De taak van het Stadsdeel bij het onderwijs
De lokale overheid is het bevoegd gezag van het openbaar primair en voortgezet onderwijs. Om de schijn van bevoordeling van het openbaar onderwijs te vermijden, hebben veel gemeenten het bestuur van openbare scholen op afstand geplaatst: bijna 50% van de gemeenten deed dit in het primair onderwijs, 75% van de gemeenten in het voortgezet onderwijs. Dit impliceert dat het college van B&W of de gemeenteraad niet de primaire, bestuurlijke verantwoordelijkheid heeft voor het openbaar onderwijs, maar de onderwijsinstelling zelf. De lokale overheid draagt zorg voor een duidelijke plaats van het onderwijs in het lokaal welzijns- en jeugdbeleid. Het primair en voortgezet onderwijs krijgt steeds uitdrukkelijker de opdracht om extra aandacht te geven aan achterstandsleerlingen (Weer Samen Naar School (WSNS), De gemeentelijke overheid is sinds 1997 verantwoordelijk voor de onderwijshuisvesting. 
Dat wil zeggen dat nieuwbouw, verbouwingen en het plaatsen van noodlokalen door gemeenten gepland en betaald worden. De rijksoverheid levert weliswaar jaarlijks via het gemeentefonds een bijdrage aan de kosten, maar blijkens de huisvestingsmonitor dragen gemeenten substantieel bij uit autonome middelen. Aangezien met onderwijshuisvesting een aanzienlijk budget is gemoeid, kunnen gemeenten via dit technische dossier beleidsinhoudelijke sturing bewerkstelligen. Als een gemeente om beleidsmatige redenen voor de brede school kiest, kan onderwijshuisvesting dat naderbij brengen.
Veel gemeenten hebben een Integraal Huisvestings Plan (IHP). Daarnaast is vanuit de GOA-wet (gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid) de Gemeente ook verantwoordelijk voor het lokaal achterstandenbeleid. Hierbij moet zij samen met de schoolbesturen een lokale invulling geven aan het landelijk beleidskader (LBK). 
De GOA zal de komende jaren in het teken staan van het in de praktijd brengen van het beleid. Zo zullen de voor- en vroegschoolse educatie (VVE) en het OnderwijsKansenbeleid (OK) in het GOA-beleid worden opgenomen. Het Stadsdeel heeft inmiddels ook te maken met het GOA-beleid. Het Stadsdeel had tevens de verantwoordelijk voor de invulling van het onderwijs in allochtone levende talen (OALT). De lokale overheid heeft een rol in het tot stand brengen van samenwerking tussen de organisaties voor wat betreft kinderopvang, school, zorg, vrije tijd en werk. Bij het onderwijsbeleid speelt het reguliere overleg met schoolbesturen een belangrijke rol. In dat "gerichte" overleg ook wel OOGO genoemd komen onder andere het onderwijsachterstanden- en het huisvestingsbeleid aan de orde.
Ook draagt het Stadsdeel de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Leerplichtwet compleet met een geautomatiseerde leerlingenadministratie, voorlichting, relatiebeheer en schoolmaatschappelijk werk. De op de bestrijding van voortijdig schoolverlaten gerichte wettelijke regeling, verplicht scholen (voor voortgezet onderwijs en Regionale Opleidings Centra (ROC)) om bij het Regionale Meld- en Coördinatiepunt (RMC) melding te maken van leerlingen tot 23 jaar die de school verlaten zonder startkwalificatie. 
Ook het leerlingenvervoer is een verantwoordelijkheid van het Stadsdeel. De vele taxi’s en taxibusjes die onder andere naar scholen voor speciaal onderwijs rijden, worden door het Stadsdeel bekostigd. Hierbij zorgt het Stadsdeel voor het opstellen van verordeningen, informatie en voorlichting aan scholen en ouders/verzorgers, aanbesteding, contracteren van uitvoerende ondernemingen, afgeven van beschikkingen aan ouders en tot slot de afhandeling van bezwaar- en beroepsprocedures.
Schoolbegeleiding
Vanaf 1998 is ook schoolbegeleiding gedecentraliseerd.  Deze decentralisatie heeft tot gevolg gehad dat de rijksmiddelen via de gemeenten naar de Stadsdelen gaan en gecombineerd met de gemeentelijke middelen door de schoolbegeleidingsdienst worden ingezet. Op initiatief van de 2e Kamer heeft de minister van OCenW besloten om het rijksbudget schoolbegeleiding per 1 augustus 2003 naar schoolbegeleidingsdiensten over te maken. In zijn visie dienen scholen zelf te bepalen welke begeleidingsexpertise waar ingekocht wordt. Dit is een uitdaging voor gemeenten en schoolbegeleidingsdiensten. Gemeenten en dus ook Stadsdeelbestuur krijgen hierdoor een betere visie op doelen en functies van schoolbegeleiding en kunnen dan zaken doen met schoolbesturen.

Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid
Doelstelling van dit beleid is het verminderen van sociaal-economisch geïndiceerde (onderwijs)achterstanden. Kinderen uit lagere sociaal-economische milieus stromen nu door naar lagere vormen van voortgezet onderwijs. Naast de middelen die het Stadsdeel voor dit beleid ontvangt, ontvangen scholen zelf voor primair en voortgezet onderwijs voor dit beleidsdoel rechtstreeks fondsen van het ministerie van OCenW. Sinds de start van GOA is wettelijk vastgelegd dat gemeentelijke en schoolgebonden middelen in samenhang moeten worden ingezet. Het beleid ten aanzien van voor- en vroegschoolse educatie (VVE) heeft vanaf 2000 extra geld en aandacht van de rijksoverheid gekregen. Op basis van drie regelingen ontvangt het Stadsdeel via de Centrale Stad jaarlijks middelen om effectieve voor- en vroegschoolse programma’s op kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en groep 1 en groep 2 basisonderwijs uit te voeren.  Vanaf 1 augustus 2002 maakt VVE deel uit van het GOA. Ook OALT is sinds 1998 gedecentraliseerd. Op basis van deze wet kunnen leerkrachten die zowel de allochtone taal als het Nederlands voldoende beheersen, in groep 1 tot en met 4 kinderen in de eigen taal ondersteunen in het Nederlandse onderwijsproces. Deze tijd wordt als lestijd aangemerkt. Voor kinderen in groep 5 tot en met 8 moet OALT vooralsnog buiten lestijd worden aangeboden en is het niet meer gericht op ondersteuning van het Nederlandse onderwijsproces. Vanaf 1 augustus 2002 gaat dit veranderen. Dan gelden voor deze oudere kinderen dezelfde regels als voor groep 1 tot en met 4.Het Stadsdeel is als schoolbestuur verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs op de openbare scholen. 
In dit Stadsdeel is de portefeuillehouder Onderwijs ook de portefeuillehouder van jeugdzaken en hij heeft tot taak en de verantwoordelijkheid om iets te doen aan onderwijsachterstanden. Dan begint al bij de peuterspeelzaal. De portefeuillehouder moet daarbij ook zorgdragen voor de verbinding tussen het onderwijsbeleid en het welzijn. 

Het Stadsdeel heeft een verantwoordelijkheid om onderwijsachterstanden weg te werken en een van de instrumenten is OALT. In groep 1 tot en met 4 leveren OALT-leraren een bijdrage aan het algemeen onderwijs. In de hogere groepen gaat het alleen om les in de eigen taal, wat alleen buiten schooltijd mag. Vanaf 1 augustus 2002 mag ook in de hogere groepen taalondersteuning onder lestijd worden aangeboden.
OALT staat onder druk. Leraren blijken moeilijk te vinden en de Rekenkamer presenteerde een kritisch rapport.Maar in de praktijk van alledag functioneert OALT nog uitstekend. Veel ouders willen graag dat de kinderen Arabisch kunnen spreken en lezen. Ook al praten zij thuis Nederlands. Op zichzelf is dat wel goed als zij thuis veel Nederlands praten. Meer informatie vindt u op www.oalt.nl.

De brede school. 

Een verzameling van een aantal voorzieningen op één locatie zodat ouders en schoolkinderen niet op verschillende plaatsen hoeven te zijn voor hun dagbesteding. Welke voorzieningen er moeten komen in de brede school, hangt af van de behoefte. Vaak gaat het om kinderdagverblijf en peuterspeelzaal (in verband met jongere broertjes en zusjes), naschoolse opvang (geen verplaatsing), clubjes en jongerenwerk, buurthuiswerk, opvoedingsondersteuning, jeugdzorg en GGD, en culturele instellingen als bibliotheek en muziekschool. In een brede school komen veel partijen samen.  De financiering komt van het gemeentefonds (gedecentraliseerde middelen welzijnsbeleid), GOA-middelen, middelen voor schoolbegeleidingsdiensten, Fonds Sociale Integratie en Veiligheid van het grotestedenbeleid, kinderopvangmiddelen (zoals de stimuleringsmaatregel kinderopvang), gemeentelijke middelen voor onderwijshuisvesting, eventueel de opbrengst van vrijkomende gronden en eventuele gemeentelijke reserves.  Er is geen aparte rijksbijdrage voor een brede school beschikbaar omdat de rijksoverheid ervan uitgaat dat de brede school een andere organisatie van dezelfde taken behelst en dus niets extra’s hoeft te kosten. De huisvesting van de brede school is van groot belang en de locatie van de school moet een logische en centrale rol in de wijk mogelijk maken. De school met een peuterspeelzaal en om de hoek een bibliotheek en een sporthal komt eerder in aanmerking dan de school die weinig voorzieningen om zich heen heeft. Een school die toe is aan verbouwing of uitbreiding, komt eerder in aanmerking dan een school die recentelijk verbouwd is, maar toch 'vol' zit. Welke partners een rol gaan spelen in de brede school, hangt af van de behoefte in de wijk. Zijn er veel tweeverdienende ouders? Dan zijn opvang en buurthuiswerk belangrijk. Zijn er veel kinderen met problemen? Dan zijn zorginstellingen belangrijk. Blijft de voorziening op sportgebied in de wijk achter? Dan zijn sportclubs belangrijke partners. Meestal heeft een brede school zo'n vijf à zes partners. Qua tijdsplanning kan dit vanaf het eerste plan tot de feestelijke opening makkelijk drie jaar duren. In de realisatiefase zal de frequentie waarin de projectgroep bijeenkomt teruglopen. Het wachten is immers op de verbouwing, op politiek groen licht, op het nieuwe schooljaar... Het is van belang om dan de ouders van de schoolkinderen alvast 'warm' te maken voor de nieuwe opzet. Open dagen en voorlichtingspraatjes, bijvoorbeeld in de reguliere voorlichting van de deelnemende partijen, kunnen daarbij helpen. Op het moment dat de brede school van start gaat, is het project afgelopen en kan de projectgroep ontbonden worden. Wel houdt de gemeente natuurlijk haar regierol: de samenwerking tussen de partners die deel uitmaken van de brede school, mag niet verwateren. Dat gebeurt makkelijker dan je op het eerste gezicht zou denken. Dan ontstaat er alsnog een 'voorzieningenarchipel': veel voorzieningen op één locatie, maar onafhankelijk van elkaar werkend.Er is erg veel goede informatie over het opzetten van een brede school. De VNG heeft twee video's uitgebracht onder de titel Bouwstenen voor een brede school. www.bredeschool.net biedt een schat aan cases en een nuttig hoofdstuk over 'de praktijk'.
