Advies van de ARS over de STRUCTUURVISIE Geuzenveld/Slotermeer April 2003
Adviesnr. 277 Serie 2003, nr. 04 over DE STRUCTUURVISIE GEUZENVELD-SLOTERMEER
SAMENVATTING
De ARS signaleert in zijn reactie een zekere spanning tussen de grote schaal van Parkstad en de
schaal van de uitvoering in het Stadsdeel, waar het allemaal moet gebeuren. Hij ziet dat in de
Visie een vertaalslag op de tussenschaal moet worden gemaakt en is blij met de aanzet daartoe.
Vervolgens signaleert hij 3 thema’s die z.i. aanscherping kunnen gebruiken:
1. Een sterkere inzet op de werkgelegenheid
2. Het duidelijker aangeven van prioriteiten om een marsroute voor het handelen te krijgen
3. Een analyse van sterke/zwakke kanten van de gebouwde omgeving als factor in het beleid
Op de vraag: “Waar te beginnen” doet de ARS suggestie eerst in te zetten op de assen en het
gebied van de Ringlijn. Hij nuanceert zo het standpunt van de Visie over Buurt 1.
Zijn pleidooi voor stedebouw op de middenschaal sluit hierbij aan en neemt de assen als voorbeeld.
Belangrijk vindt hij het om daarbij een nieuw evenwicht te zoeken tussen het
sociaal economisch draagvlak van de bewoners en de vernieuwing van de voorzieningen.
Station Sloterdijk ziet hij, ondanks zijn afzijdige ligging, als een ankerpunt voor het stadsdeel.
Vervolgens adviseert hij het Stadsdeel systematisch op zoek te gaan naar combinatie-vormen
van wonen en werken die in de buurten in te zetten zijn en aansluiten bij het profiel van de
mensen daar. Hij doet daarvoor enkele voorstellen en pleit voor experimenteerzones.
Hij beveelt de sociaal-economsiche benadering sterk aan en vult het initiatief om de scholen
een grote rol te laten spelen aan met de suggestie er goed op te letten dat school en buurt bij elkaar
blijven horen.
Ten slotte waarschuwt hij ervoor geen suburbane Vinexbuurten te laten ontstaan omdat het
goed mogelijk is tot een eigen ‘Parkstad-stijl’ te komen ondanks alle ingrepen die er al plaatsvinden.
Hij geeft daartoe enkele suggesties.
De ARS is van mening dat deze Visie niet het laatste woord voor de toekomst is. Ook zijn advies
is dat niet. Hij wil het daarom niet bij een reactie op papier laten en biedt aan om, als het Stadsdeel
dat wil, als gespreks- of sparringpartner te fungeren.
ARS-advies over de Structuurvisie Geuzenveld/Slotermeer, nr. 277 (04), april 2003
INHOUDSOPGAVE:
1. Vroegere analyses
2. Hoe ziet de ARS de Structuurvisie?
II. DRIE UITGANGSPUNTEN 5
1. Een aanscherping
III. HET PROCES VAN CONCRETISERING: 6
1. Waar te beginnen?
2. Stedebouw op de middenschaal
A. Assen en pleinen als aangrijpingspunten: Naar een typologie
Voorbeeld I: Over de Burgemeester de Vlugtlaan
Voorbeeld II: Over de Slotermeerlaan
B. Onderzoek naar het draagvlak
3. Station Sloterdijk
4. Combinaties van Wonen-werken: Diversiteit in typen
A. Experimenteerzone
B. Nieuwe typen Woon/Werk combinaties
5. Scholing en onderwijs
6. Blijf sturing geven aan kwaliteit bij de bouw
7. Parkstad, een eigen stijl
Verder gebruik van dit advies staat ieder vrij, mits dit gebeurt met bronvermelding.
I. INLEIDING
1. Vroegere analyses
Er zijn al heel wat beschouwingen in het verband van Parkstad aan de orde geweest die de analyse
van de Westelijke Tuinsteden betroffen. Deels hadden die een wat algemener en structureel
karakter, zoals over de toekomstperspectieven, woonmilieu’s, bevolkingsanalyses etc. De ARS
heeft begrepen dat de Visie daar op doorgaat en die als ondergrond gebruikt.
