BUREAU PARKSTAD

1

1

DE PARELS VAN NIEUW WEST

DE PARELS VAN NIEUW WEST

7

6

BUREAU PARKSTAD

Parels van Nieuw West

Cultuur-historisch waardevolle gebouwen van de Westelijke Tuinsteden in kaart gebracht

Parels van Nieuw West

Cultuur-historisch waardevolle gebouwen van de Westelijke Tuinsteden in kaart gebracht

Amsterdam / 20 mei 2003

Inleiding

Welke gebouwen in de Westelijke Tuinsteden zijn uit architectonisch oogpunt waardevol - zo waardevol dat de stedelijke vernieuwing er rekening mee zal moeten houden? Dat is de vraag die de gemeente Amsterdam zich stelde, en daarom wordt een zogeheten waardering opgesteld. Een deel van die waardering is al gereed: gemeentelijke stedenbouwkundigen en architectuurhistorici hebben in kaart gebracht welke gebouwen zij architectonisch waardevol achten. Maar niet alleen de mening van de deskundigen telt, de gemeente wil ook de waarderingen van bewoners en gebruikers boven tafel krijgen. Dat wordt de volgende stap. En uiteindelijk moet dat samen resulteren in een helder advies aan de betrokken stadsdeelbesturen: dit zijn de gebouwen die het waard zijn beschermd te worden bij de vernieuwing van de Westelijke Tuinsteden.

Deze notitie beschrijft op welke manier de dienst Ruimtelijke Ordening van Amsterdam de gebouwen in de Westelijke Tuinsteden op hun waarde heeft geschat, en wat de belangrijkste uitkomsten van die waardering zijn.

Waardevolle gebouwen verdienen bescherming

Al sinds mensenheugenis beschermen we in ons land de cultuurhistorische waardevolle gebouwen. Het monumentenbeleid zorgt ervoor dat zulke panden en belangrijke stedenbouwkundige structuren bewaard blijven voor de toekomst. En al denken we bij waardevolle gebouwen en monumenten eerder aan middeleeuwse kerken of Amsterdamse school villa’s, ook in naoorlogse wijken staan beslist gebouwen met cultuurhistorische waarde. Daarom brengen gemeenten soms ook zulke relatief nieuwe gebieden in kaart, waarbij de belangrijke gebouwen dan als ‘waardevol’ worden aangemerkt.

Westelijke Tuinsteden in kaart

Dat gebeurt nu ook voor de Westelijke Tuinsteden, die aan de vooravond van een vernieuwingsoperatie staan. Bij zo’n verandering is het immers van belang te weten wat er van waarde aanwezig is. Anders gezegd: de gebouwen moeten worden gewaardeerd, en daarbij moet met name worden aangemerkt welke gebouwen bescherming verdienen. Deze bescherming zal in ieder geval inhouden dat een stadsdeel niet meer zelfstandig kan besluiten een dergelijk gebouw ten gunste van vernieuwing te slopen. De vier betrokken stadsdelen in de Westelijke Tuinsteden en de centrale stad moeten daar namelijk eerst gezamenlijk over besluiten.

Wat is werkelijk van waarde?

De nadruk van de waardering, stelt het gemeentebestuur, moet liggen op de architec-tonische kwaliteiten. Door de dienst Ruimtelijke Ordening is een goede methodiek vastgesteld, waarmee de bebouwing in de Westelijke Tuinsteden op architectonische waarde is ingeschat. De cultuurhistorische waardering van de bebouwing in naoorlogse wijken is in Nederland namelijk nog een betrekkelijk onontgonnen terrein. De deskundigen hebben daarvoor een methodiek gevonden, en door die waarderingswijze toe te passen hebben zij inmiddels de zogenaamde ‘parels’ in kaart gebracht.

Deze lijst met hoog gewaardeerde gebouwen is nog niet door het gezamenlijke bestuur vastgesteld. Bovendien is het, zoals gezegd, de bedoeling dat ook bewoners hun mening en ideeën inbrengen, zodat hun oordeel mee kan wegen in uiteindelijke besluitvorming.

De waardering van de architectonische kwaliteit

De gemeente Amsterdam heeft eigen methodiek ontwikkeld om de gebouwen in de Westelijke Tuinsteden op hun waarde te schatten. Basisvraag was: wanneer is een gebouw bijzonder en het waard om beschermd te worden? Om die vraag te kunnen beantwoorden, moeten we kijken naar de architectonische opvattingen die destijds de basis vormden voor wat de Westelijke Tuinsteden zouden worden. En gebouwen die goede voorbeelden van die opvattingen zijn, zijn uit cultuurhistorisch oogpunt waardevol.