Handhaving leerplicht: een dure plicht
De gemeente moet de Leerplichtwet handhaven. Maar hoe? Sommige gemeenten werken met een kaartenbak. Andere met een database waar je gegevens wel in kunt stoppen, maar nooit een zinvolle rapportage uit kunt halen. Dankzij een intensieve samenwerking met hulpverlenende organisaties hebben de leerplichtconsulenten in Breda hun handen vrij voor hun eigenlijke werk: het terugdringen van ongeoorloofd verzuim.
Leerplichtambtenaar Boudewijn Veltman kwam ruim 20 jaar geleden in dienst van de gemeente Breda. In die tijd zag hij zijn werk, naleving van de wet, ingrijpend veranderen. Veltman: "In de jaren tachtig lag de nadruk sterk op de maatschappelijke zorgfunctie. We maakten heel spaarzaam gebruik van sanctiemogelijkheden. Halverwege de jaren negentig is er een omslag gekomen: van preventief naar curatief. Dat betekent dat we veel eerder tegen leerling en ouders zeggen: dit kan zo niet langer." Leerlingen krijgen tegenwoordig na hardnekkig verzuim een procesverbaal. Bovendien hebben leerplichtconsulenten in Breda sinds 1 augustus de mogelijkheid om bij licht of matig verzuim een zogeheten miniprocesverbaal op te maken. Daarmee kunnen zij spijbelende leerlingen bestraffen met een HALT-afdoening, een alternatieve werkstraf van maximaal 20 uur, die speciaal in het leven is geroepen voor jonge plegers van kleine delicten. In tegenstelling tot een gewoon procesverbaal, waarbij jongeren samen met hun ouders voor de kantonrechter verschijnen, blijven scholieren met een miniprocesverbaal buiten het justitiële circuit. Veltman: "Dankzij het mini-pv kunnen we piketpalen plaatsen in de lijn van matig tot hardnekkig verzuim. Een scholier die na matig verzuim een mini-pv krijgt, wordt opgeroepen bij bureau HALT. Bij wijze van alternatieve straf moet hij maximaal 20 uur in zijn vrije tijd werken. Op de scholen merk ik dat daar een sterke preventieve werking van uitgaat. Wanneer een leerling een paar vrije zaterdagen inlevert, denken zijn schoolgenoten eerder: ik mag ook wel eens oppassen." De leerplichtambtenaren werken nauw samen met intermediairs: het Openbaar Ministerie, de Raad voor de Kinderbescherming, het bureau jeugdzorg, dat binnen de scholen een loketfunctie vervult, en trajectbegeleiders, die aan het einde van de leerplicht voor een 'vangnet' zorgen. Deze taakverdeling met hulpverlenende organisaties zorgt ervoor dat de leerplichtconsulenten zich vooral met hun kern-taken – controle en handhaving – bezig kunnen houden. Veltman: "In de loop der jaren is de leerplichtconsulent onderdeel geworden van een veel breder netwerk. Het is allang niet meer zo dat ik mijn eentje beslis om een procesverbaal op te maken. Bovendien: als je als ambtenaar alles naar je toe trekt of maatschappelijk werkertje speelt, loop je het gevaar dat je de hulpverlening vanuit de scholen doorkruist."Voor wat hoort wat
Bij de handhaving van de Leerplichtwet zijn goede contacten tussen gemeente en scholen onontbeerlijk. Om scholen te doordringen van de noodzaak tot het tijdig melden van verzuim heeft Veltman onlangs samen met zijn collega alle scholen in Breda bezocht. De intensivering van contacten heeft geleid tot een stijging van het aantal verzuimmeldingen. Veltman: "Sinds we bezig zijn is het aantal meldingen gestegen. Dat betekent niet dat er meer leerlingen spijbelen, maar dat er de afgelopen periode veel verzuim boven water is gekomen dat vóór die tijd niet werd gemeld. Je moet scholen natuurlijk ook gevoelig maken voor de problematiek." Volgens de Leerplichtwet zijn scholen verplicht drie achtereenvolgende dagen ongeoorloofd schoolverzuim te melden. Maar dit gebeurt nog lang niet overal snel en adequaat. Sommige scholen beschouwen verzuimmeldingen vooral als een administratieve verplichting, waar weinig of geen voordelen tegenover staan. In Breda zorgen de leerplichtambtenaren dan ook regelmatig voor een 'tegenprestatie', zoals ondersteuning in automatisering of een folder over extra verlof. Veltman: "Scholen krijgen nogal eens verzoeken voor een extra vrije dag. Sommige scholen wisten niet zo goed hoe ze met dergelijke verzoeken om moesten gaan. Aan de hand van die folder kunnen ze heel objectief en zakelijk zeggen: dit mag wel en dit mag niet."
