DE REKENKAMER
De Gemeenteraad heeft 19 juni 2003 met een verordening besloten om een onafhankelijke rekenkamer in te stellen. Deze rekenkamer gaat toezicht houden op de doeltreffendheid, doelmatigheid en rechtmatigheid van het door het Dagelijks Bestuur gevoerde beleid. Iedere gemeente is verplicht vóór 2006 een lokale rekenkamer of rekenfunctie in te voeren.
Net zoals de Algemene Rekenkamer van het rijk kan de lokale rekenkamer het beleid van het gemeentebestuur onderzoeken.
De Amsterdamse gemeenteraad krijgt een onafhankelijke rekenkamer die zelf bepaalt welke onderzoeken wel of niet worden uitgevoerd. Burgers, ambtenaren, het gemeentebestuur en de raad kunnen de rekenkamer attenderen op zaken die onderzocht kunnen worden. De raad benoemt wel de directeur.
Voor de rekenkamer is voor de totale circa 600.000 Euro per jaar begroot.
De rekenkamer versterkt de positie van de Raad en draagt in belangrijke mate bij aan een effectieve controle van de Raad op B&W en de gemeentelijke instellingen. De instelling van de onafhankelijke rekenkamer biedt voor de Raad een belangrijke mogelijkheid tot deskundig en onafhankelijk onderzoek naar de uitvoering en effecten van gemeentelijk beleid.
Toetsingen van de doeltreffendheid, doelmatingheid en rechtmatigheid, vormen een onderdeel in de verantwoording van ons College aan de Raad. De rekenkamer is in het geheel van checks and balances te zien als een sluitstuk van de controle op doeltreffendheid en doelmatigheid. Tussen het externe onderzoek van de rekenkamer en het interne onderzoek door ons College is daarmee een verband. Het gaat dus niet alleen om de prestaties van het College, maar evenzeer ook om de prestaties van de gemeente als geheel. Juist daarom is het belangrijk dat de rekenkamer een onafhankelijke positie heeft ten opzichte van de Raad, B&W èn van de andere gemeentelijke organen.
De verordening voorziet in de oprichting van de lokale rekenkamer Amsterdam,waarbij zij gaat samenwerken met de rekenkamer(functie)s van de regiogemeenten en stadsdelen indien deze dat willen.
Dit jaar zal door de de directeur van de Gemeentelijke rekenkamer actief samenwerking worden gezocht met stadsdelen en regiogemeenten.
De rekenkamer is bevoegd tot het doen van onderzoek binnen de gemeentelijke instellingen. Uiteraard moet de rekenkamer, om haar taak te kunnen vervullen, toegang hebben tot alle informatie die het gemeentebestuur kan verschaffen. Dat is dan ook in de wet bepaald.
In bepaalde gevallen is zij ook bevoegd tot het verrichten van onderzoek bij derden die een financiële band met de gemeente hebben. Het betreft:
de openbare lichamen en gemeenschappelijke organen op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen waarin de gemeente deelneemt;
de vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid waarin de gemeente meer dan 50% van het geplaatste aandelenkapitaal houdt;
andere privaatrechtelijke rechtspersonen waaraan de gemeente direct of indirect een subsidie, lening of garantie heeft verstrekt voor het bedrag van ten minste vijftig procent van de baten van deze instelling.
Daarbij gaat het in eerste instantie om een onderzoek op basis van alle officiële documenten van die instelling waarover de gemeente beschikt zoals jaarrekeningen en controlerapporten van de accountant. Onderzoek op basis van documenten die bij de gemeente aanwezig zijn, kan aanleiding zijn voor de rekenkamer bij de desbetreffende rechtspersoon of het gemeenschappelijk orgaan zelf een onderzoek in te stellen. Die bevoegdheid omvat primair de mogelijkheid nadere inlichtingen in te winnen of ontbrekende stukken op te
vragen bij de rechtspersoon of het gemeenschappelijk orgaan. Vervolgens kan ook ter plaatse een onderzoek worden ingesteld.
Selectiecommissie
Deze maand (februari 2004)zal de rekenkamercommissie de uiteindelijke kandidaat in maart 2004 voordragen aan de raad.
De directeur gaat zich de eerste periode na zijn benoeming bezighouden met oprichting en invulling van de rekenkamer. Zoals onder meer met de samenstelling van zijn onderzoeksprogramma, de huisvesting van de rekenkamer, en de werving van zijn medewerkers.
