnen van moeders voorrang bij plaatsing.
Partner(s): Impuls en scholen.
Resultaat: Alle achterstandskinderen uit eenoudergezinnen van moeders kunnen aan de Voor- en Vroegschool deelnemen, en al hun moeders kunnen deelnemen aan Themataal-aanbod.
Kosten: Budgettair neutraal.
Actie: Overleg met DLO over aanpassing van de toelatingscriteria.
6. Rendementsverhoging taallessen Nederlandse taal
Doel: Hoger rendement van taallessen van zelforganisaties en het taalbudget.
Inhoud: Voortgaan met de huidige acties om het rendement van gesubsidieerde taallessen van zelforganisaties en daarmee van de middelen die het stadsdeel hieraan uitgeeft te verhogen.
Partner(s): Aanbieders van gesubsidieerde taallessen.
Resultaat: Minimaal 25% van de deelnemers stroomt binnen 2 jaar door naar een taalles die opleidt tot niveau NT2.
Kosten: Budgettair neutraal.
Actie: Voortgaan met deskundigheidsbevordering van taaldocenten bij zelforganisaties en afspraken maken met zelforganisaties.
Pijler 3 Maatschappelijke participatie
7. Herijking activiteiten van sociaal-cultureel werk en de Hippe Heks
Doel: Vergroten van de zelfredzaamheid en zelfwerkzaamheid van bewoners en hun beroepsgerichte en maatschappijgerichte kennis en vaardigheden.
Inhoud: Meer vormende en educatieve activiteiten in plaats van recreatieve activiteiten en een meer actieve in plaats van consumptieve inzet van deelnemers.
Partner(s): Impuls en Hippe Heks.
Resultaat: Minimaal 25% (2006) en 35% (2007) van het activiteitenaanbod bestaat uit educatieve en vormende activiteiten.
Kosten: Budgettair neutraal.
Actie: Overleg om het activiteitenaanbod en de manier van aanbieden te wijzigen.
Pijler 4 Inkomen
8. De Maand van het Geld
Doel: Informatie verstrekken over de aanpak van armoede, en het vergroten van de kennis en vaardigheden op financieel gebied.
Inhoud: Een gevarieerd programma van activiteiten op het gebied van geld en armoede-bestrijding met specifieke aandacht voor ouderen, ouders van leerlingen van groep 8, pubers en jongvolwassenen. Alle samenwerkingspartners wordt gevraagd een bijdrage te leveren.
Partner(s): Alle samenwerkingspartners genoemd in hoofdstuk 3 en 4.
Resultaat: In 2006 één De Maand van het Geld en deelproducten (bijvoorbeeld een folder voor ouderen) op basis van de georganiseerde activiteiten.
Kosten: Nader te bepalen (met name personeelskosten), maar verder vooral budgettair neutraal.
Actie: Ontwikkelen van een opzet en overleg met potentiële samenwerkingspartners.
9. Aanpassing en intensivering van informatie(materiaal) van het stadsdeel/van derden
Doel: Informatie verstrekken over de aanpak van armoede, en het vergroten van de kennis en vaardigheden op financieel gebied. Intensivering van de voorlichting.
Inhoud: Het verstrekken van informatie en kennis over armoede en financiële zaken via de eigen communicatiekanalen van het stadsdeel en via professionals die in het stadsdeel werkzaam zijn.
Partner(s): Alle samenwerkingspartners genoemd in hoofdstuk 3 en 4 en overige professionals die in het stadsdeel werkzaam zijn.
Resultaat: In 2006 informatie via het stadsdeelbulletin, de website van het stadsdeel, de balie van het tuinstadhuis en de Steunpunten Leefbaarheid & Veiligheid, via zelf-organisaties van migranten en ouderen en via professionals op het gebied van werk, onderwijs, maatschappelijke participatie en zorg etc.
Kosten: Nader te bepalen, maar grotendeels budgetttair neutraal.
Actie: Ontwikkelen van een communicatieplan en –materiaal.
Bijlage Overzicht van de inkomensondersteunende maatregelen van de gemeente
Amsterdam d.d. september 2005
Dit overzicht is gebaseerd op de Armoedemonitor nummer 8 en informatie van de gemeente.
* Bijzondere bijstand
Wie: Burgers met een laag inkomen.
Wat: Lening of gift voor noodzakelijke extra kosten door bijzondere omstandigheden.
Gebruik: In 2004 zijn 31.500 uitkeringen verstrekt aan 11.984 personen.
Gemiddeld 2,6 verstrekkingen per persoon en € 275 per verstrekking.
Kosten: € 8.641.000.
* Kwijtscheldingsregeling
Wie: Burgers met een inkomen op bijstandsniveau.
Wat: Kwijtschelding van de Onroerende Zaakbelasting voor Gebruikers, Roerende Ruimtebelasting voor Gebruikers, Afvalstoffenheffing, Wet Verontreinigingsheffing Oppervlaktewater voor Woningen en Ingezetenenomslag.
