|
RAADSCOMMISSIES
In het dualistische stelsel is de functie van deelraadscommissies in essentie dezelfde is als die van de plenaire raad: die van volksvertegenwoordigend, kaderstellend en controlerend lichaam. De raadscommissie is niet langer een voorportaal van de besluitvorming van het college, maar ondersteunt de besluitvorming in de raad. Met andere woorden: de andere functie van de raad werkt door in de wijze van voorbereiding van de besluitvorming van de raad en in de inzet van de commissie bij het overleg met het college respectievelijk de burgemeester. Dit overleg dient niet gericht te zijn op het creëren van medeverantwoordelijkheid voor bestuursbeslissingen, maar op kaderstelling en controle door de raad en het afleggen van verantwoording door het college. Eén van de taken van de commissie kan bijvoorbeeld zijn te beoordelen in hoeverre het college binnen de kaders gebleven is. De commissie heeft daarbij een signaleringsfunctie en moet - indien nodig - het college ook bijsturen. De commissie moet zich daarbij bewust zijn van zijn functie in de bestuurlijke organisatie en in geval van meningsverschil of onacceptabele situaties het onderwerp doorgeleiden naar de raad. Het is immers niet de bedoeling dat het college uitsluitend in de commissie verantwoording aflegt. Toch leidt deze andere taakopvatting tot een duidelijk verschil met de huidige taakopvatting van de commissies.
Een belangrijk aspect bij taakinvulling van de raadscommissie is het bepalen van de verhouding tot de raad.
De raadscommissies zijn puur voorbereidend en vooral gericht op informatievoorziening. Het politieke debat wordt in de raad gevoerd. De vergadering van de commissie dient dan voor informatievergaring. Op basis daarvan wordt de stellingname bepaald. In deze opzet past ook een eventuele schriftelijke voorbereiding waarin de commissieleden vragen kunnen stellen aan het college. Het seniorenconvent, de agendacommissie of het presidium bepaalt dan in samenspraak met de commissievoorzitter de agenda van de raadscommissie. Het college stuurt de documenten die het heeft voorbereid ook eerst naar de raad. De tweede optie geeft het primaat aan de raadscommissievergadering en de belangrijkste functie van de raadsvergadering is dan besluitvormend.
Het overleg in de raadscommissie kan uitmonden in een advies van de raadscommissie aan de raad.
De raadscommissie kan dus niet als besluitvormend orgaan in plaats van de raad optreden. Wel kan de raadscommissie vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid invloed uitoefenen op de besluitvorming in de raad. In veel gemeenten wordt met dat doel een classificatie in bespreek- en hamerstukken gemaakt. Een hamerstuk heeft een unaniem advies van de commissie gekregen. Een dergelijk stuk behoeft in deze gemeenten niet meer in de raadsvergadering besproken te worden, maar kan direct worden aangenomen. Deze handelswijze past goed bij een dualistisch opererende raad die vooral over politieke relevante onderwerpen wil praten. Het zorgt voor een selectie van onderwerpen.
Punt van aandacht bij de doorverwijzing van onderwerpen vanuit de commissie naar de raad is of het college over de mogelijkheid beschikt om een collegevoorstel terug te halen. In een dualistisch stelsel lijkt het in de rede te liggen dat een voorstel dat eenmaal bij de
raad(scommissie) is ingediend niet meer kan worden ingetrokken, omdat het dan "onder de raad" is en de raad haar eigen agenda bepaalt. Anders blijft de situatie in stand dat de raadscommissies door het college worden gebruikt om af te tasten in hoeverre er draagvlak is in de raad. Overigens is het terughalen van het voorstel slechts in zoverre relevant dat er dan niet meer over dat specifieke voorstel wordt gesproken.