De nieuwe Gemeentewet bepaalt dat de gemeenteraden verplicht zijn om – naar keuze – een lokale rekenkamer of een rekenkamerfunctie in te richten, en bij verordening regels vast te stellen voor de uitoefening daarvan. Uiterlijk 1 januari 2006 moet elke gemeente een rekenkamer of rekenkamerfunctie hebben ingericht. De nieuwe Gemeentewet bevat een aantal vernieuwde en nieuwe artikelen die handelen over doeltreffendheid, doelmatigheid en rechtmatigheid. Deze artikelen geven voor gemeenteraden de basis om te kunnen bepalen, of in hun gemeenten de zaken ‘onder controle’ zijn. Een nieuw art. 213a verplicht colleges van burgemeester en wethouders periodiek zelf de doelmatigheid en doeltreffendheid van het bestuur te onderzoeken. Daarvoor stellen de gemeenteraden bij verordening regels.
De rekenkamer onderzoekt de doelmatigheid, de doeltreffendheid en de rechtmatigheid van het door het gemeentebestuur gevoerde bestuur. Een door de rekenkamer ingesteld onderzoek naar de rechtmatigheid van het door het gemeentebestuur gevoerde bestuur bevat geen controle van de jaarrekening als bedoeld in art. 213, tweede lid, van de Gemeentewet. Onder de begrippen doelmatigheid, doeltreffendheid en rechtmatigheid wordt verstaan:
a doelmatigheid: de mate waarin de nagestreefde beleidsdoelen tegen zo gering mogelijke kosten worden bereikt;
b doeltreffendheid: de mate waarin het resultaat van het beleid beantwoordt aan wat er met het beleid werd beoogd en waarin de gestelde beleidsdoelen worden verwezenlijkt;
c rechtmatigheid: de mate waarin gevoerd beleid voldoet aan de wettelijke kaders en regelgeving en met name die wet- en regelgeving die van belang is voor de rechtmatigheid van de totstandkoming van de gemeentelijke baten en lasten.
In de Gemeentewet is het gemeentebestuur gedefinieerd als: ieder bevoegd orgaan van de gemeente.
Op de rekenkamer zijn hoofdstuk IVa en XIa uit de Gemeentewet van toepassing.
Beslissingen van de raad over de rekenkamer worden voorbereid door een commissie uit de raad, commissie voor de rekenkamer genaamd. In het tweede lid wordt vervolgens bepaald dat de Rekeningencommissie van de raad, ingesteld op grond van de Verordening Rekeningencommissie, die functie zal vervullen. De keuze voor de Rekeningencommissie tevens commissie voor de rekenkamer sluit aan bij de functie die deze commissie van oudsher vervuld bij het totstandkomen van de rekening van de gemeente en bij het beoordelen van de accountantsrapportages over onderdelen van de gemeente rekening. Ook elders vervult de Rekeningencommissie veelal de rol als aanspreekpunt voor de rekenkamer en ontvanger van de rekenkameronderzoeken. Ten aanzien van de rekenkamer heeft de commissie specifiek genoemde taken.
In art. 81c , eerste lid, van de Gemeentewet wordt bepaald dat de raad het lid van de rekenkamer benoemt voor de duur van zes jaar. Ter versterking van de rol van de commissie voor de rekenkamer wordt het lid van de rekenkamer op aanbeveling van de commissie benoemt (zie ook art. 3, derde lid, onder a ). De voordracht van de commissie is niet bindend, maar het derde lid benadrukt wel de zwaarte van de aanbeveling die door de commissie wordt gedaan en waarvan de raad niet zonder meer zal afwijken.
Op grond van art. 81e van de Gemeentewet zal het lid van de rekenkamer openbaar moeten maken welke andere functies dan het lidmaatschap van de rekenkamer hij vervult. Art. 81 f van de Gemeentewet noemt de functies die onverenigbaar zijn met het lidmaatschap van de rekenkamer. De raad zal, dus voor hij overgaat tot benoeming, moeten nagaan of art. 81f benoeming niet in de weg staat. Art. 4, derde lid, bevat de opdracht aan de commissie de raad hierover de nodige informatie te verschaffen. Kandidaten zullen dus via de commissie de informatie moeten verschaffen die zij op grond van artikel 81e van de Gemeentewet na benoeming openbaar zal moeten maken. Tenslotte moet voor de benoeming duidelijk zijn dat een beoogd lid zijn/haar kandidatuur aanvaardt.