Aan de grootschalige stadsuitbreidingen van de jaren ’50 - zoals de Westelijke Tuinsteden - lagen de opvattingen van het zogeheten ‘Nieuwe Bouwen’ ten grondslag. Deze wijze van stedenbouw kenmerkt zich door de doordachte, rationele opzet van wijken en gebouwen, met repeterende patronen en veel plaats voor groen. Daarin paste een zakelijke architectuur met een strakke functionele vormgeving van gebouwen.

Bij de waardering van deze bebouwing is uitgegaan van de periode tussen 1950 en 1975. Bebouwing waarvan reeds een sloopbesluit is vastgesteld, zijn niet meegenomen in de waardering.

De panden in de Westelijke Tuinsteden zijn uiteindelijk beoordeeld op vier aspecten die voor deze bouwperiode belangrijk waren:

a. rationalisering van het gebruik

b. dynamische vormgeving

c. de groepering van gebouwen tot een nieuw basismotief

d. het ensemble

a. Rationalisering van het gebruik

In het Nieuwe Bouwen werden woning, school en kerk gerationaliseerd. Dat betekent dat gebouwen maximaal doelmatig moesten zijn en/of op een slimme manier gebouwd - volgens nieuwe technieken en met nieuwe materialen (glas, staal en beton). Er ontstonden nieuwe woontypes voor uiteenlopende bevolkings- en leeftijdsgroepen: het ouderencomplex, (duplex)laagbouwwoning, portieketage-, galerij-, maisonnette- en torenwoningen. Er kwamen voor het eerst badkamers in de sociale woningbouw; balkons en woonkamers lagen vanwege warmte en licht standaard op het zuiden en westen; winkels kwamen op de hoeken; klaslokalen in één laag op het westen; en in de bouw van sportzalen werd ook rekening gehouden met wedstrijdsport.

Waarderingscriterium: de plattegrond van het pand (en gebruiksmogelijkheden), mede bezien vanuit de ontwikkeling van nieuwe gebruiksmogelijkheden en typologieën (kan het pand in de toekomst op verschillende manieren worden gebruikt).

b. Dynamische vormgeving

De traditionele opbouw van een gebouw - met kamers rond een gang - maakte na de oorlog plaats voor modernere methodes. Architecten gingen nu spelen met symmetrie en asymmetrie en zochten contrasten in kleur, materiaal en de gerichtheid van het pand op zijn omgeving. Vooral in de vormgeving van grotere gebouwen als scholen, kerken, ziekenhuizen, hotels, kantoren, winkelcentra en ouderencomplexen is deze nieuwe vormgeving duidelijk te zien. Bij veel scholen bijvoorbeeld kregen de verschillende onderdelen alle een eigen gezicht en een duidelijke plek: klaslokalen, entree, sportzalen, aula, praktijklokalen, fietsenstalling, kantoorruimtes en het speelplein.

Ook in de vormgeving van woonblokken werd geëxperimenteerd met een meer dynamische ruimteopvatting. De vormgeving en materiaalgebruik van woningen veranderde (balkons, dakafwerking, diverse soorten gevels), maar ook de plaats en vorm van bijvoorbeeld de entrees, garages, tuinen.

Waarderingscriterium: het uiterlijk van het pand: de vorm en opbouw van het pand, de ligging van het pand, detaillering, materiaal- en kleurgebruik.

c. Groepering tot basismotief

De meer dynamische ruimteopvatting komt ook tot uitdrukking in de groepering van verschillende rijen woningen, winkels, bedrijfsruimten en gemeenschappelijke tuinen ten opzichte van elkaar. In Amsterdam werd hiervoor een nieuw principe ontwikkeld: de hovenverkaveling. Vier rijen woningen, geschakeld tot twee ‘haken’ rond een openbare tuin (hof) leverden een nieuw basismotief. Behalve een groot aantal variaties op het groeperingsprincipe van de ‘dubbele haak’ treffen we in de Westelijke Tuinsteden een bonte verzameling experimentele combinaties aan. Het basismotief was niet langer gebaseerd op een tevoren vastgesteld stratenplan, maar werd veelal door de architecten ontworpen.