De intensieve samenwerking met scholen moet er ook voor zorgen dat scholen extra alert zijn op ziekmeldingen, die een deel van het ongeoorloofd schoolverzuim kunnen camoufleren. Veltman: "Om een goed beeld te krijgen van wat verzuim is en wat niet, moeten scholen de gegevens van hun zieke leerlingen zo kritisch mogelijk tegen het licht houden. De meeste scholen kennen hun pappenheimers. Toch vragen we telkens om goed naar patronen te kijken. Wordt een leerling altijd op vrijdag ziek gemeld? Gebeurt het steeds vóór een vakantie? Dan is er meestal wel iets aan de hand." Naast het onderhouden van contacten met scholen besteedt Veltman veel tijd aan huisbezoeken. De praktijk leert dat een gesprek ter plaatse vaak meer informatie oplevert dan een telefoontje vanuit het stadhuis. Veltman: "Aan de keukentafel krijg je het snelst een beeld van de situatie waarin een leerling zich bevindt. Ongeoorloofd schoolverzuim is vrijwel altijd een gevolg van dieper liggende oorzaken. Als je je niet in die achtergronden verdiept, ben je alleen bezig met symptoombestrijding. Bovendien is een snel huisbezoek een duidelijk signaal aan andere leerlingen. Die denken: als ik van school wegblijf, staat de leerplichtambtenaar meteen op de stoep."
Snel reageren
Handhaving van de Leerplichtwet valt of staat met een snelle repons op verzuimmeldingen. In Breda worden de meeste meldingen de volgende dag gevolgd door een huisbezoek of een brief aan de ouders. De leerplichtambtenaren rapporteren hun vervolgactie direct aan school zodat ook daar een actueel dossier ligt. Veltman: "Doordat er op twee plaatsen een dossier wordt opgebouwd, kun je risicoleerlingen extra goed in de gaten houden en tijdig tot sancties overgaan. Als het verzuim ernstige vormen heeft aangenomen, is het vaak al te laat. Bovendien willen we voorkomen dat risicoleerlingen helemaal uit zicht raken." Daarvoor is een actuele centrale leerlingenadministratie nodig. Hoewel scholen verplicht zijn mutaties, zoals in- of uitgeschreven leerlingen, binnen zeven dagen aan B&W te melden, blijkt het naleven van deze verplichting verre van vanzelfsprekend. De gemeente Breda probeert dan ook de administratieve drempel voor scholen zo laag mogelijk te houden. Veltman: "Ik zorg er altijd voor dat scholen voldoende mutatieformulieren hebben en dat ze over een voorraadje gefrankeerde enveloppen beschikken. Het is maar een heel kleine geste, maar het werkt wel." De mutatieformulieren worden geautomatiseerd verwerkt bij de administratieve afdeling van de gemeente Breda. De leerplichtambtenaren zijn wel zelf verantwoordelijk voor de administratie van verzuimmeldingen. Om deze administratieve taak zo efficiënt mogelijk af te wikkelen is ook de verzuimadministratie sinds kort geautomatiseerd. Het systeem is gebouwd door Roccade Civility en heet Onderwijs Informatie Systeem(OIS). Het OIS registreert drie soorten gegevens: de persoongegevens van alle leerlingen van vier tot en met 24 jaar, gegevens van scholen en andere betrokken instellingen, en verzuimgegevens. De automatisering maakt het mogelijk sneller beleidsinformatie uit het systeem te distilleren, zoals verzuim per school, per wijk, per leeftijdsgroep, naar sekse of schoolsoort. Daardoor kan de gemeente in één oogopslag zien welke jongeren het grootste uitvalrisico lopen en welke scholen goed of slecht ‘scoren’. Veltman: "Dit is op afstand de belangrijkste verdienste van het nieuwe systeem."
School en gemeenschap
Begin jaren negentig bestond een middelbare school uit gemiddeld 602 leerlingen, nu 1.427. Op brede scholen gemeenschappen bedraagt het gemiddeld aantal leerlingen nu 2000. Zo'n driekwart van de Nederlanders en de meeste verkiezingsprogramma's gaan ervan uit dat kinderen beter af zijn op een kleine school. Maar is dat ook zo? Hoogtepunten uit het schaalvergrotingsdebat.