2. Hoe ziet de ARS de Structuurvisie?
De ARS ziet in de Structuurvisie het begin om voor het stadsdeel de uitwerking van de toekomst
ter hand te nemen, zoals beschreven in ‘Parkstad 2015’ en het recente Structuurplan. Dat waren
algemene beleidskaders. Nu wordt het stokje overgenomen en vindt er een vertaling plaats naar
het niveau van het stadsdeel. Dit is geen makkelijke taak, niet in tijd en niet in schaal:
* Wat betreft het tijdsverloop komt het aan op het tastbaar en zichtbaar maken van algemene
en vaak langlopende beleidsvoornemens naar de korte termijn van vandaag en morgen.
* Wat betreft de schaal beschrijft de Visie wat speelt tussen de grote schaal van de planning
van Parkstad en het uitvoeringsniveau van de bouwplannen, waarvan overigens al op veel
plekken ingrepen gaande zijn.
De Visie beweegt zich dus op een tussenschaal. Daar moeten beleid en uitvoering in het stadsdeel
bij elkaar komen. Deze schaal is lastig te hanteren, omdat ze de meer abstracte intentieverklaringen
en analyses moet omzetten in concrete projecten die de zwakke kanten in het stadsdeel
aanvullen en bestaande kwaliteiten versterken. Het gaat niet alleen om fysiek-ruimtelijke,
maar ook sociaal-economisch kwesties. Het is als met appels en peren, ze zijn niet zo maar bij
elkaar op te tellen, afwegingen en oplossingen zijn ingewikkeld.
Als de Visie deze verschillendsoortige kwesties in zo’n samenhang kan brengen, dat die de helpende
hand biedt bij het motiveren van prioriteiten en zo het stadsdeel en andere partijen in
staat stelt de juiste afwegingen te maken in hun investeringsbeslissingen, is hij geslaagd. Dan zal
duidelijk zijn of de brede school of de werkgelegenheid voorrang moet hebben, of dat versterking
van b.v. het blauwe netwerk grotere urgentie heeft. De Visie moet lijn brengen in de plannen
tot in de straten toe en voorkomen dat elke bouwinitiatief zijn eigen gang gaat. In dat proces
moet helder worden van welke partijen, naast het stadsdeel, investeringen mogen worden verlangd.
II. DRIE UITGANGSPUNTEN
Een aanscherping
Drie opmerkingen van meer algemene aard over de Visie wil de ARS hier op de voorgrond zetten,
omdat ze de insteek van deze ARS-reactie kleuren:
1. De bescheiden opstelling van de Visie over werkgelegenheid in het stadsdeel is opvallend,
vooral tegen de achtergrond van een bevolking die sociaal-economisch niet zo sterk is. Nu
lijkt de Visie te bevestigen dat werken nu eenmaal buiten het stadsdeel gebeurt.
De ARS zou het anders willen stellen: om de relatief grote werkloosheid tegen te gaan kan
het stadsdeel heel goed meer werkgelegenheid van een bepaalde soort gebruiken. Hij adviseert
een actievere koers: Wacht niet op het sluiten van de Ringlijn en beperk de aanvullende
werkgelegenheid niet tot buurt 1 (zie ook III.4: combi’s van wonen/werken: aanvullende
typologieën)
2. Het is moeilijk uit de Visie op te maken welke de meest dringende punten zijn om aan te
pakken: Wat is nu precies de opgave en welke keuzes krijgen prioriteit? Er zitten punten in
die het blauwe netwerk raken, zoals sluizen, maar ook de brede school en andere sociaaleconomische
thema’s. Probeer daar volgorde in te krijgen.
Een van de speerpunten is steeds de bouw geweest. Als de bouwactiviteiten in deze tijd van
krapte minder worden, adviseert de ARS om maximaal op de sociaal-economische thema’s
in te zetten en die voorrang te geven op andere onderdelen, b.v. op het waterprogramma
zoals dat voor het blauwe netwerk wordt genoemd. En wat de getemporiseerde bouw zelf
betreft, blijf wel zorgen voor kwaliteitsbewaking van wat er dan nog wél gebouwd wordt.