Waarderingscriterium: de groepering van panden in een basismotief voor de verkaveling: hoe staan de panden ten opzichte van elkaar, blokvoorzieningen, buitenruimte.

d. Ensemble

De opbouw van vooroorlogse wijken werd traditioneel bepaald door het stratenplan, met gevelwanden die een duidelijke begrenzing van de straten vormen. De structuur van de naoorlogse wijk ontstond geheel anders: voortaan gebeurde dat door middel van ensembles - een samenstel van ruimtelijke elementen, zoals woningen, plantsoenen, pleinen. Stedenbouwkundigen zochten naar een zodanige vormgeving van deze ensembles, dat een combinatie zou ontstaan tussen van de kwaliteit van een rustig groen woonmilieu aan de rand van de stad, en relatief dichte en hoge bebouwing met een stedelijke uitstraling. Kenmerkend hierbij is de herhaling van een basismotief en combinatie daarvan met plantsoenstroken, pleinen en voorzieningen-strips. Er kwamen nieuwe bestratingsmaterialen en nieuwe beplanting, verlichting, speelvoorzieningen en straatmeubilair.

Waarderingscriterium:

de bijdrage van (onderdelen) van panden aan de kwaliteit van woonblokken in de Westelijke Tuinsteden als geheel.

De openbare kleuterscholen en scholen voor gewoon lager onderwijs vormen een opmerkelijk ontwerp van de Dienst der Publieke Werken. De ontwikkeling van deze typologie voor de naoorlogse scholenbouw was gerelateerd aan nieuwe opvattingen over het onderwijs. De tijd van disciplineren in duistere schoolgebouwen was voorbij. De kinderen moesten in een aangename omgeving spelenderwijs kunnen leren. Dit resulteerde in zorgvuldig gesitueerde vrijstaande schoolgebouwen met een soort doorzon klaslokalen. Het belang van deze schoolgebouwen is drieërlei: ze geven een beeld van de naoorlogse ontwikkelingen in het onderwijs, ze zijn architectuurhistorisch interessant, en ze vormen vaak een essentieel ruimtelijk onderdeel van een stedenbouwkundige compositie.

De Gereformeerde kerk ‘De Opgang’, Tussenmeer 70, maakt deel uit van een reeks van kerken die karakteristiek is voor de verkaveling van Slotervaart en Osdorp. Anders dan in Slotermeer werd de herhaling van een stedenbouwkundig motief hier niet meer angstvallig gemeden. De drie kerken zijn telkens gesitueerd op een ruime kavel in de zuidoosthoek van een tamelijk grote verkavelingseenheid. De St. Lucaskerk aan de Osdorper Ban en de St. Pauluskerk aan de Pieter Calandlaan vormen de andere twee kerkgebouwen in deze reeks. Het kerkgebouw ‘De Opgang’ is ontworpen door J. Krüger en gebouwd in 1968. De kerkzaal is gesitueerd op de verdieping, zodat het gebouw een stevig volume heeft, uitgevoerd in een gele baksteen. Het gesloten karakter van het bouwwerk wordt gecompenseerd door een krachtige geleding van het volume. Een forse vrijstaande klokkentoren, uitgevoerd in dezelfde gele baksteen, completeert deze rijke massacompositie. De koperen platen waarmee de buitenmuren van de kerkzaal deels bedekt waren, zijn vervangen door een groene kunststofbekleding. Het complexe volume van het kerkgebouw wordt aan de noordzijde geflankeerd door laagbouw waarin diverse nevenfuncties zijn ondergebracht.

De kerkganger wordt via een fraaie trap van baksteen en natuursteen naar de zeshoekige kerkzaal geleid. Het interieur van deze zaal wordt gekenmerkt door een ingetogen rijkdom die mede het gevolg is van zorgvuldige detaillering en goed gekozen materialen. Het meest opvallende kenmerk van de ruimte is het dak, dat trapsgewijs hoger wordt in de richting van het liturgisch centrum. Zo ontstaat een cascade van ruimte die nog eens geaccentueerd wordt door het licht dat binnenstroomt door de verglaasde verticale sprongen in het dak. De draagconstructie van dit dak bestaat uit bijzondere houten vakwerkliggers met dunne stalen spantbenen. De vloer is belegd met donkere tegels in baksteenformaat.

‘De Opgang’ is representatief voor de laatste fase in de ontwikkeling van het kerkgebouw in Nederland, waarbij gestreefd werd naar volledige integratie van het geestelijk leven met tal van maatschappelijke activiteiten. Ook de gemeentelijke overheid zag voor de kerkgenootschappen een belangrijke rol weggelegd in het buurtleven dat in de grote nieuwe woonwijken zo anders zou worden dan in de oude volksbuurten. De kerkzaal bleef natuurlijk de belangrijkste ruimte in het complex, dat komt ook tot uitdrukking in de architectuur van het interieur, maar daarnaast kreeg het kerkelijk complex ook een functie als buurtcentrum, met alle architectonische voorzieningen die daarvoor vereist waren. Zo ontstond een markant bouwkunstig geheel, dat ook stedenbouwkundig voor een krachtig accent zorgt.