Aansprekend opvoeden, Balanceren tussen steun en toezicht; advies Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling (juni 2001): "Volgens hedendaagse jeugdigen schort er nogal wat aan het pedagogische klimaat en de pedagogische infrastructuur waarmee ze van doen hebben. Die klachten komen vooral van jongeren die opgroeien in een context van achterstand, armoede en risicovolle gezinsomstandigheden, maar zeker niet alleen van hen. De gesignaleerde tekortkomingen betreffen vooral het publieke domein. De jongeren vinden dat er te weinig voorzieningen zijn voor opvang, sport en recreatie in de buurt en te weinig volwassenen die zich op een positieve manier om hen bekommeren. Scholen ervaren ze als groot en onpersoonlijk waardoor ze zich een nummer voelen. En, zo zeggen velen van hen, als je je als een nummer voelt ga je je ook als zodanig gedragen…. Jeugdigen zeggen eigenlijk dat het huidige pedagogisch klimaat hen op dimensies van schaal en sturing weinig aanspreekt. Gevraagd naar remedies bepleiten ze een duidelijke verdichting van de opvoeding, vooral in het publieke domein: meer op hen gerichte voorzieningen, en vooral meer mensen die zich persoonlijk en op een constructieve manier om hen bekommeren."Regeerakkoord Paars 2: "Verdere stimulering van institutionele schaalvergroting zal niet plaatsvinden. Er komt een studie naar de effecten van deregulering, autonomievergroting en schaalvergroting op het onderwijsbestel en op de positie van ouders, leerlingen, studenten en personeel. Daarbij zal kwaliteitsontwikkeling en -bewaking centraal staan. De brede buurtschool of vensterschool (die maatschappelijke functies integreert zonder extra belasting voor het onderwijzend personeel) kan als vangnet voor kinderen in achterstandssituaties een belangrijke bijdrage leveren aan de sociale cohesie in een wijk. Het concept verdient daarom ondersteuning. Waar dat dienstig is aan de verdere ontwikkeling van dit concept zal van rijkszijde een bijdrage worden geleverd door belemmeringen, bijvoorbeeld als gevolg van verkokering, weg te nemen."
ITS-rapport Veilige scholen en pro(sociaal) gedrag: "Er is geen significant verband tussen vestigingsgrootte en gevoel van (on)veiligheid bij de leerlingen."
Notitie 'School op maat: groot van buiten, klein van binnen' van staatssecretaris Karin Adelmund (PvdA) van Onderwijs, november 2001: "Grotere scholen zijn veiliger en hebben een beter pedagogischdidactisch klimaat. En de gebouwen van grote scholen zijn ook beter onderhouden."
Eugenie Bots-Estourgie, directeur van de Notre Dame des Anges in Ubbergen bij Nijmegen, een kleine, zelfstandige school met ruim 500 leerlingen: "De sociale controle is bij ons veel groter dan op een grote school. Wij kennen iedereen bij naam en toenaam. Ik las vanochtend in de krant dat een middelbare school in Duiven, met 2.000 leerlingen, een eigen politieagent heeft. Fulltime. Als we op de Notre Dame des Anges een probleemleerling hebben, bespreken de docenten dat direct uitvoerig met elkaar. De lijnen zijn hier korter dan op een grote school. Het scheelt alleen al dat onze docenten tussen de lessen niet van het ene gebouw naar het andere hoeven te fietsen."
Peter Bouhuijs, directeur van het Expertisecentrum actief leren in Maastricht: "Scholen beschikken na een fusie vaak over nieuwe gebouwen. De onderhoudskosten zijn daardoor aanmerkelijk lager dan die van oude schoolgebouwen. Met de middelen die scholen op dit moment krijgen, kun je geen oud gebouw onderhouden. We zien heel vaak dat scholen die verbouwen of fuseren, die gelegenheid aanpakken om meteen een aantal andere zaken te veranderen. Bijvoorbeeld gaan kijken hoe ze ICT kunnen inpassen in hun onderwijs. Ik denk dat als je kleine scholen ook de gelegenheid geeft om te verbouwen, ze hun onderwijs evengoed zullen vernieuwen."
Louise van de Venne van het SCO-Kohnstamm Instituut: "De staatssecretaris wil dat grote scholen kleine vestigingen hebben. Op die manier kun je de nadelen van een grote organisatie een beetje compenseren. Zorgen dat leerlingen zich minder een nummer voelen, dat ze de meeste andere leerlingen kennen en het docententeam hen ook. Ik kan me voorstellen dat ook de docenten zich dan meer betrokken zullen voelen bij wat er op school gebeurt."