3. Het ontbreekt in de Visie aan een overzicht van de sterke en zwakke delen uit de gebouwde
omgeving. Dat wordt niet ingebracht en lijkt niet mee te spelen in de overwegingen die de
toekomst van het stadsdeel bepalen. Bovendien blijven flinke delen in het stadsdeel fysiek
onveranderd, hetgeen pleit voor een meer uitgesproken visie op het bestaande.
De ARS is van mening dat niet alles heilig hoeft te zijn, maar er zit nu eenmaal kwaliteit in
het bestaande. Breng dat sterker naar voren, tel uw zegeningen, stel de kroonjuwelen veilig.
Het zou een van de factoren in de afweging moeten zijn.
III. HET PROCES VAN CONCRETISERING
Bovenstaand commentaar neemt niet weg dat de ARS enthousiast is over het initiatief van zo’n
Visie. Daarmee zijn we er echter nog niet, het is pas het begin. De ARS wil in het vervolg enkele
stimulansen geven om verder te gaan en meer concreet te worden. Zijn wens is dat de Visie
meer operationeel wordt.
De Visie zelf bevat een aantal aanzetten daarvoor, volgens de ARS kan er nog een extra slag
gemaakt worden om die aanzetten direct bruikbaar te maken.
Hamvraag is: Hoe versterk je het uitvoerend vermogen? De ARS heeft de volgende suggesties:
1. Waar te beginnen?
De Structuurvisie geeft - ook ondanks het uitblijven van een prioritering - blijk van een uitdagende
opgave. Dit brengt de ARS tot de vraag: Waar, maar vooral ook, hoe te beginnen?
De Visie legt grote nadruk op Buurt 1 vanuit de wens om er tot verstedelijking, cq. verdichting
te komen. Dit vanwege de nabijheid van de Ringlijn.
De ARS ondersteunt graag het aantakken aan de zone van de Ringlijn, zoals de Visie voorstelt.
Daarmee kan het stadsdeel het contact leggen met -, en de schaalvoordelen binnenhalen van de
Schipholzone/Zuidas. Die vormen de economische motor, waarmee relatie moet worden onderhouden.
De analyse om hier te moeten beginnen is daarmee nog niet gegeven. Daarvoor is er een transformatiestrategie
noodzakelijk.
De ARS geeft de voorkeur aan het 'van buiten naar binnen' transformeren, dat wil zeggen: Start
met strategische interventies in de hoofddragers van het stadsdeel en laat de mogelijkheden voor
de omvorming van de binnengebieden vooralsnog open.
Voordelen:
Snel zichtbare resultaten op de hoofdragers/pleinen/assen, concentratie van investeringen en gerichte
interventies die de dragers/pleinen/assen versterken (met behulp van uitgewerkte typologieën).
Deze maatregelen zullen trouwens deels van fysiek-ruimtelijke invloed zijn, maar - via
programma's - ook sociaal-economische impulsen moeten geven aan de revitalisering van het
stadsdeel. Om deze reden is de ARS er niet voor in de velden van Buurt 1 te beginnen.
Samengevat:
- Geef meer reliëf aan de Visie door aan te geven wat eerst en wat daarna aan de beurt is.
- Begin vooral met de dragers, zoals rond stations, aan de pleinen en op de assen, laat daar
zien wat er kan.
- Zorg eerst dat de dragers uit de omgeving de transformatie meemaken en doorstaan.
- Maak vanuit de dragers een groeiscenario naar meer stedelijkheid rondom, begin niet met
het forceren van de stedelijkheid in de velden.
- Bedenk dat het proces van vernieuwing vanuit de dragers voor de mensen beter zichtbaar
is en wervender werkt dan in de velden. Dat is belangrijk om support te krijgen.
- De velden volgen vanzelf wel wanneer de pleinen en assen als dragers voldoende uitstraling
hebben.