De raad benoemt het lid van de rekenkamer (art. 81c , tweede lid). In het vierde lid van art. 81c wordt de vervanging geregeld indien het lid van de rekenkamer tijdelijk niet in de gelegenheid is zijn functie te vervullen. De Gemeentewet schrijft die benoeming van een plaatsvervanger voor.
In art. 81c , vijfde lid, van de Gemeentewet is opgenomen dat voorafgaande aan benoemingen overleg met de rekenkamer moet worden gevoerd.
De raad stelt, na overleg met de rekenkamer, de rekenkamer de nodige middelen ter beschikking voor een goede uitoefening van haar werkzaamheden. Dit is conform art. 81j van de Gemeentewet.
De rekenkamer is zelfstandig verantwoordelijk voor de besteding van het aan haar ter beschikking gestelde budget dat noodzakelijk is voor de uitvoering van haar taak. Deze zelfstandigheid van de rekenkamer ten opzichte van de raad is een borg voor een behoorlijke uitvoering van haar taak. De rekenkamer is voor de besteding van het budget uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de raad.
De raad stelt, gehoord de commissie, een rechtspositieregeling vast voor het lid van de rekenkamer en zijn vervanger. In die rechtspositieregeling worden onder meer zaken geregeld als vergoeding voor zijn werkzaamheden en tegemoetkoming in de kosten.
Dit artikel heeft tot gevolg dat de rechtspositie van de medewerkers van het bureau van de rekenkamer wordt vastgesteld bij deze verordening en niet apart bij een besluit van het College van Burgemeester en Wethouders.
Voor de rechtspositie van de medewerkers van de rekenkamer is het volgende van belang:
*de directeur heeft vanwege zijn onafhankelijkheid alle bevoegd gezag om medewerkers aan te nemen en kan daardoor terzake niet worden overruled door het College van Burgemeester en Wethouders;
*hij heeft alle beslissingsvrijheid die er is binnen de kaders van de ambtelijke rechtspositieregelingen van de gemeente;
*de rekenkamermedewerkers zijn in dienst van de gemeente;
*zoals bekend, vallen die medewerkers uitsluitend en alleen onder de verantwoordelijkheid van de directeur.
De rekenkamer is onafhankelijk; de rekenkamer bepaalt zelf welke onderzoeken zullen worden ingesteld. De rekenkamer kan op verzoek van de raad een onderzoek instellen, maar is dat niet verplicht. Wel wordt de mogelijkheid van de raad om expliciet om een onderzoek te verzoeken vermeld in art. 182 van de Gemeentewet, waarmee een bepaald gewicht aan een dergelijk verzoek van de raad wordt toegekend. Vandaar dat in het derde lid wordt aangegeven dat de rekenkamer goede gronden aanvoert als zij afwijkt van een gemotiveerd verzoek van de raad.
De raad wordt van de voornemens van de rekenkamer op de hoogte gesteld via een jaarlijks onderzoeksplan. De raad krijgt dit plan ter kennisneming.
De raad respectievelijk de commissie kan de rekenkamer een gemotiveerd verzoek doen tot het instellen van een onderzoek. De rekenkamer bericht binnen een maand gemotiveerd, of en in hoeverre aan dat verzoek zal worden voldaan.
De bevoegdheden waarmee de rekenkamer haar onderzoek kan uitvoeren, zijn reeds vermeld in de artikelen 183 en 184 van de Gemeentewet. Een onderzoek van de rekenkamer blijft niet beperkt tot het financiële aspect. Ook de rol van de raad kan in het onderzoek worden betrokken. Immers, de rekenkamer onderzoekt de doelmatigheid, de doeltreffendheid en de rechtmatigheid van het door het gemeentebestuur gevoerde bestuur.
Uit oogpunt van zorgvuldigheid is het van groot belang dat de onderzochte partij de kans krijgt om te reageren op (het nog niet gepubliceerde) ontwerponderzoeksrapport. Er vindt dan wederhoor plaats, waarbij de feitelijke bevindingen die uit het onderzoek voortvloeien aan de desbetreffende personen worden voorgelegd met de vraag eventuele onjuistheden eruit te halen en te corrigeren. Indien van toepassing, wordt de verantwoorde-lijke wethouder of het College de gelegenheid geboden om te reageren op de conceptaanbevelingen die de rekenkamer verbindt aan de (gecorrigeerde) bevindingen. Tot slot brengt de rekenkamer een definitief rapport uit aan de raad, waarin opgenomen de bevindingen, conclusies en eventueel aanbevelingen. De rekenkamer zendt een afschrift van haar rapporten en haar verslag aan de raad en het College.