(Citaten uit Martine Zuidweg, 'Geloof in groot', NRC Handelsblad
d.d.8 december 2001)
Persbericht Onderwijsraad 8 januari 2002: "Scholen moeten in hun bedrijfsvoering zo weinig mogelijk worden gehinderd door allerlei inperkende en belemmerende bepalingen. Ze moeten in staat zijn die combinatie van inzet van mensen en materieel te vinden die het beste past bij hun leerlingen en hun ouders. Scholen moeten daartoe beleidsvoerend vermogen hebben. Ook zou het goed zijn om naar interne kleinschaligheid te streven en grote scholengemeenschappen onder te verdelen in kleinere (deel)scholen en teams. De laatste jaren is er door de schaalvergroting veel variatie ontstaan in organisatie- en bestuursvormen. Dit is op zich een goede zaak die verder gestimuleerd (maar niet van bovenaf opgelegd) moet worden. Scholen moeten zelf kunnen bepalen hoe zij zich organiseren, dus wel of niet fuseren, wel of niet aansluiten bij het participatiefonds (waaruit de kosten voor ziek personeel worden betaald), enz. De rijksoverheid moet samenwerking stimuleren, maar tegelijk oog houden voor de wensen van leraren en ouders. Om het ontstaan van al te grote scholen en schoolbesturen (de mega-fusies) tegen te gaan, pleit de raad ervoor ‘opting out’ wettelijk mogelijk te maken. Dit houdt in dat een school of een groep leraren die een eigen onderwijsconcept ontwikkelt onder eigen verantwoordelijkheid hiermee aan de slag moet kunnen, eventueel los van het overkoepelende schoolbestuur. Een dergelijke verzelfstandiging is wel aan voorwaarden gebonden."Ton van Haperen in NRC Handelsblad d.d. 11 januari 2002: "De neergang van het onderwijs vertoont overigens opvallend veel overeenkomsten met de soap op het spoor. De ingrediënten zijn hetzelfde: onuitvoerbare vernieuwing, overwaardering van sturing en dédain jegens ambachtelijkheid. Zo gaat het met de grote onderwijsvernieuwingen van acquit mis. De basisvorming mislukt wegens ambitieuze doelstellingen, interne tegenstrijdigheden en budgettair neutrale invoering. Het studiehuis is eenzelfde lot beschoren. Zelfstandig leren komt niet van de grond. Veel scholen vallen terug op ouderwets klassikaal onderwijs. Dit ontwijken van beleid wordt gedoogd. Vrijheid van onderwijs beperkt de reikwijdte van het overheidshandelen en de huidige bewindslieden beseffen dat een ramkoers belachelijk is. Dat betekent wél dat leraren werken in een omgeving die niet werkt. De desintegratie neemt toe door overdreven aandacht voor sturing. Managementdenken en schaalvergroting veroorzaken een kloof tussen denkers en doeners."
ROC en gemeente houden leerlingen binnenboord
Het Regionaal Opleidings Centrum (ROC) heeft het niet makkelijk: het is lastig om aan leerkrachten te komen en 'moeilijke leerlingen' komen 10 tegen één op het beroepsonderwijs uit. De gemeente Tilburg zocht de samenwerking met het ROC Midden Brabant en boekt opmerkelijke resultaten met maatwerktrajecten.
Samen met het ROC Midden-Brabant wil de gemeente Tilburg voorkomen dat jongeren uit de eerste fase zonder school of werk 'uitvallen'. Het ROC richtte een 'leerbedrijf basisvaardigheden' in, waarin aan kleine groepjes op een onorthodoxe manier onderwijs wordt gegeven. Leerplichtambtenaar Hans Krens (gemeente Tilburg): "Het heeft geen zin deze jongeren in een schoolbankje te zetten. Het ROC heeft negen werkplaatsen ingericht, waar zo'n 60 tot 70 jongeren hun school afmaken. Catering, confectie, techniek, dienstverlening, bosbouw enzovoort. Maar eigenlijk krijgen de jongeren één grote training sociale vaardigheden. Alle aanvragen voor deze plekken komen op mijn bureau. Ik vraag van de scholen een rapportage over de inspanningen die ze hebben geleverd om de leerling binnenboord te houden. Als ik besluit dat de leerling in aanmerking komt, krijgt hij of zij een mentor van het ROC en samen met de ouders, de hulpverlenende instanties en soms ook de politie wordt een doel gezet en een route uitgestippeld. Dat is individueel maatwerk. Zonder de steun van de ouders redden we het niet, dus die moeten we er heel nauw bij betrekken. We gaan met de ouders en de instanties die de jongen of het meisje kennen om de tafel zitten." Die aanpak werkt. Krens kan bogen op een bijna 100% uitstroom naar werk of, opvallend genoeg, een vervolgopleiding. "Soms krijgen ze toch weer de smaak van het onderwijs te pakken. Dat kan een gevolg zijn van de samenwerking met de hulpverlening. Ik signaleer schoolverzuim, ga eens na hoe het bij die leerling thuis is en schakel als het nodig is bijvoorbeeld maatschappelijk werk in. Als de situatie dan thuis verbeterd is, zijn de voorwaarden voor een normale schoolcarrière misschien weer aanwezig." Het ROC en de gemeente Tilburg werken ook samen in het project 'Backup'. Leerplichtige jongeren die moeite hebben met het onderwijs, worden in samenwerking met twee uitzendbureaus aan werk geholpen. Voor vier dagen per week. Eén dag per week volgen ze nog lessen aan het ROC. De financiering van het intensieve traject rust niet alleen bij het ROC Midden-Brabant. De gemeente betaalt de helft en aan de 'leverende' scholen wordt volgens het rugzakmodel ook een bijdrage gevraagd. Het politieke draagvlak is er in Tilburg. Krens: "De politiek realiseert zich dat de stad anders de rekening gepresenteerd krijgt in de vorm van overlast, criminaliteit en economisch inactieve burgers." Krens heeft dagelijks contact met hulpverlening en politie in het Coördinatiepunt Risicojeugd. "Elke ochtend om negen uur wandel met ik met mijn dossiers naar het politiebureau. Ik heb dan bijvoorbeeld het dossier bij me van een scholier die sinds kort opvallend veel verzuimt. Kent de hulpverlening dat gezin? Is de jongere bekend bij de politie? We proberen er op die manier zo vroeg mogelijk bij te zijn. Want dan heeft een interventie de grootste kans op succes. Behalve de samenwerking met het ROC heb ik nog andere opties. Een time-outproject, waarin kinderen drie weken in een intensieve observatie gaan, of de 'ventwegen' voor kinderen uit het leerwegondersteunend onderwijs die obstakels tegenkomen, dyslexie of een probleem met gezag. Die kunnen een jaar naar een aangepaste intensieve vorm van onderwijs waarin die obstakels hopelijk worden weggenomen. Zo proberen we tot een 100% dekking te komen."