2. Stedebouw op de middenschaal
A. Assen en pleinen als aangrijpingspunten: Naar een typologie
Het raamwerk (blauw, groen en grijs) draagt de tuinsteden. De dragers zijn binnen een bepaalde
situatie bedacht en uitgevoerd. Dat geldt ook voor de straten. Hun karakter komt voort uit de tijd
dat er nog geen supermarkten waren, dat een bakker van een paar honderd klanten kon bestaan,
dat er geen parkeerdruk was. Daarop zijn ze ingericht en gedimensioneerd. De omstandigheden
zijn intussen veranderd. Bezien moet worden of zo’n straat nog aan zijn functie beantwoordt.
Dat geldt voor de dragende assen, maar ook voor straten van lagere orde en het onderliggend
wegenpatroon.
De ARS is voor een inzet die wervend is bij de mensen en laat zien wat er kan. Dat bemoedigt,
kweekt een positieve houding tegenover alles wat er nog moet gebeuren. Dat zou vanuit de assen
kunnen, maar ook met toevoegingen op specifieke plekken. Als dat eenmaal aanslaat, volgt
de rest op den duur ‘vanzelf’ wel. Begin daarom niet perse met sloop. De aanvullende bouw
moet een aanjaagfunctie hebben. Zorg dat die van een goede uitstraling is.
Met als voorbeeld twee dragende assen stellen we de stedebouw op middenschaal aan de orde,
maar ook op de lagere schaal, b.v. voor de L. v Deysselstraat, gelden analoge vragen.
Voorbeeld I: Over de Burgemeester de Vlugtlaan
Stel een nieuw perspectief op voor deze laan, zeker nu de Kolenkitbuurt wordt vernieuwd. Het
begin van de Burgemeester de Vlugtlaan is daarbij betrokken. Het is nodig te zien welke functie
deze laan moet krijgen. Het gaat om vragen als: Is het aanbod van winkels op deze as nog in
orde, wat heeft zo’n as nodig, zijn er andersoortige vestigingen, zoals werkplaatsen, aan toe te
voegen?
Maar ook de fysieke inrichting van deze as kan bijdragen: Wat kan er daaraan nog verbeteren,
hoeveel lagen woningbouw op onderstukken met winkels zijn nog aanvaardbaar, welk beeld
hoort daarbij? Hoe functioneren de ventwegen, hoe wil je het parkeren behandelen, wat doe je
met de ‘overkant’ waar de koppen van de bebouwing naar de weg staan?
8
Voorbeeld II: Over de Slotermeerlaan:
Net als voor de Burgemeester de Vlugtlaan kunnen over de Slotermeerlaan vragen over het toekomstperspectief
ervan worden gesteld. Het is winst als een ongewenst garagebedrijf daar weg gaat, maar daarmee is niet de toekomstwaarde van deze laan veiliggesteld. Welke typologie is
daar gewenst, moet het een publieksas worden en wat is daar voor nodig aan vestigingen / parkeren
/ bereikbaarheid, of moet het meer een woonlaan worden. En als het karakter niet over de
hele lengte hetzelfde is, waar verschiet de laan van kleur van bewoning naar zakelijk. Hoe ondersteunen
de velden daarachter dat? Laat daarvoor voorstellen ontwikkelen.
B. Onderzoek naar het draagvlak
Laat een Distributie Planologisch Onderzoek (DPO) houden, d.w.z. laat zien wat de koopkracht
is in de buurten. Weet welke winkels er nog haalbaar zijn op die basis. Probeer vervolgens om
aanvullend draagvlak met aanvullende woningbouw te realiseren, zoek naar verdichting waar
dat kan. De vraag is wat er in de velden achter de winkels en op de assen aan draagvlak moet
worden vernieuwd om de buurtcentra aan de gang te houden.
3. Station Sloterdijk
Dit station raakt nooit helemaal geïntegreerd in het Stadsdeel, daarvoor ligt het teveel terzijde.
Maar de ARS wil nog sterker dan de Visie al doet, inzetten op het vergemakkelijken van de routes
en de bereikbaarheid van het station. Het is een lastige ruimtelijke opgave, het is goed die
studie breed op te zetten. Het zou een opgave voor de dienst IVV (voor de O.V.-routes) kunnen
zijn of anders kan de uitwerking van de lokale situatie elders ter hand worden genomen.