Van de rekenkamer wordt verwacht dat zij naar aanleiding van haar onderzoeken de gemeente adviseert en voorstellen doet.
De rekenkamer heeft naar opvatting van de raad naast haar primair controlerende en oordelende taak ook een adviesrol opdat de inzichten van de rekenkamer de gemeente ten goede komen.
De rekenkamer kan het functioneren van de Accountantsdienst (ACAM) aan een review onderwerpen. De onafhankelijke rol van de accountants wordt door de rekenkamer gerespecteerd.
Uw Vergadering heeft op 30 januari 2002 besloten tot een onafhankelijke rekenkamer [Gemeenteblad 2002, afd. 1, nr. 59 (Gemeenteblad 2002, afd. 3A, nr. 83)]. De rekenkamer onderzoekt de doeltreffendheid, de doelmatigheid en de rechtmatigheid van het door het gemeentebestuur gevoerde bestuur. U zorgt er met de – nog aan u voor te leggen – verordening ex art. 213a voor dat u er van verzekerd bent dat ons College systematisch en geprogrammeerd toetsingen uitvoert, vooral op het terrein van ons College, de beleidsuitvoering. Die toetsingen vormen daarbij ook een onderdeel in de verantwoording van ons College aan uw Vergadering. De rekenkamer is in het geheel van “checks and balances” te zien als een sluitstuk van de controle op doeltreffendheid en doelmatigheid. Tussen het ‘externe’ onderzoek van de rekenkamer en het ‘interne’ onderzoek door ons College is daarmee een verband.
De instelling van de onafhankelijke rekenkamer biedt een belangrijke mogelijkheid tot deskundig en onafhankelijk onderzoek naar de uitvoering en effecten van gemeentelijk beleid. Uiteraard moet de rekenkamer, om haar taak te kunnen vervullen, toegang hebben tot alle informatie die het gemeentebestuur kan verschaffen. Dat is dan ook in de wet bepaald.
De verordening op de rekenkamer voorziet in de oprichting van de lokale rekenkamer Amsterdam. Daarmee kan niet worden volstaan. De realisatie vereist ook een verordening op de rechtspositie van de voorzitter of directeur van de rekenkamer. De komst van de rekenkamer leidt voorts tot verandering van de taken van de Rekeningencommissie. De Rekeningencommissie heeft daarom een aanpassing van de verordening op de Rekeningencommissie in voorbereiding. Zodra deze gereed zijn, zullen ook deze twee verordeningen u ter vaststelling worden aangeboden.
Momenteel wordt samenwerking gezocht met stadsdelen.
De rekenkamer is in bepaalde gevallen ook bevoegd tot het verrichten van onderzoek bij derden die een financiële band met de gemeente hebben. Het betreft:
– de openbare lichamen en gemeenschappelijke organen op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen waarin de gemeente deelneemt;
– de vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid waarin de gemeente meer dan 50% van het geplaatste aandelenkapitaal houdt;
– andere privaatrechtelijke rechtspersonen waaraan de gemeente direct of indirect een subsidie, lening of garantie heeft verstrekt voor het bedrag van ten minste vijftig procent van de baten van deze instelling.
Daarbij gaat het in eerste instantie om een onderzoek op basis van alle officiële documenten van die instelling waarover de gemeente beschikt zoals jaarrekeningen en controlerapporten van de accountant. Onderzoek op basis van documenten die bij de gemeente aanwezig zijn, kan aanleiding zijn voor de rekenkamer bij de desbetreffende rechtspersoon of het gemeenschappelijk orgaan zelf een onderzoek in te stellen. Die bevoegdheid omvat primair de mogelijkheid nadere inlichtingen in te winnen of ontbrekende stukken op te vragen bij de rechtspersoon of het gemeenschappelijk orgaan. Vervolgens kan ook ter plaatse een onderzoek worden ingesteld.
Ø de lokale rekenkamer versterkt de positie van de Raad ten aanzien van de uitoefening van zijn controlerende functie;
Ø de aandacht voor en het belang van doelmatigheid en doeltreffendheid groeit – burgers beoordelen de overheid steeds meer hierop;
Ø een verdere verbetering van de rechtmatigheids- en doelmatigheidstoets is gewenst;
Ø de rapportages van de lokale rekenkamer vormen een goed aanknopingspunt voor het afleggen van rekenschap aan de burgers”.