De vier haakvormige woonblokken in een waaiervormige verkaveling, Jan Evertsenstraat-Jan Voermanstraat-Derkinderenstraat, zijn ontworpen door de bekende Amsterdamse architect Herman Knijtijzer gedurende de jaren 1955-1958 en gebouwd in de jaren 1959-1960. De onderdelen van de haak staan los van elkaar. De lange noordzuid gerichte delen van de haken zijn blokken met portieketagewoningen van tien percelen met wisselbeuk (drie- en vierkamerwoningen) in vier lagen op een onderbouw met bergingen en garages. De oostwest gerichte delen van de haken zijn hoger omdat hier nog eens een galerijflat van drie lagen op de vier lagen portieketagewoningen is gebouwd. In deze bovenste drie lagen zijn één- en tweekamerwoningen ondergebracht. Deze woningen zijn bereikbaar via een lift aan de oostzijde van het blok, de entreehal voor de lift is ondergebracht in een eenlaagse uitbouw waarin ook ruimte is voor een winkel. De opmerkelijke waaiervorm van de verkaveling en de drie extra bouwlagen hebben uiteraard te maken met de bijzondere stedenbouwkundige situering aan de licht gekromde Jan Evertsenstraat, op het breukvlak tussen de oude en de nieuwe stad. De haakvormige woonblokken vormen typologisch een bijzonder gegeven door de drie lagen galerijwoningen op de vier lagen met portieketagewoningen, dit heeft ook geleid tot een rijke differentiatie in woningtypen. In dit verband moeten ook nog de vier maisonnettes genoemd worden, op de begane grond aan de westzijde van de hoge blokken. Deze waren bedoeld als woningen met werkruimte aan huis.

De architectonische vormgeving van het complex is helder, eenvoudig, en goed doordacht, zowel in verhouding als in detaillering, en vertoont daardoor een krachtige eenheid. Het fraaie gladde rode metselwerk, afgewisseld met de strakke betonlateien boven de ritmerende, trefzeker geplaatste en fijn gedetailleerde raampartijen, de iets naar buiten geplaatste betonnen entreepartijen met glaspuien en het raster van de balkons zijn daarvan de voornaamste bouwstenen. Bijzondere compositorische elementen zijn voorts de betonnen galerijen met de transparante hekwerkbekleding van grenenhouten latten en teakhouten liggers, de liftschachten die, met een knipoog naar Berlage’s nabijgelegen Mercatorplein, als doorgemetselde torens een integraal en gezichtsbepalend onderdeel van de woongebouwen vormen, en de typische jaren vijftig vormgeving van de winkeluitbouwen met hun speelse vlakverdeling en massacompositie. Opvallend is ook het functionele onderscheid dat is aangebracht in het hekwerk van de balkons: een stalen hekwerk voor de balkons van de woonkamers aan de zuid- en de westzijde, en een lattenbekleding voor de werkbalkons van de keukens aan de noord- en de oostgevels. Tot slot kan gewezen worden op een aantal uitgekiende variaties in de gevelopbouw van de hoge blokken die de verschillen in woningtypologie benadrukken. Loggia’s in plaats van balkons voor de galerijwoningen, drie afwijkend geplaatste ramen op de begane grond van de maisonnettes, in het westelijk deel van de noordgevels komt het verschil tussen de galerijwoningen en de bovengelegen galerijwoningen tot uitdrukking door het contrast tussen een gesloten muurvlak en een muurvlak met raamopeningen, in de kopgevels wordt een vergelijkbaar spel gespeeld met open en gesloten muurvlakken.

Dit is, kort samengevat, waarschijnlijk het maximum aan bouwkunst dat tijdens de jaren vijftig wenselijk werd geacht en bereikt kon worden in de volkswoningbouw.

De 34 Parels van Nieuw West

Volgens de waarderingsmethodiek scoren 34 panden heel goed tot maximaal op alle waarderingscriteria. Dit zijn de parels van Nieuw West. Deze panden vertegenwoordigen een specifiek tijdsbeeld: rationeel, vernieuwingsgezind en vol optimisme. De objecten behoren volgens de deskundigen tot het culturele erfgoed van de stad.

Op de overzichtskaart hier links zijn alle cultuurhistorisch waardevolle panden in rood aangegeven. Op de pagina’s hierna zijn de parels per stadsdeel in beeld gebracht.