Ook het gebruik zelf van het station, het verblijfsklimaat, de inrichting en het beheer kunnen
voor het stadsdeel van belang zijn.
4. Combinaties van Wonen-werken: Diversiteit in typen
A. Experimenteerzones
De Structuurvisie zal het operationele kader moeten zijn voor tal van investerende en betrokken
partijen. Nu wekt de Visie de indruk, - deels ook door nadruk te leggen op 'klassieke' overheidsinterventies
in het groene en blauwe netwerk - dat vooral de overheid aan de slag moet.
De ARS vraagt zich af hoe de investeringsbereidheid van publieke en private partijen versterkt
kan worden. Onze gedachten gaan daarbij uit naar experimenteer- of regelluwe zones, vooral in
de binnengebieden van de velden. Het is niet de bedoeling hiermee alle sturing los te laten,
maar wel om de ruimte te scheppen zodat initiatieven van onderop tot bloei kunnen komen.
B. Nieuwe typen Woon/werk-combinaties
Er zijn in de stad, maar ook elders, succesvolle combinaties van wonen en werken, ieder op hun
eigen manier: Op Borneo, maar ook in de Pijp, in Zuid, in verhoogde onderstukken, in broedplaatsen
als Loods 6.
Zoals bij de taxatie van de algemene uitgangspunten uit de Visie is gezegd, zijn deze in de ogen
van de ARS op het gebied van woon/werk- milieus tamelijk volgzaam, terwijl de bevolking best
meer mogelijkheden kan gebruiken.
Het ARS-advies is deze combinaties en nieuwe vormen te laten uitwerken, juist voor het soort
opleiding en initiatieven die uit de huidige bewoners zijn te verwachten. Als die initiatieven zijn
omschreven, zie dan of ze door de bestaande woonbeelden en milieu’s zijn heen te weven. Zeker
als het meer kleinschalige en informele werkruimtes zijn, hoeft niet alles op de assen.
Een meer tastbare toets vindt plaats als het een opdracht wordt om concreet een plek voor een
soort Loods 6 te zoeken of de woningdifferentiatie in een bepaalde buurt te verrijken met nieuwe
typologieën van woon-/werkpanden.
9
5. Scholing en onderwijs
De ARS is van mening dat onderwijs een van de sociale pijlers is. De Vroegschool en Brede
School zijn goede initiatieven, omdat ze raken aan het sociale leven van de buurten. Ook het
voortgezet onderwijs vraagt om een eigen (buurt)gerichte aanpak.
In het algemeen gaat het om het omhoog brengen van het scholingsniveau, maar de scholen
zijn ook een belangrijk punt in het sociale contact voor de ouders die hun kinderen brengen en
halen. Zeker voor een deel van de allochtone vrouwen die niet veel kans hebben een netwerk
op te bouwen of aan de samenleving deel te nemen.
Ook de fysieke looproutes, de informele netwerken en plekken daarvan op weg naar de scholen,
zijn belangrijk.
Verplaatsen van scholen kan daarom indirect ingrijpen in de sociale netwerken van de buurten.
Daar dient uiterst voorzichtig mee omgegaan te worden.
6. Blijf sturing geven aan kwaliteit bij de bouw.
Blijf bij de bouw sturing geven vanuit een kwaliteitsbesef, ook als er weinig gebouwd kan worden.
Zorg ervoor dat wat nog wel gebouwd wordt, voldoende toekomstwaarde heeft. Daarvoor
zijn een aantal spelregels gewenst waardoor willekeur wordt voorkomen. Dat zijn dan spelregels
die aangeven wat er onder ‘invullingen in Parkstad-stijl’ wordt verstaan.
Zet in een situatie waarbij de bouwactiviteit terugvalt, maximaal in op andere zaken, zoals het
inlopen van achterstanden via opleiding en onderwijs. Probeer op deze wijze de dynamiek in
het Stadsdeel te vergroten.
7. Parkstad, een eigen stijl
Het is niet passend om in de situatie van Geuzenveld met de term ‘suburbaan’ te werken, ofschoon
in de leefmilieus (‘Wensbeeld 2015’) die term wel voorkomt. Die doen teveel denken
aan Vinex-wijken en zijn hier niet aan de orde. Er bestaat een aparte Parkstad-sfeer. Daarin is
een specifieke behandeling mogelijk voor steeds terugkerende typische vragen die uit dit soort
woonmilieus naar boven komen.