De raad benoemt de leden van de raadscommissies. De burgemeester en de wethouders mogen geen lid zijn van raadscommissies, omdat deze commissies feitelijk raadswerk doen - zij bereiden immers besluitvorming van de raad voor en treden namens de raad in overleg met (de leden van) het college of de burgemeester. Wanneer collegeleden wel lid hadden kunnen zijn van raadscommissies, dan zou via het commissiestelsel opnieuw onduidelijkheid in positie en bevoegdheden van raad en college kunnen ontstaan. De invoering van dualisering heeft nu juist ten doel de duidelijkheid te maximaliseren. De collegeleden (inclusief de burgemeester) verschijnen alleen in raadscommissies op uitnodiging van de commissie (net als in de raad) en leggen daar verantwoording af of geven informatie aan de commissieleden. Zij kunnen natuurlijk wel een verzoek doen om aanwezig te mogen zijn en deel te nemen aan de beraadslagingen.
De raad kan in de raadscommissie ook andere leden dan raadsleden benoemen. Overige commissieleden kunnen partijleden of onafhankelijke burgerleden zijn. Ditzelfde geldt voor eventuele plaatsvervangende leden van de commissies. Volgens de Gemeentewet van na 7 maart 2002 kan dus iedereen als lid van een raadscommissie worden benoemd, behalve de burgemeester en de wethouders. Het is aan de raad om te bepalen of deze categorie verder beperkt moet worden tot bijvoorbeeld de personen die op de lijst hebben gestaan of om te bepalen dat van deze mogelijkheid geen gebruik mag worden gemaakt. De raad kan het ook aan de fracties overlaten om te bepalen wie voor lidmaatschap van raadscommissies in aanmerking komt.
Dergelijke afspraken legt de raad meestal vast in de commissieverordening. In de praktijk zal het - net als in het monistisch stelsel het geval was - vaak om vertegenwoordigers van kleinere fracties gaan, dikwijls lijstopvolgers. Dit versterkt de positie van de fractie, omdat burgers bepaalde deskundigheid kunnen meebrengen. Die informatie kan de fractie ook gebruiken bij het opstellen van amendementen, moties en initiatiefvoorstellen. Ook raken burgers zo dichter betrokken bij de politiek. Enerzijds geven raadsleden burgers die niet in de raad willen, de mogelijkheid om een waardevolle bijdrage te leveren aan het bestuur van de gemeente. Anderzijds kan het burgerlidmaatschap een voorbereiding zijn op een eventueel toekomstig raadslidmaatschap. Verder is een groot voordeel voor kleine fracties dat zij het raadswerk over meerdere mensen kunnen verdelen. Zo kan meer tijd worden geïnvesteerd in contacten van fracties en fractieleden buiten het stadhuis. Naast de versterking van de ambtelijke ondersteuning is dit dus ook een mogelijkheid om het raadswerk lichter te maken. Het lidmaatschap van niet-raadsleden is één van de zaken die de raad bij de instelling van de nieuwe raadscommissies nader kan regelen. De instelling van de nieuwe raadscommissies zal meestal plaatsvinden op 14 maart 2002. Op dat moment mogen de oude commissies van advies en bijstand immers niet meer bestaan. Gemeenten kunnen echter ook besluiten om even zonder commissies te opereren en deze pas bij de volgende vergadering in te stellen. Redenen daarvoor kunnen zijn dat er meer tijd nodig is om het nieuwe stelsel te doordenken of dat de commissievoorzitters nog opgeleid moeten worden.
De voorzitter van een raadscommissie moet een raadslid zijn. Dit versterkt de onafhankelijke positie van de raad ten opzichte van het college. De voorzitter zal namelijk in de praktijk in belangrijke mate de agenda bepalen. Juist in gedualiseerde verhoudingen is het van groot belang dat de raad en de raadscommissies hun eigen agenda, ook materieel, vaststellen. Vanwege het feit dat het hier intrinsiek raadswerk betreft, is het niet toegestaan dat een niet-raadslid het voorzitterschap van een raadscommissie vervult.