Voor- en vroegschoolse educatie
VVE is een verantwoordelijkheid van de gemeenten. Het Rijk stelt in de VVE-regeling middelen beschikbaar om met voor- en vroegschoolse educatie voor 3- tot 6-jarigen dreigende onderwijsachterstanden tegen te gaan. In augustus 2002 wordt dit geïntegreerd in de middelen voor het GOA.
Een VVE-programma vraagt om een keuze voor een doelgroep. Verder veronderstelt het een vorm van samenwerking met externe partijen, bijvoorbeeld de kleuterschool, het kinderdagverblijf of de OALT-onderwijzer. Peuterspeelzalen worden al door gemeenten bekostigd. Vaak zal de peuterspeelzaal de spil van het programma zijn. Belangrijk is om ouders bij het programma te betrekken: thuis kan de methode worden doorgezet, en ouders kunnen helpen bij de educatie zelf. De gemeentelijke regiefunctie op het gebied van jeugdbeleid komt onder meer tot uiting in de toeleiding tot het programma. Het is immers de bedoeling dat vooral die kinderen ervan profiteren, die mogelijk met een achterstand aan hun schoolcarrière zouden beginnen. Consultatiebureaus en buurthuizen kunnen daarbij een belangrijke rol vervullen. Een koppeling met inburgeringsprogramma's is ook zinvol. De keuze voor het programma zelf hangt af van de lokale behoefte. Een handig instrument is de De Keuzegids VVE van Makelaar VVE. In kort bestek volgen enkele programma’s.Piramide
Doel van Piramide is het zodanig stimuleren van de ontwikkeling van kinderen dat ze met succes de basisschool kunnen volgen. Het programma richt zich op deze ontwikkelingsgebieden:
sociaal-emotionele ontwikkeling;
persoonlijkheidsontwikkeling en redzaamheid;
creatieve ontwikkeling;
motorische ontwikkeling en ontwikkeling van het schrijven; • ontwikkeling van waarneming;taalontwikkeling en ontwikkeling van het lezen;
denkontwikkeling en ontwikkeling van het rekenen; • oriëntatie op ruimte en tijd en wereldverkenning.De doelgroep vormen kinderen van 2,5 tot en met 6 jaar, met speciale aandacht voor anderstalige kinderen, Nederlandstalige kinderen in achterstandssituaties en kinderen met leermoeilijkheden.
De belangrijkste elementen in het programma zijn vrij spel, projecten aan de hand van thema’s, observeren, toetsen, tutoring en betrokkenheid van ouders. Er is speciale zorg voor de speel- en leeromgeving, de communicatie en de organisatie, waardoor kinderen op hoog niveau kunnen spelen en leren. Zelfredzaamheid en zelfstandigheid worden bevorderd. Piramide heeft een sterk pedagogische basis waardoor kinderen veilig en geborgen zijn. De leidster of leerkracht ondersteunt de kinderen emotioneel. De activiteiten van de leidster/leerkracht, de tutor, de ouders en bij allochtone kinderen de OALT-leerkracht vertonen samenhang omdat men volgens hetzelfde concept werkt.Kaleidoscoop
Kaleidoscoop heeft als doel het voorkomen van onderwijsachterstanden van jonge kinderen die de doelgroepen vormen van het onderwijsachterstandenbeleid. Het programma richt zich op deze ontwikkelingsdomeinen:
sociale ontwikkeling; • ontwikkeling van initiatief nemen en zelfstandigheid;creativiteit;
motorische ontwikkeling;
muzikale ontwikkeling;
taalontwikkeling, (pre)geletterdheid;
cognitieve ontwikkeling.