Kortom, er is een catalogus te maken met min of meer eigen oplossingen, die toegesneden zijn
op zulke situaties en thuishoren in Parkstad. Dat kan een uitwerking betekenen van de globale
aanzetten die er in de paragraaf C.4: ‘Tuinstadkarakter’ zitten.
Het eigene van Parkstad behoort een associatie met ‘groen' op te roepen. Het verschilt van het
groen in de Vinex-wijken, waar meer privé-groen is, terwijl Parkstad zijn groen vooral in de
openbare sfeer van de buitenruimten heeft. Maar tijdens de verdichtingslag zal in zowel de 2e
dimensie (het platte vlak) als 3e dimensie (de opgaande bomen en de gevels) naar nieuwe ‘groene’
vormen moeten worden gezocht, zowel bij het vormgeven van de woningen en de bouwblokken,
als bij het karakteriseren van de openbare ruimte, waaronder de doorgaande wegen.
Voor de (deels te privatiseren) open ruimte houdt het in dat niet zozeer het gras het imago bepaalt,
maar dat er toch een parkachtige sfeer wordt opgeroepen, b.v. door aanplant van veel
bomen en allerlei vormen van half-verharding.
Architectuur, landschapsinrichting en stedebouw moeten opdracht krijgen daarop in te spelen.
· Op de schaal van de woning kan dat betekenen dat er hier en daar serres komen, doorzichtig
en groen, b.v. op moeilijk vorm te geven plekken als de karakteristieke (blinde) hoeken /kopgevels, maar ook de aanleg van hele nieuwe gevels met groene serres zou passen.
· Op de schaal van het bouwblok kan het betekenen dat er opnieuw wordt gezocht naar alternatieven
voor de hekken van nu met mooie, evt. ontworpen, enigszins uniforme hekwerken. Komen er gesloten bouwblokken dan kunnen er grote doorzichtige trappenhuizen
worden gemaakt, die de binnentuinen ervaarbaar houden.
· Ook kan geprobeerd worden de genoemde 2e en 3e dimensie te ‘ontharden’ met specifieke
keuze van materiaal en kleur. Ook bij forse verdichting zal het stadsbeeld van Amsterdam-West parkstedelijk en vriendelijk moeten blijven ogen.
· Op de schaal van de hoofdwegen kan het betekenen dat daar forse, zo mogelijk dubbele,
bomenrijen worden nagestreefd, al dan niet met middenberm. De ‘Strategie voor de netwerken’
(Parkstad 6-6-2000) geeft al een aantal typologieën van het ruimtelijk beeld (bijl.6).
Het ‘Bomenstructuurplan’ is hiermee verder gegaan. Daarop kan worden doorgewerkt.
· Ook de lange (zicht)lijnen zijn karakteristiek in de Tuinsteden. Die dienen bij verdichting in
stand te blijven, zodat bewoners ‘ruimte’ blijven ervaren.
Dergelijke ontwerpprincipes zorgen ervoor dat de nieuwbouw niet verwordt tot een Vinexinvulling,
maar herkenbaar blijft als eigen aan de Westelijke Tuinsteden. Op andere schaal zijn
er uitgangspunten opgesteld voor Buurt 9.
Eenzelfde soort vraag ligt er bij de introductie van het begrip ‘Groene Plantage’ aan de westkant
van het Stadsdeel. Dat is tot nu toe tamelijk algemeen omschreven en de velden lijken verwisselbaar.
Toch vormen sommige velden overgangen naar de groene scheg, andere liggen tegen het tracé van de Westrandweg, weer andere liggen meer in de nabijheid van de woonvelden.
Zo gezien zijn ze minder neutraal dan voorgesteld en leveren een bijdrage aan het ene of andere
milieu. Die effecten zijn niet inwisselbaar. De ARS zou daar graag meer verantwoording van
zien.
Mw. E. Eshuis (voorzitter) B. B. J. Huls (secretaris)