Geuzenveld-Slotermeer

1. Harry Koningsbergerstraat

schoolgebouw

architect: C. v.d. Wilk; 1956

3. Burg. Fockstraat

schoolgebouw

architect: J. Leupen, C. van der Wilk

4. Jan Bottemastraat

64 bejaardenwoningen

architect: Aldo van Eyck en Jan Rietveld;

1953

2. Prof. Oranjestraat

eengezinshuizen

architect: S. van Woerden; 1956

5. Burg. De Vlugtlaan

20 winkels, 12 woningen

architect: A. Evers, G.J.M. Sarlemijn;

1954

9. Thomas van Aquinostraat

schoolgebouw

architect: J. Leupen, C. van der Wilk

6. Jan de Louterstraat

schoolcomplex

architect: J.B. Ingwersen

10. Slotermeerlaan

bejaardentehuis met voorzieningenstrips

architect: W. van Tijen, M. Boom, J. Posno; 1956

11. Louis Couperusstraat

woningen, deels op bedrijfsruimten,

deels in twee lagen

architect: J.A. Snellebrand, G.W.

Tuynman; 1957

7. Jan de Louterstraat

schoolgebouw

architect: J. Leupen, C. van der Wilk

8. Jan de Louterstraat

schoolgebouw

architect: C. van der Wilk; 1956

12. Arthur van Schendelstraat

schoolgebouw

architect: J. Leupen, C. van der Wilk

13. Arthur van Schendelstraat

kerkgebouw

architect: K.L. Sijmons; 1959

16. Burg. Venig Meineszstraat

eengezinshuizen met garages

architect: J.F.A. Göbel, G. den Hertog, i.s.m. J. Pot, J.F. Pot-Keegstra; 1954

17. Burg. Eliasstraat

Catherina-complex: R.K. kerk met schoolgebouwen

architect: A. Evers en G.J.M. Sarlemij; 1956-1965

14. H. Poortstraat

schoolgebouw

architect: J.B. Ingwersen

18. Harry Koningsbergerstraat

vrijstaande dokterswoning

architect: Jan Rietveld

15. Harry Koningsbergerstraat

flatgebouw voor alleenstaanden

architect: P.R. Bloemsma en Jan

Rietveld; 1958

19. Oostoever

paviljoen met café-restaurant

architect: D. Slebos (PW)

Bos en Lommer

20. De Bazelhof e.o.

eengezins- en bejaardenwoningen,

winkels, garages

architect: W.M. Dudok; 1958

1. De Leeuw van Vlaanderenstraat

Opstandingskerk (Kolenkit)

architect: M.F. Duintjer; 1955

 

Gemeentelijk monument

21. Van Karnebeekstraat

atelierwoningen, systeembouw

(RBM)

architect: W. van Tijen, M. Boom en

J. Posno; 1959

Osdorp

1. Pieter Calandlaan

winkels, woningen, kiosken

architect: onbekend

2. Notweg

schoolgebouw

architect: Dienst der Publieke Werken

3. Tussen Meer

Ger-kerkgebouw (De Opgang)

architect: J. Krüger; 1968

Slotervaart/Overtoomse Veld

1. Jan Evertsenstraat

schoolgebouw

architect: onbekend

2. Jan Evertsenstraat / Jan

Voermanstraat

portieketagewoningen, winkels,

garages

architect: H. Knijtijzer; 1960

3. Jacob Geelstraat

schoolgebouw

architect: A. Evers en G.J.M. Sarlemijn;

1971

4. Comeniusstraat

Sloterhof: woningen, winkels,

bedrijven ,

systeembouw (Nemavo Airey)

architect: J.F. Berghoef; 1958-1960

6. Schipluidenlaan

schoolgebouw

architect: J.B. Ingwersen

7. Schipluidenlaan

schoolgebouw

architect: J.B. Ingwersen

8. Poeldijkstraat

toren met studentenflats

architect: L. Peters; 1968-1969

5. Van Ollefenstraat

kerkgebouw

architect: P. Zanstra; 1960

9. Vlaardingenlaan

schoolgebouw

architect: J.B. Ingwersen; 1973

Colofon

Uitgave Bureau Parkstad

Postbus 9096

1006 AB Amsterdam

(020) 3463060

www.bureauparkstad.nl

Redactie Hartog Communicatie

Fotografie en

vormgeving Bart de Vries (Bureau Parkstad), foto pag. 7 onderaan: Dick Duyves

Reproductie Multicopy Weesperstraat Amsterdam

Deze brochure is een bewerking van het rapport "Waardering Architectonische Kwaliteit ParkStad", opgesteld door dRO - Ontwerpteam Stad (Maurits de Hoog en Esther Reith)