“Het is van groot belang dat een onafhankelijk orgaan als de gemeentelijke rekenkamer zelfstandig onderzoek doet naar de doelmatigheid, doeltreffendheid en de rechtmatigheid. Het belang daarvan voor de kwaliteit van het bestuur en voor het proces van het afleggen van rekenschap aan de burger is dermate groot dat het al dan niet instellen van de rekenkamer geen onderwerp van gemeentelijk beleid mag zijn”.
“De rekenkamer draagt in belangrijke mate bij aan een effectieve controle van de raad op het College”.
De betekenis van de ‘onafhankelijkheid’ van de Rekenkamer kan, beknopt, als volgt worden gekarakteriseerd:
Ø vrije keuze van onderzoeksonderwerpen (artikel 182);
Ø vrijheid bij de wijze en uitvoering van onderzoek (artikel 183);
Ø vrijheid van publiceren (artikel 185);
Ø vrije toegang tot relevante informatie(artikel 183);
Ø een wijze van benoeming en ontslag van de leden van de rekenkamer, die politieke beïnvloeding uitsluiten (artikel 81c);
Ø voldoende financiële middelen (artikel 81j lid 1);
Ø voldoende ambtelijke ondersteuning, waarbij deze ambtenaren niet onder de ambtelijke hiërarchie van het college vallen (artikel 81 j lid 2 ,3 en 4);
Ø het benoemen van onverenigbare betrekkingen (artikel 81f lid 1).
Ø “De rekenkamer onderzoekt het gevoerde beleid op doelmatigheid en doeltreffendheid. Ook kan de rekenkamer het beheer van de gemeentelijke organisatie onderzoeken; een system audit met het oog op rechtmatigheid kan uitdrukkelijk deel uitmaken van een dergelijk onderzoek.”
Ø Sommige bepalingen in de algemene bestuurswet worden niet van toepassing verklaard op de Rekenkamer, zoals het “…bezwaar en beroep tegen eventuele besluiten van de rekenkamer en de behandeling van klachten over gedragingen van de rekenkamer.“
De Gemeentewet verstaat onder het begrip “gemeentebestuur”: “ieder bevoegd orgaan van de gemeente”. Op grond van artikel 182 en 183 van de Gemeentewet heeft de Rekenkamer uit dien hoofde de bevoegdheid om naar alle gemeentelijke organen onderzoek te doen (inclusief de accountantsdienst). Op grond van art 184 heeft de Rekenkamer voorts de bevoegdheid onderzoek te doen naar aan de gemeente gelieerde instellingen zoals:
- entititeiten waarin de gemeente deelneemt volgens de Wet gemeenschappelijke regelingen
- NV’s en BV’s waarin de gemeente meer dan 50% van het aandelenkapitaal houdt
- privaatrechtelijke rechtspersonen waaraan de gemeente rechtstreeks of via een andere entiteit een subsidie, een lening of een garantie heeft verstrekt waarmee de gemeente bijdraagt in minimaal 50% van de baten van deze instelling.
De onafhankelijkheid van de Rekenkamer blijkt tot slot ook uit de samenstelling van de rekenkamer. Op grond van de Gemeentewet, artikel 81j dient de Rekenkamer te beschikken over een ambtelijk apparaat, dat niet onder de ambtelijke hiërarchie van de gemeente valt. De ambtenaren, die voor de Rekenkamer werken, mogen niet tevens voor de Raad, het College, de Burgemeester of een gemeentelijke commissie werken. Ze zijn uitsluitend ingezet voor en verantwoording verschuldigd aan de Rekenkamer.
De Raad stelt de Rekenkamer in. De Raad benoemt en ontslaat de leden. De Raad stelt de benodigde middelen ter beschikking en regelt de vergoedingen.
De Raad maakt gebruik van de Rekenkamer bij het uitoefenen van haar controlerende functie.
Verhouding tot de Rekeningencommissie
Het Stadsdeel kent de zogenoemde Rekeningencommissie. De betreffende verordening regelt: samenstelling, taak, werkwijze en bevoegdheden van de ‘vaste raadscommissie tot onderzoek en advies’ omtrent de juistheid van de gemeentelijke
rekenings- en verantwoordingsstukken en het in de gemeente gevoerde financiële beheer en beleid (rekeningencommissie).
Deze taak komt erop neer dat de Rekeningencommissie het financieel beheer beoordeelt voor zover dat is en wordt verantwoord in de gemeentelijke jaarrekening. De Rekeningencommissie adviseert mede op basis van deze beoordeling de Raad over de vaststelling van het jaarverslag en de jaarrekening zoals deze door het College aan de Raad zijn aangeboden.