Een raadslid als voorzitter brengt verschillende voordelen met zich mee. Allereerst is de scheiding van taken duidelijker. De portefeuillehouder
kan de vergadering minder sturen waardoor het standpunt van de raadsleden beter uit de verf komt. Tevens heeft hij meer ruimte om het collegevoorstel of -standpunt te verantwoorden en te verdedigen in de discussie met de commissie, omdat de voorzittersrol voor hem vervalt. Een tweede voordeel is dat de controlefunctie en de invloed van de raad, in het bijzonder van de
raadslid-voorzitter, wordt vergroot. Tenslotte kan een raadslid-voorzitter meer onbevangen tegenover agendapunten staan en meer naar objectiviteit streven dan een portefeuillehouder, die tevens te maken heeft met het standpunt van het college.
Raden hebben de keuzemogelijkheid om een raadslid uit of van buiten de desbetreffende commissie met het voorzitterschap te belasten. Een voorzitter van buiten de commissie zal zich op hoofdlijnen in het onderwerp van de betreffende commissie moeten verdiepen. De voorzitter van binnen de commissie heeft het voordeel dat hij het onderwerp kent. Een dergelijke voorzitter kan echter een dubbelrol in de commissie vervullen, omdat hij mogelijk ook voor zijn fractie het woord moet voeren over het onderwerp. Dit creëert onduidelijkheid. Een duidelijke positionering in de rol van voorzitter geeft hem of haar de gelegenheid zich volledig op de vergadering en de orde daarvan te concentreren. Daarom lijkt het aanbevelenswaardig om de voorzitter geen lid van de commissie te laten zijn. Als de voorzitter toch lid is van de commissie, is het niet wenselijk dat hij het woord moet voeren namens zijn fractie. De plaatsvervangers van de commissievoorzitters kunnen eventueel wel aangewezen worden door de commissie en dus ook lid van de commissie zijn. Ook denkbaar is dat één van de andere commissievoorzitters het voorzitterschap overneemt. Overigens is er geen mogelijkheid voor gemeenten om commissievoorzitters extra te belonen voor het vervullen van hun voorzitterschap.
De benoeming van de voorzitter geschiedt doorgaans door de plenaire raad. Het is ook denkbaar dat de commissie zijn eigen voorzitter kiest. Vanuit het oogpunt van spreiding over de in de raad vertegenwoordigende groeperingen lijkt het raadzaam dat de raad alle voorzitters aanwijst. De functie van voorzitter is immers belangrijk bij de agendabepaling in de gemeente. Het is van belang dat de agenda van de commissie en de agenda van de raad op elkaar afgestemd zijn. De
raads- en commissievoorzitter kunnen daarin een belangrijke rol spelen als het gaat om het bepalen van de verdeling van onderwerpen tussen raad en commissie. Hij dient een goed gevoel te hebben voor het moment waarop behandeling in de raad om redenen van politieke gevoeligheid of profilering noodzakelijk is. Een van de twee hoofdtaken van de raadscommissie is immers het voorbereiden van besluitvorming in de raad. Deze verbinding kan gelegd worden door de voorzitters van de commissies plaats te laten nemen in een agendacommissie die de agenda van de raad bepaalt. Als er geen agendacommissie is, dan zouden ze voor de agendabepaling ook kunnen aanschuiven in het seniorenconvent of een kleiner presidium.
De zelfstandige agendabepaling door raadscommissies is van belang voor de eigen positie die de raad en zijn commissies in het dualistisch stelsel moeten ontwikkelen. Vaak bepaalt het college nu nog feitelijk de agenda. Dit veroorzaakt een reactieve opstelling van de raadscommissie. Dit nu is één van de problemen die mede door dualisering opgelost kan worden. Het feit dat een raadslid het voorzitterschap vervult, kan hiertoe bijdragen. De voorzitter van de raadscommissie zal immers min of meer zelfstandig de ontwerpagenda vaststellen. Daarbij wordt hij gevoed vanuit de raad, het college, het seniorenconvent (presidium of agendacommissie), de leden van de commissie, de secretaris en de griffier.
|