Gebruik: In 2004 is kwijtschelding verstrekt aan 52.811 cliënten.
Gemiddeld € 421 per cliënt.
Kosten: € 22.226.616.
* Woonlastenfonds
Wie: Burgers met huursubsidie en een inkomen tot circa 140% van het bijstandsniveau.
Wat: Bijdrage voor extra hoge onontkoombare woonlasten.
Gebruik: In 2004 zijn 25.350 uitkeringen verstrekt.
Gemiddelde niet bekend.
Kosten: Geen opgave.
* Plusvoorziening 65+
Wie: Zelfstandig wonende ouderen die drie jaar of langer moeten rondkomen van het sociaal minimum.
Wat: Vrij besteedbaar jaarlijks extraatje.
Gebruik: In 2004 hebben 6.986 huishoudens deze uitkering ontvangen.
Gezinnen ontvangen € 233, alleenstaanden € 164.
Kosten: € 1.237.000.
* Langdurigheidtoeslag
Wie: Huishoudens waarvan de oudste tussen de 23 en 65 jaar is en die vijf jaar of langer moeten rondkomen van het sociaal minimum en die geen inkomen uit werk hebben gehad gedurende die vijf jaar.
Wat: Vrij besteedbaar jaarlijks extraatje.
Gebruik: In 2004 hebben 14.097 huishoudens deze uitkering ontvangen.
Gezinnen ontvangen € 462, alleenstaande ouders € 415 en alleenstaanden € 324.
Kosten: € 5.070.000.
* Fonds Bijzondere Noden
Wie: Amsterdammers die in financiële nood verkeren en daarvoor geen beroep kunnen doen op voorzieningen als de bijzondere bijstand of de Gemeentelijke Kredietbank Amsterdam.
Wat: Bijdrage als een laatste redmiddel.
Gebruik: In 2004 hebben 353 cliënten een uitkering gehad.
Gemiddeld € 308 per cliënt.
Kosten: € 108.735.
* Stadspas
Wie: Bijstandsgerechtigden, cliënten van Bureau Kwijtschelding en van Dienst Belastingen, mensen met een uitkering van UWV met een toeslag uit de Toeslagenwet en deel-nemers aan een inburgeringtraject plus hun kinderen van 3 tot 11 jaar; hun kinderen van 12 t/m 18 jaar ontvangen een XXXS-kaart met Stadspaslogo.
65-plussers en mensen met een Wajong-uitkering.
Wat: Korting bij 230 bedrijven en instellingen op het gebied van sport, recreatie en cultuur en tijdelijke extra aanbiedingen. Jongeren tot 18 jaar krijgen o.a. een korting van 75% op de jaarcontributie van een sportclub tot een maximum van € 100 per jaar.
Gebruik: In 2004 bezitten 157.341 Amsterdammers een Stadspas of XXXS-kaart met Stadspas-logo.
Kosten: Geen opgave.
* Ziektekostenverzekering voor minima
Wie: Alle Amsterdammers met een minimuminkomen en een ziekenfondsverzekering bij AGIS.
Wat: Aanvullende ziektekostenverzekeringen (de AV Amsterdam en de AV Amsterdam Plus) die een bredere dekking kennen dan vergelijkbare AGIS pakketten tegen een redelijk tarief.
Gebruik: In 2004 hadden 12.998 mensen een AV-verzekering en 41.164 mensen een AV Plus verzekering.
Kosten: € 4.800.000.
* PC-regeling
Wie: Kinderen uit een minimahuishouden die overgaan naar het voortgezet onderwijs.
Wat: Een gratis computer en een jaar lang gratis internetten (met een modem in bruikleen) mits het kind eerst (gratis) een PC-vaardigheidsbewijs haalt. Per gezin wordt maximaal één PC verstrekt.
Gebruik: In 2004 zijn 947 computers verstrekt.
Kosten: Geen opgave.
* Schoolkostenregeling
Wie: Leerlingen uit het voortgezet onderwijs tot 18 jaar oud met ouders die een inkomen hebben op bijstandsniveau.
Wat: Een leermiddelen- en een reiskostenvergoeding omdat de vergoeding van het rijk voor schoolkosten de afgelopen jaren niet is meegegroeid met de stijging van de kosten.
De leermiddelenvergoeding is bestemd voor kosten als de ouderbijdrage, school-boeken, materialen en gereedschappen, schoolreisjes en excursies.
De reiskostenvergoeding is voor leerlingen die minimaal twee zonegrenzen met het openbaar vervoer moeten overbruggen of voor de aanschaf van een fiets om van huis naar school te komen
Gebruik: Nog onbekend, is in 2005 ingevoerd.
De leermiddelenvergoeding bedraagt maximaal € 250 per leerling per schooljaar.
De reiskostenvergoeding bedraagt maximaal € 150 per leerling per schooljaar.
Kosten: In 2005 is een bedrag van € 4.400.000 gereserveerd.