De doelgroep vormen 2,5- tot en met 6-jarige allochtone en autochtone kinderen van laag tot zeer laag opgeleide ouders. Kaleidoscoop is een educatieve methode voor peuters en kleuters. Uitgangspunt is dat kinderen kennis verwerven en vaardigheden ontwikkelen door actief betrokken te zijn bij mensen, materialen, gebeurtenissen en ideeën. De leidsters/leerkrachten ondersteunen het actief leren. Hun rol is te typeren als voorwaardenscheppend, initiërend en globaal sturend: zij bieden de kinderen een uitdagende leeromgeving, hel-pen hen hun spel uit te breiden, praten met de kinderen over wat zij aan het doen zijn en helpen hen problemen zelf op te lossen. Hoewel aan kinderen een grote mate van vrijheid wordt geboden bij het kiezen van activiteiten, wordt met hen nadrukkelijk afgesproken en gepland wat zij zullen gaan doen. Bovendien worden activiteiten in de regel later op de dag in een kringgesprek geëvalueerd (reflec-tie). Dit ‘plan–do–review’-principe wordt elke dag opnieuw gevolgd. Kaleidoscoop besteedt veel aandacht aan de inrichting ('hoeken') en de aankleding van de speelzaal/het klaslokaal en aan de toegankelijkheid en herkenbaarheid van speelgoed en materialen ('labelen'). Observaties vormen een belangrijk onderdeel van Kaleidoscoop. Het gehanteerde observatie-instrument, het kind observatie registratiesysteem (KOR), is gebaseerd op de aan Kaleidoscoop ten grondslag liggende sleutelervaringen. Aan de hand van de KOR maken leidsters en leerkrachten dagelijks aantekeningen, die hun inzicht geven in het ontwikkelingsniveau van de individuele kinderen. De observaties dienen als basis voor het dagelijks handelen (het plannen van didactische activiteiten). Het observeren maakt aldus integraal deel uit van het pedagogisch-didactisch model. Kaleidoscoop beschouwt ouders als partners. Ouders zijn welkom in de groep. Er zijn materialen voor groepsbijeenkomsten met ouders ontwikkeld. Kaleidoscoop is gebaseerd op het Amerikaanse programma High-Scope, dat in 1962 onder de naam Perry Preschool Project is ontwikkeld en in de loop der jaren verder is uitgebouwd door David Weikart en zijn staf. Het programma is door de Averroès stichting onder de naam Kaleidoscoop aangepast aan de Nederlandse situatie.Startblokken en Basisontwikkeling
Het doel van de beide programma’s is het bevorderen van de brede ontwikkeling van kinderen. Met de introductie van Basisontwikkeling streeft het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum (APS) een verbetering na van het onderwijs in de onderbouw van het basisonderwijs (4- tot en met 8-jarigen), gebaseerd op ontwikkelingsgericht onderwijs. Na Basisontwikkeling is een uitbreiding gerealiseerd voor de peuterperiode (Startblokken). De doelgroep van Startblokken wordt gevormd door 2,5- tot en met 4-jarigen. Bij Basisontwikkeling gaat het om de leeftijdsgroep van 4- tot en met 8-jarigen (groep 1-4 basisonderwijs). Het is een algemeen toepasbaar curriculum, dat niet specifiek ontwikkeld is voor kinderen in achterstandssituaties. Daarnaast heeft recentelijk een uitbreiding plaatsgevonden op het terrein van de tweede taalverwerving, met het oog op anderstalige leerlingen.Startblokken en Basisontwikkeling zijn curricula/pedagogische werkplannen, die in een doorgaande ontwikkelingslijn van 2,5- tot en met 8-jarigen voorzien. In ontwikkelingsgericht onderwijs staat de ontwikkeling van de kinderen centraal, met nadruk op de 'zone van de naaste ontwikkeling'. De rol van de leidster/leerkracht is vooral begeleidend en voorwaardenscheppend.
Horen, zien en… zeggenHoren, zien en… zeggen heeft vooral een preventief doel. Het wil voorkomen dat anderstalige kinderen een grote taalachterstand in het Nederlands hebben als zij binnenkomen in groep 1 van de basis-school. Kijkend naar de ouders van deze kinderen wil het programma de kennis van taalontwikkeling vergroten. Dit moet tot gevolg hebben dat de ouders bovendien een groter inzicht krijgen in hun eigen rol in de taalontwikkeling en de tweedetaalverwerving. Het project beoogt ook de betrokkenheid van de ouders bij de talige opvoeding van hun kind te vergroten. Horen, zien en… zeggen richt zich op anderstalige kinderen vanaf (bijna) 3 en 4 jaar. Omdat in dit programma de kinderen zich zowel de moedertaal als het Nederlands eigen moeten maken, is de samenwerking met de ouders essentieel. Zij zijn verantwoordelijk voor de ontwikkeling in de eigen taal, die bovendien ondersteunend kan zijn voor het leren van het Nederlands. Van ouders wordt verwacht dat zij thuis onderdelen van het programma in hun eigen taal met hun kind uitvoeren. Het traject van Horen, zien en… zeggen kan nauw samenhangen met het ‘Nijmeegs Peutervolgsysteem’, dat bestaat uit observatielijsten waaruit kan blijken dat een kind extra aandacht nodig heeft. Als dit geconstateerd wordt, kan de speelzaal een stimuleringsplan ontwikkelen.Ik & Ko
Ik & Ko wil werken aan de totale taalvaardigheid en streeft dus een verbetering van de taalontwikkeling na. Tot de doelgroep van Ik & Ko behoren Nederlandstalige en meertalige kinderen in groep 1 en 2 van het basisonderwijs. Ik & Ko is een totaal-taalmethode, waarbij NT1 en NT2 worden geïntegreerd, met voldoende differentiatiemogelijkheden om tegemoet te komen aan de verschillende taalvaardigheidsniveaus binnen een heterogene of homogene kleutergroep. Er wordt rekening gehouden met kinderen in verschillende stadia van tweedetaalontwikkeling, maar ook met meer taalvaardige NT1-kinderen. Aan de talige doelen die worden nagestreefd met Ik & Ko wordt gewerkt in verschillende
– voor kinderen betekenisvolle – situaties.Trias
Doel van het programma Trias is de ontwikkeling van de eigen taal en de NT2-verwerving te stimuleren. Tot de doelgroep van Trias behoren de kinderen uit groep 1 tot en met 4 van de basisschool. Ook richt het programma zich specifiek op Turks, Marokkaans en Portugees sprekende kinderen. Het programma Trias is een taalstimuleringsmethode die afgestemd is op de methoden Knoop het in je oren, Laat wat van je horen, en Veilig Leren Lezen.