Artikel 182 van de gemeentewet heeft gepoogd enige taakafbakening met de Rekeningencommissie te duiden. Onderzoek door de Rekenkamer naar de rechtmatigheid van het door het gemeentebestuur gevoerde beleid, bevat geen controle van de jaarrekening. De Rekeningencommissie heeft daar wel een rol in en laat zich in dat kader bijstaan door de gemeentelijke accountantsdienst. Het is ook niet de bedoeling dat de Rekenkamer het werk van de accountant of de Rekeningencommissie gaat overdoen.
Naar de letter van de wet is het mogelijk dat de Rekenkamer onderzoek doet met enige overlap van de scope van onderzoek van de Rekeningencommissie. Dit is uiteraard minder gewenst, zodat in de toelichting bij de verordening op de onafhankelijke Rekenkamer hier aandacht aan moet worden geschonken. Het kan de Rekenkamer overigens wettelijk niet worden verboden om ook te kijken naar het financieel beheer. Ter vermijding van zogenoemd dubbel werk is onderlinge afstemming tussen de Rekeningencommissie en de Rekenkamer gewenst. In de concept-verordening op de onafhankelijke Rekenkamer kan dit op pragmatische wijze worden kortgesloten door de toekomstige raadscommissie voor de onafhankelijke Rekenkamer een ‘personele unie’ te laten vormen met de Rekeningencommissie.
Artikel 183 Gemeentewet geeft aan dat de Rekenkamer bevoegd is alle documenten die berusten bij het Gemeentebestuur te onderzoeken voor zover de Rekenkamer dat ter vervulling van haar taken nodig acht. Op grond van lid 2 van 183 dient het Gemeentebestuur desgevraagd alle inlichtingen aan de Rekenkamer te verstrekken die de Rekenkamer ter vervulling van haar taken nodig acht. Kortom: De Rekenkamer doet ook onderzoek bij (onder meer) het College. Dit blijkt onder andere uit de bevoegdheden van een Rekenkamer ex artikel 182 e.v. van de Gemeentewet en de artikelen 81 e.v. van de Gemeentewet.
De centrale Rekenkamer zal onbeperkt toegang hebben tot benodigde informatie van de stadsdelen; omgekeerd gelden echter beperkingen. Dit kan gevoelig liggen. Op dit punt zal voor de centrale Rekenkamer een belangrijke rol zijn weggelegd.
Bij het instellen door de stadsdelen van een rekenkamer(functie) zal in de betreffende verordening een clausule moeten worden opgenomen, waarin nadrukkelijk de reikwijdte van het object van onderzoek wordt gedefinieerd. De deelraad Rekenkamer(functie) zal bijvoorbeeld geen onderzoek kunnen doen naar bestuursdaden van het College van B&W voor zover het niet het stadsdeel betreft .
6.5 De keuze van de onderzoeken
Een belangrijk kernpunt is de wijze waarop de keuze van uit te voeren onderzoeken tot stand komt, de procedure. Artikel 10 van de Verordening op de Rekenkamer vermeldt hierover het volgende:
“1. Overeenkomstig artikel 182 t/m 184 van de Gemeentewet voert de rekenkamer haar werkzaamheden uit. 2. De rekenkamer bepaalt zelf naar welke onderwerpen zij onderzoek wil verrichten.” De raad en het college van burgemeester en wethouders, alsmede de stadsdeelraden en de dagelijkse besturen van de stadsdelen kunnen de directeur een gemotiveerd verzoek doen tot het instellen van onderzoek.” In de Gemeentewet staat in artikel 182 in het derde lid dat rekenkamer goede gronden aanvoert indien zij afwijkt van een gemotiveerd verzoek van de raad.
De Rekenkamer beslist dus uiteindelijk zelf. Maar er kunnen voorstellen worden ingebracht door: de raad, specifieke raadscommissies, ambtenaren, een burgerpanel, bedrijven, etc.
Een apart onderdeel vormt de afstemming van verschillende soorten doelmatigheids- en
doeltreffendheidsonderzoeken. De Rekenkamer moet worden geïnformeerd over de onderzoeken die in de gemeente zijn gepland en welke onderzoeken onderhanden zijn, bijvoorbeeld in het kader van het zelfonderzoek door het College ex art 213a GW.
Het is raadzaam hierover t.z.t. met de rekenkamer afspraken te maken (stap-6).